Ontginningen
In de 11de eeuw begonnen de grootschalige ontginningen van bossen, venen en heidegronden in Noord-Brabant. Dat leidde in de loop van de 12de eeuw tot een opbloei van de agrarische activiteit. Een gevolg daarvan was dat de bevolking toenam. Deze ontwikkeling zette zich ook na 1200 door. Rogge werd het belangrijkste gewas; daarnaast teelde men boekweit, vlas, hennep en soms haver.
Ook was er een vooruitgang in de teelt van voedergewassen. Dat geeft aan dat ook de veeteelt belangrijker werd. In het noorden van de provincie kreeg het rund een belangrijke plaats, op de zandgronden werd het schaap het belangrijkste landbouwdier.
In een aantal gevallen werden de ontginningen geïnitieerd door kloosterorden. Zo schonk Arnout van Leuven, heer van Breda, het Baerlebosch en tweehonderd bunder moeras aan de abdij van de Cisterciënzers van Sint Bernard bij Antwerpen. De monniken lieten het gebied ontginnen. Zij stichtten er Oudenbosch en de later verlaten nederzetting Nieuwenbosch.
