Hendrik Agylaeus (1532-1595)

protestants advocaat

Hendrik Agylaeus werd omstreeks 1532 in 's-Hertogenbosch geboren als zoon van Anthonis Loenisz en Jenneken van Amstel. Zijn moeder stierf al rond 1540, waarna zijn vader met een zekere Yda hertrouwde. In 1563 trouwde Hendrik met Geertruid van Vlierden, een dochter van Goyart van Vlierden Daniëlszoon, burgemeester van de stad, en Judith Mools. Hendrik Agylaeus overleed in 1595.

Hendriks vader, sinds 1524 poorter van 's-Hertogenbosch, was slager van beroep. Hij bezat een woonhuis in een van de straten achter de Tolbrug. Zijn zoon werd naar dit ouderlijk huis ook wel Hendrik in den Hoorn genoemd. Later gaf Hendrik zelf de voorkeur aan de achternaam Agylaeus, waarschijnlijk een eigenhandige verbastering van het Griekse woord voor 'bos', zodat hij ook als Hendrik de Bosschenaar bekend zou komen te staan.

Uit zijn klassiek geïnspireerde achternaam valt op te maken dat Hendrik Agylaeus goed geschoold was. In augustus 1547 had zijn vader hem dan ook als veertienjarige knaap aan de Leuvense universiteit ingeschreven, waar hij lessen volgde in de artes en in de rechten. Gezegend met een helder verstand doorliep de jonge Hendrik in korte tijd de colleges. Na een paar jaar had hij het tot 'doctoir ende licentiaet' in de rechten geschopt. Als advocaat mr. Hendrik Agylaeus keerde hij in 1558 terug naar zijn geboortestad.

Ballingschap
Lang zou zijn verblijf daar echter niet duren, want op grond van enkele vrijzinnige uitlatingen over de bijbel en de eucharistie, door hem verkondigd in een dispuut op straat, hield men Agylaeus al snel voor een ketter. Hij werd zelfs voor de Raad van Brabant in Brussel gedaagd, maar gezien de grote kans op een doodvonnis nam hij de vlucht. Eind 1558 veroordeelde het Hof hem bij verstek tot eeuwigdurende ballingschap en werden zijn bezittingen verbeurdverklaard.

Als rondtrekkend geleerde zwierf Hendrik Agylaeus een aantal jaren door Duitsland, Frankrijk en ook Zwitserland, waar een hechte vriendschap met de hervormer Zwingli ontstond en waar hij mogelijk ook als toehoorder de preken van Calvijn bijwoonde. In 1560 was hij verbonden aan de pas opgerichte universiteit van Basel. Verschillende rechtskundige werken verschenen in deze tijd van zij hand. In 1561 vertoefde Agylaeus in Engeland om koningin Elisabeth zijn nieuwste studie aan te bieden. Dit zwervend bestaan beviel hem blijkbaar echter niet, want in 1562 schreef hij een verzoekschrift aan landvoogdes Margaretha van Parma waarin hij smeekte om weer in zijn vaderstad te mogen wonen. Aangezien hij in deze brief spijt had betuigd van zijn ketterse woorden schold de Raad van Brabant de hem opgelegde straffen kwijt. Wel moest Agylaeus de kosten van het tegen hem gevoerde strafproces betalen en bij de kerkelijke inquisiteur zijn godslaster officieel herroepen. Hierop vestigde hij zich als advocaat in 's-Hertogenbosch en in het najaar van 1563 trouwde hij met Geertruid van Vlierden, een dochter van Goyart van Vlierden Daniëlszoon, burgemeester van de stad. Door dit huwelijk werd Agylaeus een man met een tamelijk groot vermogen. Van zijn vader erfde hij bovendien het huis 'De Hoorn'.

Beeldenstorm
Maar Hendriks bloed kroop waar het eigenlijk niet gaan kon en al spoedig had hij zich in het geheim aangesloten bij de hervormde gemeente in 's-Hertogenbosch. Toen deze vanaf 1565 meer openlijk en in 1566 tijdens de beeldenstorm zelfs zeer nadrukkelijk van zich deed spreken, bleek mr. Agylaeus een van de vooraanstaande leden van het Bossche consistorie te zijn. Hoewel hij zelf niet actief aan de troebelen van augustus 1566 deelnam, moeten hij en de andere consistorieleden wel gezien worden als het brein achter de gebeurtenissen. Het is bekend dat Agylaeus in deze dagen een paar felle theologische stukken schreef, die door de predikanten van de nieuwe religie in hun preken werden verwerkt. Bij de tweede beeldenstorm in oktober 1566 trad Hendrik Agylaeus echter meer op de voorgrond. Zo beloofde hij zes stuivers per dag aan een ieder die deel zou nemen aan de bestorming en vernietiging van de kloosters in 's-Hertogenbosch. Toen in februari 1567 Karel van Brimeu, stadhouder van Gelre en graaf van Megen, in opdracht van de landvoogdes de stad wilde innemen, behoorde Agylaeus tot degenen die hun burgermanskleren voor een wapenrok verwisselden. In maart was de advocaat zelfs hopman over een vendel soldaten. Op 9 april 1567 zorgde Agylaeus bij de stadsregering voor een edict 'tot voerdeele van den geuzen'. Dit kon echter niet voorkomen dat bijna alle protestanten vluchtten en ook Hendrik Agylaeus verliet voor de derde keer in zijn leven voor een lange tijd zijn geboortestad. Op 24 maart 1568 werd hij ten tweede male officieel uit Brabant verbannen; zijn goederen werden opnieuw geconfisqueerd.

