Sophia Alberts (1683-1707)

bekeerlinge

Sophia Alberts werd tussen 1682 en 1684 geboren als dochter van Theodorus Alberts en Maria Vogelsangh. Ze trouwde in 1705 te Antwerpen met Robert Tirry en overleed in 1707 in het Franse Thouars.

Eind 1686 vestigden Theodorus Alberts en zijn vrouw Maria zich met hun dochtertje en een ongetrouwde zus van Maria, Magdalena Vogelsangh, in Helmond. Theodorus was notaris en procureur. Onbekend is waar het gezin Alberts voordien gewoond had, al werden kort voor 1686 door Alberts enkele akten verleden in Asten. In Helmond kreeg het echtpaar nog drie kinderen, twee jongens en een meisje, die echter vrij snel na hun geboorte stierven, zodat Sophia als enig kind overbleef. Theodorus, Maria en Magdalena waren lidmaat van de gereformeerde gemeente in Helmond en daarbij, zoals predikant Nathanaël Walraven later getuigde, trouwe kerkgangers.

Toch ging het niet goed met het gezin. Het notariaat kwam niet echt van de grond, zodat Maria een manufacturenhandel ging drijven. Ook deze was geen succes. Boze tongen in Helmond beweerden dat dit kwam omdat 'de notaris en sijne huysvrouwe haer soodanigh hebben vergeten in de morgendranken, dat er voor haer kinder geen brood in huis was'. Bovendien ontpopte Sophia zich als een eigengereid en lastig kind. De buren verklaarden later dat er in huize Alberts vaak ruzies en vechtpartijen waren met 'blauwe ogen' als resultaat. Veel van die ruzies draaiden om Sophia.

Als puber was Sophia veel en graag verliefd en vaak had zij meerdere vrijers tegelijk. Later zou een Helmondse dame zelfs zeggen dat iedereen wist dat zij 'een hoertje' was. In het najaar van 1700 liep het echter fout. Zeer tegen de zin van haar ouders raakte zij verliefd op een jonge officier, Johan van Benetru, wiens vader van 1698 tot 1699 drossaard van Helmond was geweest. Benetru stond in Helmond bekend als een losbol en was bovendien katholiek. De emoties in huize Alberts liepen hoog op, vooral toen Sophia liet weten dat zij katholiek wilde worden en met de jonge officier wilde gaan trouwen. Haar ouders besloten, kennelijk ten einde raad, hun dochter naar een 'verbeterhuis' te sturen, althans dat maakte Sophia uit hun gesprekken op.

Zover zou het niet komen. In de nacht van 1 op 2 november 1700 verliet Sophia heimelijk het ouderlijk huis, ging eerst naar haar vriendin en dook drie dagen later op in Venray, aan de andere kant van de Peel op veilig Spaans-Gelders grondgebied. Daar bleef ze, zoals ze zelf zei, wachten op Benetru om met hem verder te trekken. Deze liet haar echter vallen en hoewel hij in Helmond opschepte dat hij elk moment naar haar toe kon rijden, deed hij dit niet. Kort daarna werd zijn regiment overgeplaatst. Desondanks bleef Sophia bij haar voornemen om katholiek te worden. Zij wilde liever op de Markt verbrand worden, dan terugkeren naar haar ouders en weer protestants worden, vertelde ze de pastoor van Venray.

De vlucht van Sophia bracht niet alleen heel Helmond in beroering, maar leidde ook tot een hooglopend en nagenoeg onoplosbaar conflict tussen de Staten-Generaal en de katholieke gemeenschap in Helmond, dat tot in de hoogste regionen werd uitgevochten. Theodorus en Maria lieten niets onbeproefd om hun enige dochter weer terug te krijgen. Een eerste poging bij het gerecht van Venray leverde niets op, ook niet na interventies van de Helmondse drossaard, Albert Briëlius, en de stadhouder van de Bossche hoogschout, Simon Lintworm. Een brief van de heer van Helmond, Albert-Jozef van Arberg, aan de Venrayse pastoor had evenmin succes. Daarom legde Alberts met steun van de Helmondse predikant zijn zaak tenslotte voor aan de Staten-Generaal in 's-Gravenhage. Deze begrepen uit het verhaal van Alberts dat het meisje met geweld was ontvoerd en naar Venray gebracht en namen dan ook krasse maatregelen: de drossaard van Helmond kreeg het bevel alle in Helmond aanwezige priesters gevangen te nemen, de kerkhuizen van de katholieken te sluiten en dit zo te houden totdat het meisje aan de ouders was teruggegeven. Sophia was inmiddels echter uit Venray vertrokken naar Antwerpen.

In Helmond werd pastoor Augustinus Kennis inderdaad in gijzeling genomen en op het stadhuis in 'een royale camer vooraan de straat beneden' ondergebracht. Ook slaagden twee protestantse schepenen erin Sophia op te sporen en in Brussel, ten huize van de Nederlandse gezant, met haar te spreken. Bij die gelegenheid vertelde het meisje nooit met de Helmondse geestelijkheid over haar voornemen contact te hebben gehad, maar alles op eigen initiatief te hebben gedaan. Aan een gesprek met haar ouders had zij geen behoefte en naar huis terugkeren wilde ze helemaal niet.

Intussen had pastoor Kennis, waarschijnlijk met medeweten van de lokale autoriteiten, weten te ontsnappen. Onmiddellijk reisde hij naar het zuiden omdat het 'deplorabel' was, zoals hij de drossaard liet weten, 'dat een gantsche gemeynte soo moet lijden om de onbeleeftheyt ende indiscretie van soo een snotneusken' en wendde zich tot de bisschop van Antwerpen, Reginald Cools, die tenslotte gedaan kreeg dat Sophia haar moeder alsnog wilde ontmoeten. Op 28 november 1701 had deze ontmoeting plaats, wederom ten huize van de Nederlandse gezant in Brussel. Moeder Alberts was tot tranen toe gemotioneerd, maar Sophia bleef koel en afhoudend, 'met so weynigh bewegingh als een stenen beeldt had mogen hebben'. Het gesprek liep op niets uit. Met haar vader, die ook was meegekomen, weigerde zij te praten. Pas na lang aandringen was ze bereid hem in het voorbijgaan kort te begroeten.

Hierna escaleerden de gebeurtenissen tot grote hoogten. De hoogschout kreeg van de Staten-Generaal opdracht om bij wijze van represaillemaatregel enkele roomse priesters gevangen te zetten, onder wie de opvolger van Kennis in Helmond, die met de hele affaire niets van doen had gehad, en twee dominicaner paters. De hoogste kerkelijke gezagsdrager in de Meierij, de apostolisch vicaris Petrus Govarts, kreeg te horen dat hij zijn ambt niet meer mocht uitoefenen, hoewel hij zich steeds op het standpunt had gesteld dat Sophia Alberts verplicht was terug te keren naar 's-Hertogenbosch. Het gezin Alberts voelde zich niet veilig meer in Helmond en nam de wijk naar 's-Hertogenbosch. Ook dominee Walraven vluchtte in 1702.

Intussen trouwde Sophia in 1705, waarschijnlijk te Antwerpen, met een zekere Robert Tirry, over wie verder niets bekend is. Op 20 augustus van dat jaar verlieten zij in elk geval de Scheldestad en reisden naar Frankrijk, waarmee Nederland, samen met enkele andere landen, sinds 1702 officieel in oorlog was. Eind 1707 overleed Sophia in de stad Thouars in het Franse departement Les Deux Sèvres. Hoewel dit al in 1708 in Helmond bekend werd, duurde het nog tot 1710, toen de vrede met Frankrijk werd getekend, voordat het overlijden officieel kon worden bevestigd. Pas toen werden de maatregelen van de Staten-Generaal ingetrokken en was de affaire Sophia Alberts verleden tijd.


Bronnen

• J.J.M. Heeren, De bekeering van Sophia Alberts en de gevolgen daarvan voor de katholieken in de Meierij, Helmond 1930
• J.J.M. Heeren, 'De Kerkeraad van Helmond in de zaak van Sophia Alberts', in: Bossche Bijdragen, 9 (1929), 267-301
• H.N. Ouwerling, Sophia Alberts. Eene bladzijde uit de Kerkgeschiedenis der Meijerij van 's-Hertogenbosch, Helmond 1900
• A. Sassen, De protocollen der Helmondsche Notarissen, 's-Hertogenbosch 1890, 23-26 en 42-45


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: H. Roosenboom

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon