Cornelis Johannes Gerardus Becht (1910-1982)

burgemeester van Tilburg

Cornelis Johannes Gerardus Becht werd op 20 januari 1910 te Bergen op Zoom geboren als zoon van Jacobus Cornelis Becht, gemeenteambtenaar, en Wilhelmina Johanna van Hooff. Op 27 februari 1935 trad hij in het huwelijk met Anna Cornelia van Eekelen, geboren op 27 juli 1909 te Bergen op Zoom. Het huwelijk bleef kinderloos. Cees Becht overleed op 31 maart 1982 te Tilburg.

Na de lagere school ging Becht naar de HBS in zijn geboorteplaats. In 1928 haalde hij het eindexamen HBS-B. Aansluitend werkte hij korte tijd bij de N.V. Bechtszonen in Bergen op Zoom, een familiezaak van zijn ooms. Het openbaar bestuur trok hem echter meer. En omdat in die tijd voor een jong ambtenaar in Nederlands-Indië de meeste toekomst lag, meldde Becht zich aan voor de vergelijkende examens voor kandidaat Indisch bestuursambtenaar. In 1929 begon hij de studie Indologie te Utrecht, die hij in 1933 afsloot met het economisch doctoraal examen. Ten gevolge van de crisis volgde daarop niet de gebruikelijke uitzending naar Indië, maar werd Becht op wachtgeld gesteld. Hiervan maakte hij gebruik door in 1934 ook het doctoraal examen Indisch recht te behalen. Uiteindelijk kon hij in maart 1935 samen met zijn echtgenote naar Indië vertrekken.

In Indië was Becht eerst aspirant-controleur binnenlands bestuur in Jogjakarta. In 1937 volgde bevordering tot zelfstandig controleur in Goenoeng Kidoel. Dit was een zeer veelzijdige functie, die zowel rapportage inhield over de noden van de plaatselijke bevolking en het indienen van voorstellen tot verbetering als het toezicht op de inheemse besturen, ordehandhaving en lagere rechtspraak. In 1941 werd Becht controleur 1ste klasse in Wates, een veel groter district in de buurt van Jogjakarta.

Na de capitulatie van het Nederlands-Indische leger in maart 1942 bleef Becht net als zijn meeste collega's nog bijna anderhalve maand in functie. Op 22 april werd hij geïnterneerd. Hij overleefde de verschrikkingen in verschillende kampen en gevangenissen in de daarop volgende 3 1/2 jaar. Na zijn bevrijding in september 1945 stelde hij zich meteen beschikbaar voor vrijwilligerswerk ten behoeve van het Rode Kruis. Hiervoor werkend werd hij in oktober 1945 opnieuw geïnterneerd, nu door Indonesische nationalisten. Wederom bevrijd in november 1945 hervatte Becht begin februari 1946 zijn werk als ambtenaar binnenlands bestuur. Hij werd belast met het herstel van het Nederlands bestuur over Soerabaja, dat daar in het najaar van 1945 verloren was gegaan, en met de organisatie van de distributie aldaar. Terwijl zijn echtgenote van medio 1946 tot begin 1947 met verlof naar Nederland ging, bleef Becht in Soerabaja werken. De inspanningen van hem en zijn medewerkers leidden ertoe, dat in oktober 1948 verkiezingen gehouden konden worden voor de stadsgemeenteraad van Soerabaja. Deze werd op 5 november als eerste op Java genstalleerd. Twee dagen eerder was Becht met terugwerkende kracht tot 27 augustus 1948 tot fungerend burgemeester van de stad benoemd. Dit was een combinatie van de functie burgemeester naar Indisch recht - met minder bevoegdheden dan een Nederlandse burgemeester - en zijn functie als ambtenaar binnenlands bestuur. Omdat Becht inmiddels al meer dan dertien jaar, veel langer dan de gebruikelijke tijd, onafgebroken in Indië werkzaam was geweest, legde hij op 1 maart 1949 zijn functie neer en vertrok met periodiek verlof naar Nederland. Kort daarna kreeg Indonesië zijn onafhankelijkheid, zodat een terugkeer als ambtenaar onmogelijk was.

In mei 1950 werd Becht benoemd tot burgemeester van Vaals, in augustus 1951 tot burgemeester van Kerkrade. Hier werkte hij met veel succes aan een bestuurlijke reorganisatie en aan verbetering van de infrastructuur en het algemene aanzien van de stad die door een onstuimige groei ten gevolge van de mijnbouw uit haar voegen was gerukt. Tijdens zijn ambtsperiode in Kerkrade adviseerde Becht in Beirout op verzoek van de Ford Foundation regering van Libanon inzake de hervormingen van het lokale bestuur van dat land. Op 20 juli 1957 volgde de benoeming tot burgemeester van Tilburg met ingang van 16 augustus van dat jaar.

De problemen die Becht in Tilburg wachtten, leken op die van Kerkrade. De toen achtste stad van Nederland met circa 150.000 inwoners was in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw stormachtig gegroeid. De eerste systematische stedebouwkundige aanpak begon pas in 1917. Het toen opgestelde plan was sindsdien gedeeltelijk verwezenlijkt. Ook leed de stad al sinds het einde van de negentiende eeuw onder de tweedeling van de bebouwde kom door een drukbereden spoorlijn met vaak en lange tijd gesloten overwegen. Verder kenmerkte Tilburg zich door een slechte bereikbaarheid van het vrij zwakke centrum voor het gemotoriseerde verkeer en door een zeer eenzijdige, op de textiel gerichte industrialisatie. Deze had de stad jarenlang welvaart gebracht en was ook de oorzaak van haar sterke groei geweest. Inmiddels was zij over haar hoogtepunt heen.

Hoewel verschillende plannen voor stadsverbetering al voor de installatie van Becht als burgemeester waren ontworpen en men al gedeeltelijk met de uitvoering was begonnen, is het zijn verdienste geweest, dat deze plannen met vaste hand werden uitgevoerd. Dat hij zich hierbij omringd wist door deskundige medewerkers spreekt voor zich. Met hen maakte hij het bekendste plan, het in 1959 gepresenteerde 'Achtjarenplan' of '72-miljoen-plan', dat voorzag in goede wegen naar het centrum, een aanzienlijke stadsuitbreiding aan de westzijde van de stad en het ontwikkelen van Tilburg tot een regionaal centrum met een belangrijke onderwijs- en dienstverleningsfunctie. Voor dit laatste werd contact met de buurgemeenten gezocht. Dit resulteerde in 1958 in de oprichting van de Streekraad Midden-Brabant. Deze zou later via het Stadsgewest Tilburg uitgroeien tot het huidige Samenwerkingsverband Midden-Brabant. Hiermee wist Becht de angst van de omliggende gemeenten voor een sterk Tilburg te verminderen. 'Stadsgewestvorming is de beste waarborg tegen annexatie', was Bechts stelregel in een tijd dat veel grote steden er naar streefden hun grondgebied uit te breiden. In zijn tijd als burgemeester is dan ook nooit sprake geweest van annexatie van (delen van) buurgemeenten door Tilburg.

Achteraf gezien kleefden er fouten aan het '72 miljoen-plan'. Becht was net als zijn medebestuurders een kind van zijn tijd. De auto gold als hèt vervoermiddel waarvoor veel moest wijken, terwijl de negentiende-eeuwse architectuur weinig gewaardeerd werd. In het kader van het plan werden dan ook midden in het centrum grootschalige doorbraken gemaakt en vierbaanswegen aangelegd. Verder bouwde men een schouwburg, een centrumgemeente waardig, en een nieuw stadhuis. Hierdoor kon eindelijk het gemeentebestuur in één gebouw gehuisvest worden in plaats van in veel verspreid liggende panden. Dat daarvoor enkele historisch redelijk waardevolle panden als het oude, vroeg negentiende-eeuwse stadhuis moesten verdwijnen, kan men betreuren. Dat geldt minder voor de krottenwijk De Koningswei, die plaats moest maken voor een aanzienlijk winkelcentrum. De tragiek is, dat de ideeën van Becht en zijn medewerkers niet volledig, ook niet in een naar latere inzichten aangepaste vorm, zijn uitgevoerd. Het winkelcentrum met een paar grote warenhuizen kon door gebrek aan belangstelling van investeerders niet gerealiseerd worden, terwijl het ontsluitingsplan voor de binnenstad onvoltooid bleef. Daardoor kwam Tilburg met een onaf stadscentrum te zitten, dat vrijwel geen aantrekkingskracht bezat, en met een vrij zwakke middenstand. Daarentegen slaagde de westelijke stadsuitbreiding goed, evenals die welke later ten noorden van het Wilhelminakanaal werd gerealiseerd. Ook de ontwikkeling tot diensten- en onderwijscentrum kwam zodanig van de grond, dat toen de textielindustrie in de jaren zeventig geheel in elkaar stortte, de werkloosheid niet dramatisch werd. Dit laatste was ook het gevolg van het tijdig aantrekken van andere industrieën. Dit kwam maar langzaam op gang, maar was uiteindelijk wel succesvol.

Hoewel een deel van de Tilburgse bevolking minder enthousiast was over wat in de periode Becht tot stand is gebracht - zijn bijnaam 'Kees de Sloper' spreekt voor zichzelf - kreeg hij bij zijn afscheid als burgemeester op 30 januari 1975 veel waardering. Terecht verleende de gemeenteraad hem bij die gelegenheid het ereburgerschap van Tilburg en de gouden legpenning van de stad. Ook na zijn pensionering bleef Becht nog een aantal jaren actief, onder meer als voorzitter van verschillende door het Rijk ingestelde adviescommissies, onder meer betreffende de versterking van de rivierdijken. Aanvankelijk bleef hij nog in Tilburg wonen maar in 1978 verhuisde hij naar Beers bij Grave. Na een slopende ziekte overleed Cees Becht op 31 maart 1982 in het Tilburgse Sint-Elisabethziekenhuis.


Bronnen
• Archief van de gemeentesecretarie Tilburg 1938-1985
• Curriculum vitae C.J.G. Becht (1953)
• J.E.L. Costongs en P.W. Tops (red.), Tilburg na 1945, Tilburg 1986
• P. Claessens, 'Bestuurder van graniet', in: Het Nieuwsblad, 2 april 1982
• P. Romme, 'Burgemeester Becht, geen sloper, maar bouwer en democraat van formaat', in: Tilburg Magazine, 4, 1, maart 1983


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: J.H.S.M. Veen

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon