Maria van Antwerpen (1719-1781)

de heldinne van Breda

Maria van Antwerpen werd op 17 januari 1719 katholiek gedoopt te Breda als het zevende kind en de tweede dochter van Jan van Antwerpen en Johanna de Swart. Haar vader was brandewijnstoker en bezat enkele huizen en grond, maar door financiële tegenspoed eindigde hij zijn leven als havenarbeider. Maria van Antwerpen overleed in 1781 in haar geboortestad.

Toen Maria acht jaar was, werd ze uitbesteed bij een tante. Vier jaar later stierven kort na elkaar haar vader en moeder. Vanaf haar jongste jaren werkte Maria bij verschillende gezinnen als dienstmeid, mogelijk onderbroken door een kortstondig huwelijk, want in 1743 trouwde een Maria van Antwerpen te Beesd. Drie jaar later had ze in elk geval weer een betrekking als dienstmeid te Wageningen. Daar werd ze midden in de winter ontslagen. Omdat ze nergens ander werk vond, nam ze het radikale besluit zich te verkleden als man en dienst te nemen als soldaat. Dit was niet zo uitzonderlijk als het op het eerste gezicht lijkt. Er waren in de zeventiende en achttiende eeuw zoveel vrouwen die tot travestie besloten, dat er van een traditie gesproken kan worden. Alleen al in Nederland zijn er ruim 120 gedocumenteerde gevallen bekend. Maria verklaarde later ook door eerdere voorbeelden geïnspireerd te zijn geweest.

Nu zij als man door het leven ging, had Maria zich een nieuwe identiteit aangemeten: 'Jan van Ant', geboren te Arnhem, zestien jaar oud. 'Jan' nam zonder probleem dienst als soldaat. Op 21 augustus 1748 trouwde 'Jan' te Coevorden met Johanna Cramers, een sergeantsdochter, voor wie ze haar ware sekse verborgen wist te houden. Na enkele omzwervingen werd 'Jans' regiment in Breda gelegerd. Daar werd ze herkend door de dochter van een gezin waar ze ooit als dienstmeid had gewerkt. Ze werd gearresteerd en door de krijgsraad veroordeeld tot verbanning uit Brabant en Limburg en uit alle garnizoenssteden; haar huwelijk werd ongeldig verklaard.

Na haar verbanning ging Maria, weer gekleed als vrouw, wonen in Gouda. Ze kwam aan de kost met naaiwerk, en woonde enige tijd te Rotterdam. In 1761 leerde ze in Gouda Cornelia Swartsenberg kennen. Deze vrouw was zwanger, kende Maria's voorgeschiedenis en haalde haar over weer als man te gaan leven en met haar in het huwelijk te treden. Maria nam nogmaals een mannelijke identiteit aan, deze keer als 'Machiel van Handtwerpen'. Het huwelijk vond plaats op 9 augustus 1762 te Zwolle. 'Machiel' nam opnieuw dienst als soldaat, eerst in het Staatse leger, later in het garnizoen van Amsterdam. Het kind van Cornelia werd dood geboren, maar er volgde een nieuwe zwangerschap; kennelijk bleef zij contact met mannen houden. Op 15 november 1764 werd in de rooms-katholieke kerk De Posthoorn te Amsterdam het kind van Cornelia en 'Machiel' gedoopt, dat echter maar zes weken oud zou worden.

Na een conflict nam 'Machiel' ontslag uit de dienst. Het echtpaar ging wonen in een steegje in de Jordaan, waar Maria aan de kost kwam met het genezen van 'kwaad zeer'. Daarmee werden huidziekten aangeduid, die naar het volksgeloof wilde door gelukbrengende 'zevende zonen' - en zo beschouwde Maria zich - genezen konden worden. Ook verkocht ze oranjelint, dat gebruikt werd bij feestelijkheden rond het Oranjehuis. Maria was Oranjegezind, wat misschien samenhangt met haar Bredase achtergrond: Breda was van oudsher een Oranjegezinde stad.

In 1769 kwam ook aan deze tweede travestieperiode een eind. 'Machiel' werd tijdens een uitstapje in Gouda herkend door een kennis. Ze werd gearresteerd en de overheid liet haar medisch onderzoeken. De schepenbank van de stad veroordeelde haar tot verbanning. Daarna verliezen we Maria uit het oog. Uiteindelijk keerde ze terug naar haar geboortestad Breda, waar ze in 1781 van de armen werd begraven.

Het buitengewone leven van Maria is, zeker voor een vrouw uit het gewone volk, uitzonderlijk goed gedocumenteerd. Ten eerste laat haar leven zich traceren aan de hand van archiefmateriaal, zoals haar twee, of mogelijk drie, huwelijken, die in trouwboeken geregistreerd staan. In 1751 verscheen bovendien het boek 'De Bredasche heldinne', haar autobiografie tot aan haar eerste ontdekking, opgetekend door Franciscus Lievens Kersteman. Kersteman was een mislukte student, die dienst had genomen in het Staatse leger. Hij zat in hetzelfde regiment als Maria en bovendien was hij een tijdlang haar medegevangene, omdat hij was gearresteerd wegens oplichting. Later zou Kersteman zich ontwikkelen tot een schrijver van romans, biografieën en juridische handboeken. Verder zijn de zes uitvoerige verhoren bewaard die de Goudse schepenbank haar na haar tweede arrestatie afnam. Hierin vertelt ze weer veel over haar jeugd en eerste travestie-periode, en over haar leven tot 1769. Haar mededelingen tijdens het verhoor, die letterlijk werden genoteerd, bevestigen in grote lijnen wat we lezen in haar autobiografie. Tenslotte is er ook een nieuwslied over Maria geschreven: Een vermaekelyk liedeken van een manhaftig vrouwpersoon die de Staeten van Holland vijf jaer en zes maenden gediend heeft als grenadier binne Breda. Dit was in deze tijd een gebruikelijke wijze om nieuws te verspreiden.

Maria van Antwerpens leven werpt licht op het verschijnsel van de vrouwelijke travestie in de tijd van de Republiek. Ze spreekt over haar motieven, met name de economische noodzaak om werk te zoeken, waarbij soldaat worden een laatste redmiddel was. Ze ontkent sexuele relaties met haar beide echtgenotes te hebben gehad, maar ze zegt ook dat ze ervan overtuigd was dat ze eigenlijk een man was. 'Ik ben in de natuur een manspersoon, maar uiterlijk een vrouwspersoon', zei ze tijdens haar verhoor. Dat wijst op wat tegenwoordig wordt aangeduid als transseksualiteit. Daarnaast geeft het leven van Maria van Antwerpen ons een bijzonder gedetailleerd beeld van het leven van een vrouw uit het gewone volk. We leren haar goed kennen, zowel haar opvliegend karakter, als haar gevoel voor humor. Door haar autobiografie te vergelijken met wat zij tijdens haar verhoren vertelde, kunnen we tenslotte meer te weten komen over de verhouding tussen literatuur en samenleving in de achttiende eeuw.


Bronnen

• R.M. Dekker e.a. (red.), F. Kersteman, De Bredasche Heldinne, Hilversum 1988
• R. Dekker en L. van de Pol, Vrouwen in mannenkleren. De geschiedenis van een tegendraadse traditie. Europa 1500-1800, Amsterdam 1989


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Rudolf Dekker en Lotte van de Pol

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon