
Gouden munt van muntmeester Madelinus uit Dorestad, 625-650, ’s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum.

Pippijn de Korte (ca 715-768)
De chaotische situatie tijdens de Merovingische vorsten stabiliseerde nadat hofmeier Karel van Martel de feitelijke macht naar zich had toegehaald en nadat zijn zoon, Pippijn de Korte, in 751 de laatste Merovingische koning in een klooster had laten opsluiten.
De nieuwe machthebbers hadden de gewoonte om bevoorrechte personen die waardering verdiend hadden voor hun bestuurlijke inzet te belonen met rechten en landerijen. Het woeste en vrijwel ontvolkte Brabant beschikte over voldoende grond om weg te schenken. Dat leidde in de 8ste eeuw tot een toename van domeinhoeven in Brabant. Deze hoeven waren het centrum van agrarische activiteit en gaven een belangrijke impuls aan de agrarische en economische opleving.
In ieder geval zien we dat de verspreide en geisoleerde bewoning van de 7de eeuw in deze periode plaats maakte voor het ontstaan van nederzettingen van enige omvang, zoals die van Geldrop. Ook bestuurlijk kwam er meer structuur. Het gebied tussen Schelde en Rijn, dat de gouw (pagus) Bracbant werd genoemd, werd onderverdeeld in vier graafschappen.