Steden ná 1945

Op het gebied van de stedelijke ontwikkeling na 1945 onderscheidt Noord-Brabant zich niet wezenlijk van die elders in Nederland. Bestaande steden werden groter en kregen uitgestrekte nieuwbouwwijken. Veel dorpen groeiden zo sterk, dat ze eigenlijk geen dorpen meer genoemd kunnen worden. 

Soms groeiden twee dichtbijgelegen steden helemaal naar elkaar toe, zoals Eindhoven en Veldhoven, soms werden oude dorpen door een groeiende stad letterlijk overrompeld, zoals gebeurde met Princenhage en Prinsenbeek. Beide dorpen werden in respectievelijk 1942 en 1997 aan de gemeente Breda toegevoegd. Ook voor steden was groei overigens niet altijd vanzelfsprekend. Daarom werd Helmond tussen 1976 en en 1989 aangewezen als groeistad. In die periode werden bestuurlijke en economischer maatregelen genomen om de groei van de stad te bevorderen.

Hoewel veel vroegere dorpen flink verstedelijkt zijn, gaat de politiek altijd uit van vijf Brabantse steden: Breda, Tilburg, 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond. De historisch stad Bergen op Zoom is niet in deze reeks opgenomen. De vijf genoemde steden zijn vanaf 2001 verenigd in het netwerk Brabantstad, dat samen met de provincie Noord-Brabant de belangen van de regio verdedigt, zowel in de richting van de nationale overheid als in de richting van het bestuur van de Europese gemeenschap.

De groei naar een stedelijke structuur gaat vergezeld van forse ingrepen in het stadsbeeld: hoogbouw, uitgebreide winkelwijken of -centra, vaak in verkeersluwe gebieden of zone's die geheel voor gemotoriseerd verkeer zijn afgesloten. Daarnaast is het voorzieningenniveau zeer toegenomen. Er kwamen ziekenhuizen, vele onderwijsinstellingen, theaters, musea, culturele centra enzovoort. Wat verdween waren de kerken.. De secularisatie maakte dat deze gebouwen te groot werden voor het aantal gelovigen en daardoor onrendabel. Kerkbesturen fuseerden en besloten één of meer kerkgebouwen af te stoten of te slopen. De vrijkomende grond in het stadscentrum bracht soms veel op waarmee eventuele nieuwe voorzieningen konden worden gefinancierd.

Wat ook verdween waren de fabrieken. De werkzaamheden die daar voorheen werden verricht hielden op te bestaan of werden verplaatst naar landen met lage lonen. Werkzaamheden die nog wel bleven bestaan werden overgeplaatst naar kantoren- of industriewijken aan de rand van de steden of grote gemeenten. De ruimte in de stad die vrijkwam kon worden bestemd voor woningbouw, de dienstensector of het onderwijs. Enkele fabrieken die bleven bestaan kregen de status van beschermd monument en een nieuwe functie.

Een sociaal aspect bij al deze ontwikkeling is de renovatie van oude woonwijken. De vaak naar onze maatstaf te klein geworden huizen van vóór de Tweede Wereldoorlog werden steeds vaker betrokken door mensen met lage inkomens, wat kon leiden tot sociale problematiek. De oplossing voor deze achterstandswijken werd soms gevonden in totale nieuwbouw, maar ook wel in renovatie waarbij de woonruimte werd vergroot. Dat betekende niet altijd een vooruitgang, zoals de foto laat zien van enkele huizen in de Merelstraat in Tilburg. De provisorische uitbouwen aan enkele van deze huizen kunnen amper als een echte verbetering worden beschouwd.




Thuis in Brabant
 
Links | Colofon