Frans van Amelsvoort (1899-1975)

musicus

Jacobus Franciscus Cornelis van Amelsvoort werd op 9 december 1899 in 's-Hertogenbosch geboren als zoon van Vincentius Franciscus van Amelsvoort, verzekeringsagent, en Adriana Cornelia van Haren. Op 5 augustus 1930 huwde hij Francisca Johanna Hanssen (1904-1978). In dit huwelijk groeide één zoon op. Frans van Amelsvoort overleed te 's-Hertogenbosch op 25 augustus 1975.

Frans van Amelsvoort wilde eigenlijk geschiedenis gaan studeren, maar zijn vader stuurde hem naar de plaatselijke bisschoppelijke kweekschool voor onderwijzers. Als kwekeling richtte hij een 'Koor van R.-K. Onderwijzers en Onderwijzeressen' op. Hieruit groeide het 'Bosch' Gemengd Koor', dat snel faam kreeg met moderne Franse muziek. Met een radio-uitzending van Honeggers Le roi David sloot hij zijn medewerking in 1932 af. Hij behaalde toen namelijk het diploma van spraakleraar en begon een praktijk, de eerste in Zuid-Nederland, met lessen aan huis en op vele seminaries.

In 1924 had hij de dirigeerstok bij het 'Zaltbommels Mannenkoor' en het dameskoor 'Excelsior' opgenomen. Bij hem rijpte het stoutmoedige plan om in de majestueuze St.-Maartenskerk Bachs Matthäus Passion te geven. Met de eerste uitvoering van dit werk beneden de grote rivieren ontstond in 1936 een traditie die hij tot 1956 voortzette. In 's-Hertogenbosch werd in 1939 het 'Brabants Kamerkoor' opgericht, waarmee hij onbekend repertoire exploreerde. Het concert voor piano en koor van Geza Frid riep hevige discussies op. Een programma met werken van Oscar van Hemel leidde diens nationale doorbraak in.

Na het overlijden in 1940 van dirigent Peter Kallenbach werd Van Amelsvoort gevraagd hem op te volgen bij het ''s-Hertogenbosch' Mannenkoor' en in de kathedrale basisiliek van Sint-Jan. In deze kerk fungeerde een klein traditioneel mannenkoor. Van Amelsvoort vormde opleidingsklassen en met honderd jongens en een ploeg jonge mannen ging hij aan de slag. De zondagse hoogmissen werden muzikaal een belevenis. Jan Mul, Albert de Klerk klonken er met nieuw werk, Willem Andriessen hoorde er -na dertig jaar- voor het eerst zijn Mis in es, en veertig Nederlandse en Vlaamse componisten schreven op verzoek een Maria-lied voor de meimaand. Ook oudere muziek kreeg aandacht, onder andere Sweelincks juichende Hodie Christus natus est en een in het archief van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap herontdekte mis van Adriaen Willaert.

Toen de Duitse bezetter in 1942 de Kultuurkamer instelde, weigerde Van Amelsvoort lid te worden en kon hij dus, buiten de liturgie, niet meer dirigeren. Wegens zijn principiële houding -hij herbergde ook onderduikers: Albert van Dalsum en zonen van Hendrik Andriessen- werd hij na de bevrijding aangezocht als lid van het Tribunaal voor de Bijzondere Rechtspleging. Hij zag de noodzaak van die taak in, maar legde ze neer toen zijns inziens de rechtsongelijkheid tussen grote en kleine collaborateurs te groot werd. Om het naoorlogse culturele leven in de stad op gang te brengen richtte hij met gelijkgestemden de 'Kunstkring 1944' op, zonder degenen die tijdens de bezetting een leidende rol gespeeld hadden. Omdat hiertoe een plaatselijke muziekcriticus behoorde, kreeg Van Amelsvoort jarenlang onwelwillende recensies in de lokale pers.

In Eindhoven dirigeerde hij van 1945 tot 1947 het 'Philips Philharmonisch Koor'. Rector Van den Donk van het St.-Joriscollege en het St.-Catharinalyceum in die stad benoemde hem tot muziekleraar. Hierdoor kon hij het onderwijzerschap eindelijk vaarwel zeggen. Met het schoolkoor ging hij concerten met orkest geven, een noviteit. Naast klassieken als Purcell en Vivaldi werden ook eigentijdse componisten uitgevoerd, Britten, Tippet, Strategier. Twintig jaar lang heeft hij zo duizenden leerlingen enthousiast gemaakt voor de muziek.