In naam van de landvoogdes nam de hertog van Kleef Agylaeus in september 1567 gevangen, doch hij leverde hem niet uit en tegen het eind van het jaar was Hendrik weer op vrije voeten. Na jarenlange omzwervingen kwam hij terecht in Middelburg, waar hij op grond van zijn geleerde status van augustus 1574 tot september 1575 het ambt van stadpensionaris vervulde. In 1576 bevond hij zich in Zaltbommel en hier had hij een belangrijk aandeel in de voorbereidingen van de Bommelse aanval op 's-Hertogenbosch in oktober van dat jaar. Hoewel het plan mislukte, geeft dit toch aan dat Hendrik zich kennelijk niet van zijn vaderstad kon losmaken. Gebruikmakend van de gunstige bepalingen van de Pacificatie van Gent (1576) en het Eeuwig Edict (1577) keerde hij dan ook samen met vele andere ballingen in het najaar van 1577 terug naar 's-Hertogenbosch.

Binnen korte tijd stond Agylaeus hier weer aan het hoofd van de hervormde gemeente, die zich al spoedig weerbaarder opstelde door de oprichting van een eigen schermersgilde. Als inspirator van deze 'Schermschoel', door tegenstanders ook wel smalend 'De Schelmschoel' genaamd, kon Agylaeus dit vrijcorps ertoe over halen om op 11 september 1578 de Vughterpoort open te zetten voor de staatsgezinde legers van Willem van Oranje. Door verzet van de katholieke schutterijen mislukte dit plan echter en bij de daaropvolgende schermutselingen vielen vele gewonden en enkele doden. De spanning tussen de katholieke en protestantse burgers nam hierdoor weer in omvang en intensiteit toe en op 1 juli 1579 stak het Bossche consistorie onder aanvoering van mr. Hendrik Agylaeus de lont in het kruitvat stak. Het consistorie wist namelijk van de stadsregering gedaan te krijgen dat 's-Hertogenbosch de Unie van Utrecht aannam, waarop de secretaris 's middags vanaf de pui van het stadhuis de gehele tekst van het verdrag voorlas. Hevig verontwaardigd loste een lid van een van de katholieke schutterijen een schot in de richting van het voltallig aanwezige protestantse schermersgilde, waarna er een bloedig straatgevecht ontstond. Een paar uur later waren er veertig man gesneuveld en maar liefst 120 gewond geraakt. Twee dagen na dit zogeheten 'Schermersoproer' verklaarde de stadsregering de afkondiging van de Unie van Utrecht voor onwettig, omdat deze onder dwang was aangenomen. Toen ook nog duidelijk werd dat het leger van Parma de stad naderde, ontvluchtten de hervormden de stad. Voor de vierde keer in zijn leven trok ook Hendrik Agylaeus weg uit zijn vaderstad, dit keer echter om nooit meer terug te keren.

Nadat hij in 1579 te Leiden nog een boekje had uitgegeven ter rechtvaardiging van de recente gebeurtenissen in 's-Hertogenbosch, vestigde Agylaeus zich in 1580 in Utrecht. Nog een tiental jaren was hij politiek actief, onder meer als procureur-generaal van het Hof van Utrecht. Omstreeks april 1595 overleed Agylaeus op 62-jarige leeftijd. Hij liet zes kinderen na. Zijn zonen Daniël en Johan gaven in 1620 nog twee boeken van hun vader uit.

Mr. Hendrik Agylaeus was een man die met zijn levensopvatting en geloofsovertuiging tegen de stroom roeide. Als streng calvinist en overtuigd staatsgezinde had hij zo graag zijn geboortestad in de richting gestuurd die de noordelijke gewesten haden gekozen. Ondanks zijn mislukkingen en de ongunst van het lot is hij zijn hele leven hiervoor blijven strijden, ook al kon hij daardoor niet in zijn geliefde stad zijn levensdagen slijten.


Bronnen

• H. van Alfen, 'Het historisch oordeel omtrent Henricus Agylaeus in de jaren 1556-1567 in het geding', Taxandria 38 (1931) 20-44
• W. Meindersma, 'Een Bosschenaar uit de zestiende eeuw: Mr. Henricus Agylaeus', Taxandria 17 (1910) 235-246, 258-269 en 308-329
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek 1, Leiden 1911, 47
• L.P.L. Pirenne, 's-Hertogenbosch tussen Atrecht en Utrecht. Staatkundige geschiedenis 1576-1579, Tongerlo 1959
• J.A.G.C. Trosée, 'Henricus Agylaeus en de Bossche beeldstormerijen', Taxandria 37 (1930) 137-152, 161-177, 193-209 en 225-247.


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1996).


Auteur: P.J.G.M. Timmermans

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon