Koos Aarts (1864-1929)

technisch pionier van internationaal formaat

Jacobus Gerardus (Koos) Aarts werd op 4 april 1864 geboren als oudste kind van de leerfabrikant Antonius Aarts en de grondbezitster Johanna Oomens. Op 6 augustus 1889 trouwde hij met Clémentina Johanna Maria Rogier. Zij was afkomstig uit een vooraanstaande familie uit het Bergen op Zoomse. Na de dood van zijn vrouw in 1908, hertrouwde hij in 1914 met Joanna Barbara Maria Bekkers uit Dongen. Uit het eerste huwelijk kwamen zes kinderen voort, vier zoons, Antoon (1891), Christ (1893), Hein (1896) en Karel (1908), en twee dochters Catharina (1891) en Maria (1902). Aarts overleed te Dongen op 9 december 1929.

Koos Aarts groeide op in Dongen, een dorp dat sterk in opkomst was als centrum van schoenmakerij en leerlooierij. Daarin had zijn vader een belangrijk aandeel. Koos was met zijn enige broer voorbestemd de omvangrijke looierij met de daaraan verbonden huidenhandel van vader voort te zetten. Zijn opleiding verkreeg hij vermoedelijk vrijwel geheel thuis, in de praktijk. Maar de bedrijfsactiviteiten strekten zich tot over heel Nederland en daarbuiten uit. Aarts kwam dan ook welhaast zeker al van jongs af aan volop met de wereld buiten Dongen in aanraking. Zo was de firma in 1883 vertegenwoordigd op de Internationale Tentoonstelling te Amsterdam. Een kostschoolopleiding heeft hij hoogstwaarschijnlijk niet gehad, desalniettemin beheerste hij later onder meer de Franse, Duitse en Engelse taal. In 1888, na het overlijden van zijn vader, nam Koos Aarts het beheer van het familiebedrijf over. Hij liet bij de fa. A. Aarts als eerste leerlooierij ter plaatse een stoominstallatie (van 11 pk) plaatsen. De hele onderneming werd gemoderniseerd en de productie gerationaliseerd. De firma stond bekend om de goede kwaliteit van zijn producten, met name zoolleder, getuige de klandizie van de Posterijen en Spoorwegdiensten en een gouden medaille op de Wereldtentoonstelling te Antwerpen (1894).

Eind 1894 vroeg de dertigjarige Aarts de Dongense gemeenteraad om een concessie voor een bovengronds elektriciteitsnet, dat aangesloten zou worden op een onder beheer van Aarts op te richten centrale. Een gewaagde onderneming. In heel Nederland waren dergelijke openbare voorzieningen op de vingers van één hand te tellen. In Noord-Brabant beschikten enkele tientallen bedrijven en instellingen over een eigen elektrische lichtvoorziening. De toepassing van elektriciteit voor krachtdoeleinden - waarin Aarts bij de opzet zij plan al had voorzien - was nieuw. De raad ging, na ruim een jaar bedenktijd, niet verder dan een voorlopige concessie, zonder nadere regelingen omtrent concessieduur en exploitatierecht na afloop. Aarts zag daarop van de hele onderneming af en is hierop later niet meer teruggekomen, ook elders niet. Wel voorzag hij kort daarna zijn eigen bedrijf van een installatie voor elektrische drijfkracht. De eerstkomende jaren was hij vermoedelijk druk met de oprichting van een lijm- en gelatinefabriek bij zijn leerlooierij (1897). Ook met deze onderneming was hij een van de eersten.

Of zij een groot succes was, is twijfelachtig. Dat geldt ook voor zijn volgende openbare activiteiten. Om Dongen van een betere verkeersontsluiting te voorzien, vooral met de havenplaats Waspik, richtte Aarts met twee geldschieters uit deze plaats een Maatschappij tot Exploitatie van Automobielendiensten in Nederland op. Deze startte in september 1899 met een van de eerste geregelde openbare autobusdiensten in het land. Autobussen waren nog niet standaard leverbaar, dus ging Aarts deze in eigen beheer vervaardigen. Deze nieuwe onderneming, de Eerste Nederlandsche Automobiel Fabriek Neerlandia was bedoeld voor een reguliere productie. Zowel van de automobielfabriek als van de autobusdienst is na de oprichting weinig meer vernomen. Beide zijn een stille dood gestorven. Er is vermoedelijk wel gereden met omnibussen van eigen fabrikaat en ook zijn motoren voor derden vervaardigd.

