's-Hertogenbosch
's-Hertogenbosch ontstond op de plaats van een hoge dekzandkop, omringd door drassige grond waar de Dommel en de Aa samenkomen in de Dieze.
In de ijzertijd en Romeinse periode lagen hier akkers. De ploegsporen uit die tijd zijn bij de opgravingen van 1977-1978 teruggevonden. Na 300 was het gebied begroeid met bos.
In de 12de eeuw is dit bos gerooid voor de aanleg van een nieuwe nederzetting, niet ver van het oudere Orthen, waar hertog Godfried III een jachtslot had gebouwd. Deze vestiging werd genoemd naar het bos dat er voor moest wijken.
De stad kreeg kort voor het einde van de 12de eeuw stadsrechten van Hendrik I. In de daaropvolgende anderhalve eeuw werden deze rechten verder uitgebreid.
Den Bosch werd de vierde hoofdstad van het hertogdom en nam snel in betekenis toe. Het werd tevens de hoofdplaats van de Meierij.
De Brabantse hertogen hadden met de stichting van de stad in de eerste plaats een economisch doel voor ogen. Door de ligging aan de rivier de Maas kon zich hier een handelsnederzetting ontwikkelen met een goede verbinding naar het noorden en naar het gebied van de Nederrijn.
Van even groot belang was de militaire doelstelling om aan de noordgrens van het hertogdom een sterke stad te hebben die weerstand kon bieden aan de invallen vanuit het hertogdom Gelre.
