Antoine Arts (1845-1926)

zouaaf en krantenman

Antoine Henricus Arnoldus Arts werd op 20 april 1845 in Arnhem geboren. Hij was de zoon van Chrétien Antoine Arts en Bernardine Coman en huwde met Cornelia Susanna Aleida Reh. Antoine Arts overleed op 31 maart 1926 in Tilburg.

Na een korte loopbaan bij een bank nam Antoine Arts in 1867 als vrijwilliger dienst in het Zouavenleger van paus Pius IX, dat in de strijd om de eenheid van Italië de pauselijke staat moest verdedigen. Daar maakte hij snel carrière van soldaat naar luitenant en werd zo een van de acht uit Nederland afkomstige officieren uit het pauselijk leger. Arts werd onder meer belast met de werving van Zouaven in Frankrijk, België en Nederland. Na de val van Rome in 1870 keerde hij terug naar Nederland. Voor zijn militair optreden werd hij onderscheiden met het zilveren kruis van Mentana en benoemd tot ridder in de militaire orde van Sint Gregorius. Ook ontving Arts de gouden medaille Bene Merenti.

Terug in Nederland bleef zijn band met de Zouaven behouden. In 1877 werd hij hoofdredacteur van De Kruisvaan, het weekblad van de Zouavenbond Sint Bonifacius. Doel van de Zouavenbond was het herstel van de wereldlijke macht van de paus. Daarnaast zette men zich af tegen alles wat zweemde naar revolutie en liberalisme. De Kruisvaan werd gedrukt door N. Luijten in Tilburg, die tevens de drukker was van de Tilburgsche Courant. In 1878 vestigde Arts zich in Tilburg waar hij een eigen drukkerij begon. Het drukken en uitgeven van De Kruisvaan nam hij over in eigen beheer. Eind 1882 werd deze uitgave gestaakt.

De ervaring die Arts opdeed met De Kruisvaan gebruikte hij voor een eigen krant. In 1879 richtte hij de Nieuwe Tilburgsche Courant op. De N.T.C. kwam oorspronkelijk eenmaal per week uit, op woensdag, in een beperkte oplage van 1000 exemplaren. Vanwege het kleine formaat werd het blad in Tilburg aangeduid met de naam ''t kraentje'. Later kwam er een zaterdageditie bij. De verschijning van de krant werd hem niet in dank afgenomen. Te duidelijk was het blad een concurrent voor de bestaande Tilburgsche Courant. Vanuit de Tilburgse geestelijkheid werd zelfs een beroep gedaan op Arts' eergevoel als zouaaf om af te zien van deze oneerlijke concurrentie. Een appel dat hij zonder schroom van de hand wees.

In de krant maakte Arts zijn politieke stellingname duidelijk. Hij schaarde zich '(...) bij degenen, die dachten dat de toekomst der maatschappij moest liggen op het terrein der democratie en dat de toekomst der Kerk het best werd bevorderd door de christelijke democratie.'

Antoine Arts had een open oog voor de sociale toestanden van zijn tijd. Zeker na het verschijnen van de encycliek Rerum Novarum in 1891 nam zijn aandacht voor de 'sociale quaestie' toe. In zijn artikelen wees hij telkens weer op de noodzaak van katholieke arbeidersorganisaties. Ariëns en Schaepman hadden zijn sympathie en hij plaatste stukken van hen in zijn krant. In het eerste Tilburgse arbeidsconflict in 1896 zag Arts een bewijs voor zijn gelijk. Dit conflict, een staking van één dag bij de drukkerij van Luijten, was voor Arts een waarschuwing dat er met kracht moest worden gewerkt aan de arbeidersverenigingen. Immers, de arbeiders hadden het recht zich te verenigen en alleen door katholieke organisaties kon verhinderd worden dat zij in handen vielen van de socialisten. Deze sociale stellingname bracht Arts regelmatig in conflict met de gezeten burgerij van Tilburg. Het leverde hem echter wel de steun op van de arbeiders en andere bevolkingsgroepen uit de stad en omgeving.