In 's-Hertogenbosch ijverde hij voor de oprichting van het Brabants Orkest, zette hij ''s-Hertogenbosch Muziekstad 1953' mee op, en was hij jarenlang jurylid in het Internationale Vocalistenconcours. Bij het 'Koninklijk Mannenkoor' -eerder ''s-Hertogenbosch' Mannenkoor'- lag het traditionele repertoire hem minder. Dus volgden er opdrachten. Zo componeerde Strategier zijn joyeuze Don Ramiro. Succesvolle opera-uitvoeringen in concertvorm -waarvoor speciaal een vrouwenkoor werd opgericht- culmineerden in een triomfale Boris Godounov van Moussorgski, waarmee hij, wegens overbelasting, in 1954 afscheid nam. Met het 'Brabants Kamerkoor' gaf hij originele programma's, zoals De humor bij Bach, en ook jaarlijks diens Weihnachtsoratorium. De herontdekte Haydn-opera Orfeo ed Euridice bracht hij in 1953, direct na de premiere in Florence.

In en buiten de Sint-Jan steeg de reputatie van zijn Schola Cantorum. Hij werd genodigd de liturgie ermee op te luisteren in Brussel, Amsterdam en Keulen. Tragisch was de wijze waarop er in 1954 een einde kwam aan de inspirerende verbintenis tussen dit koor en zijn dirigent, na de benoeming tot rector cantus van een jonge, ambitieuze kapelaan. Deze kreeg veel conflicten met het koor en eiste op grond van het kerkelijk wetboek de algehele leiding over de Schola op. Het kerkbestuur volgde dit legalistische argument en beperkte in 1954 de bevoegdheden van Van Amelsvoort. Deze accepteerde dat niet en werd ontslagen. De kapelaan werd overgeplaatst. Enige jaren later ontlokte deze geschiedenis Gerard Brom nog de verontwaardigde opmerking : 'Het gaf (...) een schok in de muziekwereld, toen een buitengewone leek in een van onze kathedralen opeens door een gewone priester verdrongen werd.'

Van Amelsvoort benutte daarna nieuwe mogelijkheden: hij deed muziek-historisch onderzoek in bibliotheken in Wenen, Bologna, Einsiedeln. Door hem uitgewerkte en uitgegeven muziek kon hij vaak ook zelf uitvoeren, zoals opera's van Cimarosa en Joh. Christian Bach, maar bovenal hèt successtuk Laudate pueri van Pergolesi. Om meer jeugd voor de muziek te winnen, richtte hij in 1957 het ''s-Hertogenbosch' Jongerenkoor' op. Hij reisde veel door het land als adviseur van jeugdkoren, jureerde jaarlijks bij het AVRO-concours. In de nationale 'Raad voor de Kunst' behartigde hij veler muzikale belangen. Als logopaedist schreef hij in 1955 het standaardwerk Stem en spraak, reviseerde hij mede tien drukken van het klassieke oefenboek Spreken en zingen en doceerde hij iedere zaterdag aan de Rijkskweekschool in Utrecht en de logopaedistenopleiding in de St.-Maartenskliniek in Nijmegen.

Uiteindelijk moest hij in 1960 plotseling, na een concert van zijn geliefd schoolkoor in Eindhoven, de dirigeerstok neerleggen wegens een geheugenstoornis. Hij werkte nog enkele jaren door aan zijn musicologische arbeid. Toen verstilde zijn geest.

Met zijn levenslange speurtocht naar onbekende werken vernieuwde hij het Brabantse muziekleven. Zijn lijfspreuk was: 'Je moet altijd doen wat een ander niet doet.' Door zijn eigen enthousiasme - introspectie en reflectie kwamen bij hem minder aan bod - kon hij ook anderen enthousiast maken en hij kreeg van zijn koorleden alles gedaan. Hij zocht nooit zichzelf, de muziek was het enige dat telde.


Bronnen

• G. Brom, Het ene nodige, Amsterdam 1960
• W. Paap, 'Frans van Amelsvoort', Mens en melodie 9, (1954), 352-354
• W. Paap, 'In memoriam Frans van Amelsvoort', Mens en melodie 30, (1975), 312-314
• H. Zomerdijk, Het Brabants Kamerkoor 1939-1989, 's-Hertogenbosch 1989


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: V. van Amelsvoort

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon