Woudrichem
De oorsprong van Woudrichem gaat terug tot de vroege middeleeuwen. Toen rond 1300 de Maasbedding zich verlegde en samenvloeide met de Waal tot de Merwede kwam de plaats uiterst gunstig te liggen ten opzichte van de vaarwegen.
Daardoor ontwikkelde Woudrichem zich tot een belangrijke handelsplaats met markt. Er werd vooral vis verhandeld. In die periode viel het nog onder het gezag van de graaf van Kleef. Die verkocht het in 1332 aan Willem de Goede, graaf van Holland.
In 1356 kreeg Woudrichem tolvrijheden en stadsrechten en wat later uitgebreide rechten op de riviervisserij. Het was de hoofdplaats van het Land van Altena. Ook werd de stad met wallen en stadspoorten versterkt.
Tegen het einde van de middeleeuwen ging een deel van de economische positie verloren door de opkomst van Gorinchem. In het begin van de Tachtigjarige Oorlog werd het een vestingstad en samen met Gorinchem en Loevenstein vormde het een geducht militair bolwerk van het staatse leger.
In de 19de eeuw werd de stad opgenomen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Pas in 1955 werd de vesting als militaire sterkte opgeheven. Omdat dit pas zo laat gebeurde is het merendeel van de vestingwerken behouden gebleven.

