Eersel
Eersel en het gebied eromheen gingen in 1203 deel uitmaken van het hertogdom Brabant. Het bestond in die tijd uit een reeks agrarische gehuchten. Door de gunstige ligging aan verbindingswegen naar Leuven, Antwerpen en Den Bosch groeiden twee van die gehuchten aaneen tot een baanderdorp. De weg tussen de gehuchten verbreedde zich tot een langgerekt marktplein dat voor handelsdoeleinden kon worden gebruikt. Op het plein werd in 1464 een kleine kapel gebouwd ter hoogte van de kruising met de verbindingsweg Eindhoven-Turnhout.
In 1325 had Eersel van hertog Jan III van Brabant de rechten van 'Vrijheid' gekregen. Op grond hiervan mochten de inwoners voortaan hun eigen bestuurders aanwijzen. Tevens werd het de hoofdbank voor de schepenbanken van omliggende dorpen.
Vooral in de 16de en 17de eeuw was Eersel een belangrijk regionaal handelscentrum. Na de Tachtigjarige Oorlog bleef de vlek verbonden met de handel door de Teuten, kooplui die voornamelijk handelden in koper en vrouwenhaar. Aan de markt liggen nog steeds enkele Teutenhuizen.