Aarts' technische belangstelling lag inmiddels elders. In combinatie met J. Kramers, een pas gepromoveerde, praktisch scheikundige van katholieke huize, werkte Aarts diens basisvinding, een nieuwe manier voor de bereiding van watergas, uit tot een werkend systeem. Watergas maakte in die periode furore, ook in de Nederlandse gaswereld, als een snel beschikbare, relatief goedkope aanvulling op het aanbod van de bestaande steenkoolgasfabrieken, met name in piekperiodes. Aarts probeerde aanvankelijk zelfstandig gemeenten te interesseren voor de oprichting van een proeffabriek, maar het wantrouwen was te groot. De proeffabriek, begin 1901 verrezen op het eigen bedrijfsterrein, leidde tot belangrijke proces- en installatietechnische verbeteringen. Met medewerking van onder meer een aantal vooraanstaande Amsterdamse commissionairs kwam begin 1902 de NV 'het Watergas Syndicaat systeem Dr. J. Kramers en Aarts' tot stand, met Aarts als directeur. Men had grootse plannen en verwachtingen, getuige onder meer het maatschappelijk kapitaal van nominaal 1 miljoen gulden.

Eind 1902 werd de gemeentelijke gasfabriek te Zevenbergen overgenomen om daarbij een uitgebreidere proeffabriek te installeren. In 1904 volgden een uitgebreide proefinstallatie op een eigen terrein te Breda en een installatie voor de gemeentelijke gasfabriek te Venlo. Uiteindelijk verkreeg de NV de levering van een grote installatie voor de Westergasfabriek te Amsterdam. Ook in het buitenland was er belangstelling en werden enkele installaties gerealiseerd. Inmiddels was Aarts naar de achtergrond verdwenen. De zetel van de vennootschap was al gauw naar Amsterdam verplaatst en Aarts wordt daarna niet meer als directeur vermeld. In de in 1906 apart opgerichte N.V. ter exploitatie van de octrooien speelde hij geen rol meer. In 1910 werden beide ondernemingen geliquideerd.

Aarts moet als grootste aandeelhouder, evenals een aantal verwanten en kennissen, een behoorlijk geldelijk verlies hebben geleden. Maar financieel was Aarts vrijwel onafhankelijk. Zijn moeder liet hem en zijn broer in 1902 ieder 100.000 gulden na. Aarts gaf zijn aandeel in de looierij op en ging zich geheel aan onderzoek en uitvindingen wijden. Hij liet naar eigen ontwerp een grootse villa in Dongen oprichten (genaamd Lagendonck), voorzien van kantoren voor ingenieurs, een royale conferentieruimte en een soort laboratorium annex werkplaats. Hier vestigde hij zijn Privé Instituut voor (chemische en mechanische) Technologie. Aarts was de enige echte vaste kracht. Daarnaast beschikte hij, in ieder geval vanaf circa 1915, over een soort privé-secretaris die voornamelijk de uitgebreide buitenlandse correspondentie verzorgde. Verder was er een chauffeur annex butler en tuinman en was er in de werkplaatsen geregeld een tien- tot vijftiental arbeiders uit de regio werkzaam. Aarts onderhield contacten met talrijke onderzoekers en industriëlen in binnen- en buitenland. Zijn voornaam voorkomen, flair, kapitaal en familierelaties hielpen hem daarbij.

Niet gehinderd door formele scholing of beperkt door externe financiële prikkels volgde Aarts minder geijkte onderzoekswegen. Zijn hoofdthema bleef de warmte-economie. Op basis van zijn theoretische inzichten wist hij hier ook praktische resultaten te bereiken, vastgelegd in een behoorlijk aantal octrooien in binnen- en buitenland. Een belangrijke toepassing betrof de ertsverwerking en ijzer- en staalbereiding. Zijn meest spraakmakende vindingen op dit gebied waren een systeem om rechtstreeks ijzer en staal te produceren uit erts (het zogenoemde ferro-carbonid), en een manier om waardevolle metalen te scheiden uit ertsen. Hierbij had Aarts hulp van zijn zoon Christ, die in 1916 te Delft afgestudeerd was als technoloog.

De Nederlandse overheid had grote belangstelling voor deze vindingen, die Nederland meer onafhankelijkheid zouden geven op het gebied van grondstoffen. Begin mei 1918 kreeg de Tweede Kamer als wetsontwerp een twee maanden eerder gesloten principeovereenkomst tussen Aarts en de regering voorgelegd. Het voorstel was gebaseerd op gunstige rapporten van de geraadpleegde deskundigen en mede op de mondelinge en schriftelijke inlichtingen van Aarts. Het Rijk zou maximaal 600.000 gulden ter beschikking stellen voor de stichting van een proeffabriek. Bij een gunstige uitkomst zou de Staat in de op te richten naamloze vennootschap participeren. Een soortgelijke overeenkomst had Aarts enige maanden eerder met het zinkbedrijf te Budel gesloten.