Het succes van de N.T.C. bracht Arts ertoe in 1898 met een tweede krant te beginnen. Dat werd Het Tilburgsch Dagblad voor het Volksbelang, dat viermaal per week verscheen. Arts richtte zich met deze krant op de volksklassen en hield daarom de prijs zo laag mogelijk: 1 cent per nummer. Net als in de N.T.C. maakte Arts zich sterk voor vrijheid van godsdienst, voor arbeidsverzekeringen, voor een wettelijke regeling van werktijden en voor een verbod op vrouwen- en kinderarbeid.

Het feit dat de twee kranten van Arts naast elkaar konden bestaan, toonde aan dat er behoefte was aan een dagelijks verschijnende krant. In 1901 werden zij dan ook samengevoegd tot de Nieuwe Tilburgsche Courant. Arts' zoon Antoon werd hoofdredacteur van deze krant, waaraan ook zijn zonen Harrie en Leo verbonden waren. De krant zou zich profileren als een rooms-katholiek dagblad dat op zoek was naar nieuwe katholieke waarden en bij arbeidsconflicten de kant van de katholieke arbeider koos. Arts senior bleef directeur van de firma, maar daarmee hield zijn bemoeienis met de krant op. Het politieke bedrijf trok inmiddels zijn volle aandacht. Zijn belangstelling en ijver voor de rooms-katholieke pers bleef echter bestaan. In 1902 werd Arts de eerste voorzitter van de in 1902 opgerichte 'R.K. Journalistenvereeniging'.

De politieke loopbaan van Arts begon daadwerkelijk in 1896, toen hij werd gekozen in de Tilburgse gemeenteraad. Die verkiezing verliep niet zonder problemen. Op grond van zijn dienst in het pauselijk leger bleek Arts het Nederlanderschap te hebben verloren. Om die reden werd hij van de kiezerslijst geschrapt. Na langdurig touwtrekken herkreeg hij de Nederlandse nationaliteit.

De plaatselijke politiek was voor Arts niet voldoende. Hij stelde zich namelijk kandidaat voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer namens de kieskring Tilburg. Daarbij moest hij de strijd aangaan met de kandidaat van de gevestigde belangen, de Tilburgse burgemeester J.F. Jansen. In felle polemieken in de N.T.C. viel Arts zijn concurrent aan. Polemieken die, hoe kan het anders, beantwoord werden in de Tilburgsche Courant. Zijn eerste poging in 1898 mislukte, maar in 1901 slaagde hij er in tot lid van de Tweede Kamer te worden gekozen. Ook dit maal moest hij de strijd aangaan met de officiële kandidaat van de 'R.K. Kiesvereeniging "Eendracht maakt macht"'. Zijn succes was te danken aan de steun van de kiezers uit de dorpen. Die steun was bij volgende verkiezingen opnieuw nodig, toen de Tilburgse 'gevestigde belangen', de textielfabrikanten en de geestelijkheid, hun krachten mobiliseerden om hun kandidaten naar voren te schuiven.

Van 1901 tot 1922 was Arts lid van de Tweede Kamer voor de Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP). In zijn maiden speech berispte hij de minister van Oorlog over de achteloze wijze waarop het departement van Koloniën omsprong met de berichtgeving aan de familie over gesneuvelde of gewonde 'mindere' militairen in de koloniën.

Door zijn tijdgenoten werd het leven van Arts gekarakteriseerd als een leven van strijd. De Telegraaf typeerde hem zo: '(...) Met het woord en de pen was hij een strijder voor de katholieke zaak, maar hij was voorstander van een sociale politiek, waardoor hij dikwijls met andere zijner geloofsgenooten in conflict kwam.'


Bronnen

• Antoon Arts, Van blad tot boek, Tilburg 1937, 3-6 en 98-99
• Flaneur, Antoine Arts, Korte levensschets, Tilburg 1901
De Katholieke Encyclopaedie, 3, Amsterdam 1933, 117
N.T.C., 1 april 1926
• W.J. Pouwelse en F.J.M. van Puijenbroek, 'Kranten in Tilburg', in: De Lindeboom, III-IV (1979-1980), 155-180 en 260


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: J.P.A. Petermeijer

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon