Steden 1800-1945

In het begin van de 19de eeuw heeft Lodewijk Napoleon drie Brabantse plaatsen stadsrechten gegeven: Tilburg, Roosendaal en Oosterhout. Voor Roosendaal duurde dit maar kort: in 1815 werd deze stad weer ingedeeld bij de plattelandsgemeenten. 

De groeiende bevolking en de na 1800 in omvang snel toenemende industrialisatie leidden tot grote veranderingen in de Brabantse steden die de ruimte hadden om er fabrieken te bouwen. Dat waren in eerste instantie de steden die geen vestingfunctie hadden en waar het vrijliggende gebied dus mocht worden bebouwd: Tilburg, Helmond en Eindhoven. Bij de vestingwet van 1874 kwam de mogelijkheid tot stadsuitleg ook voor andere steden beschikbaar. Daardoor kwam de industrialisatie in Breda, Bergen op Zoom en Den Bosch pas relatief laat op gang. Op het gebied van de industrialisatie stonden zij toen dan ook op achterstand. 

Behalve steden kreeg de uitdijende industrie ook enkele grotere plattelandsgemeenten in haar greep. Vaak was dit mede een gevolg van de aanwezigheid van een gunstige infrastructuur, zoals de ligging aan spoor- of waterverbindingen. Dat geldt bijvoorbeeld voor Roosendaal. Veertig jaar nadat deze stad de door Lodewijk Napoleon verleende stadsrechten had verloren, kwam de plaats aan de spoorweg van Antwerpen naar Breda te liggen. Er wam een station en een douanekantoor. Die faciliteiten trokken industrie aan waardoor alsnog een verstedelijkingsproces op gang kwam. Iets dergelijks gebeurde met Oss. Deze plaats had weliswaar eerder al stadsrechten gekregen, maar die gunst had vooral een militair doel. Feitelijk is Oss tot in de 19de eeuw altijd een vlek gebleven. De spoorwegverbinding van Den Bosch naar Nijmegen opende nieuwe mogelijkheden en vormde de belangrijkste reden voor enkele ondernemers om daar hun fabrieken te bouwen. Veghel profiteerde van de aanwezigheid van de Zuid-Willemsvaart en een spoorweg. Op de kruising van deze verbindingen ontstond een hele industriewijk. Op de afbeelding hiernaast is te zien hoe Oss rond 1850 nog de structuur had ven een vlek of een groter dorp. Door met de cursor naar de afbeelding te gaan wordt de situatie omstreeks 1900 zichtbaar. De spoorweg met station hebben geleid tot een toename van de bebouwing, waaronder fabrieken tussen de oude dorpskern en het station en achter het station.

Ook de aanwezigheid van religieuze instellingen kon een stimulans betekenen voor de verstedelijking van een kleine plaats of de belangrijkheid van een stad. Tilburg, dat in het begin van de 20ste eeuw 30 kloosters telde, is daar een voorbeeld van. Maar ook een dorp als Sint-Michielsgestel profiteerden van de aanwezigheid van maar liefst drie grote instellingen, het klein seminarie Beekvliet van het bisdom Den Bosch, het jongensinternaat De Ruwenberg van de Fraters van Tilburg en het Doofstommeninstituut. Alleen al door deze drie instellingen steeg het inwoneraantal met 1500 personen. Het dorp werd daardoor niet echt groter, hoewel de betreffende instellingen met al hun accommodaties als sportvelden en logistieke gebouwen veel plaats innamen, maar economisch was de aanwezigheid ervan wel een stimulans voor de lokale economie.

Van grote invloed op het stadsbeeld vanaf ongeveer 1920 was de sociale woningbouw, die een einde maakte aan de vaak erbarmelijke woonsituatie van veel arbeiders in de steden. Maar ook de komst van woningen voor de beter gesitueerden en van villawijken liet zijn sporen in het stadsbeeld na.



Thuis in Brabant
 
Links | Colofon