Veranderend stadbeeld
Al in de 19de eeuw was er veel onderzoek gedaan naar deze problematiek van de huisvesting van het groeiend aantal arbeiders in de steden, maar slechts zelden waren er initiatieven geweest om daarin verandering te brengen. De directeur van de Gist- en Spiritusfabriek in delft, J.C. van der Marken, was de eerste werkgever die voor zijn arbeiders in 1885 vriendelijke laagbouw liet neerzetten. Pas na 1900 was er sprake van verbeteringen op grotere schaal, met name onder invloed van de Amsterdamse School met Hendrik Pieter Berlage en Michel de Klerk. Ook was in 1901 de Woningwet aangenomen die het mogelijk maakte voor woningbouwverenigingen om overheidssteun te ontvangen. Samen realiseerden deze woningbouwverenigingen in Nederland tussen 1900 en 1940 een miljoen woningwetwoningen. In alle Brabantse steden treffen we nog steeds vooroorlogse wijken aan die toentertijd een grote verbetering waren ten opzichte van de toestanden daarvóór. Voorbeelden zijn de Graafsewijk in 's-Hertogenbosch, gebouwd in de jaren tien en twintig van de 20ste eeuw op initiatief van wethouder Manus Krijgsman die de sociaal zwakkere gezinnen op een betere manier wilde huisvesten, de Vogeltjesbuurt in Tilburg en Philipsdorp in Eindhoven.
De bouw van vaak complete nieuwe wijken met arbeiderswoningen had natuurlijk ook gevolgen voor de realisatie van allerlei voorzieningen als winkels, horeca, kerkgebouwen, ziekenhuizen enzovoort. Met het stijgen van het voorzieningenniveau werden ook meer mensen met een hogere opleiding naar de steden getrokken. Voor hen werden ook woonwijken gebouwd, variërend van wijken voor middenstanders en beter gesitueerden tot complete villawijken voor de mensen die leiding gaven in de industrie, de medische wereld, het openbaar bestuur, de rechtspraak of het hoger onderwijs. De straten waren hier breder en er was meer groen. De sociale gelaagdheid van de bevolking werd zichtbaar in de ruimtelijke ordening van de stad.