Er was kritiek van diverse zijden. De openbare behandeling van het wetsvoorstel bleef uit. Uiteindelijk is het in 1924 ingetrokken. Met Aarts werd een regeling getroffen. Zijn declaratie ter hoogte van 100.000 gulden werd afgemaakt op een vergoeding van ƒ 15.600. Ook in dit geval trok Aarts internationaal de aandacht. Maar of deze belangstelling ook tot daadwerkelijke toepassing van zijn procédés of delen daarvan in het buitenland heeft geleid, is zeer de vraag.

In het verlengde van zijn ideeën omtrent warmte-economie ontwikkelde Aarts in de jaren twintig een eigen methode om vaste energiedragers, vooral kolen, om te zetten in vloeibare substanties, waaronder brandstof. Mede onder invloed van de Eerste Wereldoorlog werd in westerse landen naarstig gezocht naar dergelijke vervangende procédés. Daarbij werden fossiele brandstoffen als kolen en turf onder grote druk getransformeerd. Het is twijfelachtig of het systeem van Aarts, 'carbonalpha' genaamd naar het belangrijkste eindproduct, veel verder dan de laboratoriumschaal is gekomen. In lezing en geschrift wordt gewag gemaakt van proeffabrieken in Nederland en België. Ook is er sprake van The General Carbonalpha Company te Wilmington (VS). Maar nadere gegevens over deze ondernemingen ontbreken. Een breed scala aan eindproducten was volgens de theorie mogelijk: van zwartsel of actieve kool tot motorbrandstof. Na de dood van Aarts zijn lange tijd in Dongen nog (lege) schoensmeerblikjes in omloop geweest, als meest concrete resultaat van Aarts' activiteiten op dit gebied.

In ieder geval beschikte hij over diverse buitenlandse octrooien en was er in Brussel een Belgische NV opgericht om deze te exploiteren. Directielid was de rechtse katholieke economist Emile Verviers, woonachtig te Oisterwijk, die Aarts met geld, daad en raad terzijde stond. In een geschrift van Verviers wordt het carbonalpha-procédé bijzonder positief belicht. Uiteindelijk zou Aarts met hem hebben gebroken. In de jaren twintig werkte Aarts ook nog aan nieuwe looiprocédés, zijn oude vakgebied. Maar het Rijksproefstation ten bate der Lederindustrie te Waalwijk kon er geen positieve elementen in ontdekken. Ten slotte was hij ook actief in het openbaar en kerkelijk leven te Dongen. Zo was hij jarenlang raadslid en een van de stichters van de Sint-Laurentiuskerk.

Aarts bewandelde duidelijk niet de gebaande paden van de meer academische en traditionele wetenschap. Hij is, naar verluidt, niet rijk geworden van zijn uitvindersdrift. Herhaaldelijk werden zijn ondernemingen bedreigd door faillissementen. De verdere praktische verwezenlijking van zijn ideeën liet hij graag aan anderen over. Aarts was dan al inmiddels weer aangestoken door nieuwe denkbeelden die soms de vorm van visioenen aannamen. Maar hij was zeker geen charlatan. Zijn invloed was niet gering; hij beschikte over vele en belangrijke relaties. De uitgebreide doolhof die hij voor achter zijn huis ontwierp is wellicht symbolisch voor zijn rusteloos en soms vruchteloos zoeken.


Bronnen
• Regionaal Historisch Centrum Tilburg: Gemeentebestuur Dongen, Bevolkingsregister, Hinderwetvergunningen, Gemeenteverslagen en Notulen van de Gemeenteraad.
• J. Dervilly, 'L'Usine de M. Ant. Aarts à Dongen (Hollande)', in: L'Encyclopédie Contemporaine, 9 (1895), no. 227, 10 fevr., p. 29
• Dr. Emile Verviers, Economisch aspect der vloeibare brandstoffen, Oisterwijk 1927
• Het Gas,
19 (1899) - 50 (1930)
• De Nederlandsche Naamloze Vennootschappen,
18 (1899) t/m 39 (1920)
• Jacobus G. Aarts, New Aspects of Coal Economy, Proceedings of the Second International Conference on Bituminous Coal, Pittsburgh 1928, Vol. I, p. 586-607
• De Kampioen,
jrg. 1899
• Chemisch Weekblad,
1(1903) - 27(1930)
• Bijlagen Handelingen der Staten-Generaal,
1917-1918, nr. 412


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 6
(Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Giel van Hooff

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon