Corneille Hipolithe Berail (1795-1891)

boomkweker en zijdeteler

Corneille Hipolithe Berail werd op 30 juni 1795 geboren in Montpellier als zoon van de wijnkoopman Louis Berail en de Tilburgse notarisdochter Maria Anna Sophia Bles. Hij trouwde op 6 januari 1819 met Henriette Struuck van der Steege, dochter van legerofficier Philibert Lyphart van der Steege en Geertruida Gijsbertha gravin van Randwijck uit Groningen. Uit dit huwelijk werden twaalf kinderen geboren. Hipolithe overleed in Sint-Michielsgestel op 6 februari 1891.

Corneille Hipolithe Berail groeide op in Montpellier, het centrum van de Franse zijdecultuur. Over zijn jeugd schreef hij: 'ofschoon van een Nederlandsche vrouw echter in het zuiden van Frankrijk geboren en aldaar voor het grootste gedeelte opgevoed, heb ik aan deze opvoeding en mijne alsnog bestaande relatien mijn verkregen kennis in den handel, het fabriekswezen en den landbouw van die streek te danken'.

Zijn huwelijk met Henriette Struuck van der Steege maakte hem tot een vermogend man. Dankzij de bruidsschat van zijn Henriette kon het jonge paar het buitengoed 'de kleine Ruwenberg' te Sint-Michielsgestel, bestaande uit een huis, brouwerij, boerderij en landerijen kopen. Ook kochten zij tien percelen grond onder Boxtel en Liempde en een huis met enkele landerijen tussen Udenhout en Tilburg.

Na zijn verhuizing naar Sint-Michielsgestel startte hij direct met de exploitatie van zijn bierbrouwerij, annex azijnstokerij. Daarnaast bouwde hij de boerderij om tot een modern bedrijf. Helaas bracht de bierbrouwerij te weinig op waardoor hij gedwongen werd deze activiteit te beëindigen. Succesvoller was hij in het kweken en verkopen van diverse uitheemse boomsoorten. Hij slaagde erin de uit Noord-Amerika afkomstige Vederesdoorn (Acer Negundo) op zijn kwekerij tot wasdom te brengen. Hipolithe beschouwde de verspreiding van deze boom over geheel Nederland als zijn verdienste.

Na dit succes legde Berail zich toe op zijn passie voor de zijdeteelt. Vanaf 1827 concentreerde hij zich met niet aflatende inspanning op zijn plan de zijdeteelt in Noord-Brabant tot ontwikkeling te brengen. Daartoe liet hij dertig stammetjes van de witte moerbezieboom (Mora Alba) per diligence aanvoeren vanuit zijn geboorteland. In 1829 slaagde hij erin de eerste ruwe zijde te winnen.

De investeringen in de ontwikkeling van de zijdeteelt waren echter zo hoog geweest dat Berail erdoor in financiële moeilijkheden raakte. Hij was gedwongen enkele van zijn bezittingen te verkopen, maar voornamelijk door de opbrengsten van zijn boomkwekerij - en dan met name van zijn succesvolle Acer Negundo - kon hij het hoofd boven water houden. Op 10 januari 1829 deed hij een verzoek aan koning Willem I om een lening. Het gevraagde bedrag van ƒ 25.000,- werd hem kort daarna ter beschikking gesteld. Zijn schuldeisers kregen hier echter lucht van en eisten hun deel op. Op 1 juni van hetzelfde jaar wendde hij zich persoonlijk tot de koning toen deze het gouvernementspaleis in 's-Hertogenbosch bezocht. Dit keer vroeg hij een lening van ƒ 16.000,-. Ook deze werd hem verleend, maar dat betekende wel dat hij nu een schuld had van in totaal ƒ 41.000 tegen een rente van 5% per jaar. Hij had zich dus behoorlijk in de schulden gestoken.

Tijdens de audiëntie overhandigde hij ook een plan voor een 'Model-Etablissement' voor de zijdeteelt. Het kwam erop neer dat het rijk de zijdekwekerij van Berail zou overnemen om het als proefstation te gebruiken ter stimulering van de zijdeteelt. Dit plan werd afgewezen omdat er al zo'n rijks-proefstation bestond in Ath in de provincie Henegouwen. Toen België zich kort daarna van Nederland afscheidde, kreeg Berail weer hoop dat zijn kwekerij door het rijk zou worden overgenomen. In 1834 benoemde Willem I een commissie van onderzoek die gedurende vijf maanden het productieproces op de kwekerij van Berail volgde. Het leverde een uitermate positief advies op, maar de minister van justitie en de administrateur van het departement van de Nationale Nijverheid namen dit niet over en daarom besloot te koning af te zien van verdere steunverlening.

Inmiddels was de schuld van Berail opgelopen tot meer dan ƒ 51.000,-. Op 7 december 1837 werden na een langdurig proces al zijn onroerende goederen verkocht. De meeste daarvan gingen over in de handen van jhr. mr. Van Beresteijn te Vught.

Toch slaagde Berail er in de zijdeteelt voort te zetten. Er was namelijk een commissie tot instandhouding en uitbreiding der zijdeteelt in Noord-Brabant opgericht. De commissie wist geldschieters te interesseren en op 12 juli 1838 vond de eerste vergadering plaats van de aandeelhouders van de nieuwe Maatschappij tot invoering der zijdeteelt in Noord-Brabant. De koning en het departement van Nationale Nijverheid schreven in voor 25 aandelen van ƒ 100. Berail werd benoemd tot directeur, tegelijkertijd was hij onbezoldigd secretaris van het bestuur en administrateur. Plannen werden uitgewerkt, de voortgang werd in de pers gepubliceerd en belangstellenden werden uitgenodigd het 'Etablissement voor de Zijdeteelt' te bezichtigen. Dit etablissement was gevestigd op het buitengoed de Kleine Ruwenberg. Hier zou volgens Berail alles bijeen worden bijeengebracht: van de productie van de zijde tot de verkoop en alles wat ermee samenhing.

Maar op 4 februari 1842 deed zich een ramp voor. Het Etablissement werd door brand verwoest en de verzekering vergoedde de geleden schade niet. Er was namelijk in 1838 ook al geld uitgekeerd voor een brand en in de kleine lettertjes van de polis stond dat de bestaande polis daarmee kwam te vervallen ook al was er nog voor zeven jaar premie vooruit betaald.

De wederopbouw van het huis en de noodzakelijke uitbreiding gingen gepaard met fraude door de aannemer en de opzichter. Berail gaf dit door aan het bestuur van de Maatschappij, maar hij kreeg geen gehoor. Hij kreeg slechts te horen dat hij moest bezuinigen.

Toch liet Berail zich niet ontmoedigen. Het ging goed op de Kleine Ruwenberg. De moerbeibomen, waarvan de bladeren tot voedsel van de zijderupsen zouden gaan dienen, stonden in bloei. Berail werkte zeer nauwgezet en er was niets dan lof over de manier waarop hij zijn taak als secretaris van het bestuur vervulde. Ondanks het vele werk zag hij ook nog kans om in het land propaganda te maken voor de zijdeteelt.

Nadat de Kleine Ruwenberg in 1843 eindelijk was herbouwd, begon hij aan de verbouwing van de voormalige bierbrouwerij. Daar zouden de zijdewormen geteeld gaan worden op de bladeren van de moerbeibomen. Daarvoor was het een absolute voorwaarde dat het klimaat in het gebouw goed beheerst kon worden. Maar het bestuur gaf opdracht direct te beginnen met het kweken van de zijderupsen. Berail had erop aangedrongen te wachten totdat de nodige verwarmingstoestellen waren aangebracht, maar zijn advies werd in de wind geslagen. Het resultaat was dat er zoveel zijderupsen stierven, dat de hele onderneming moest worden stopgezet.

Berail kreeg de schuld van het fiasco. Het bestuur ontsloeg hem en gebood hem om de Kleine Ruwenberg te verlaten. Berail ging hiermee niet accoord en werd op 20 januari 1844 gedagvaard om op 23 januari voor de president van de arrondissementsrechtbank te verschijnen. De zaak werd afgewezen en doorgezonden naar de rechtbank voor een gewone behandeling. Maar nog voordat de rechter een oordeel geveld had, draaide de algemene vergadering van aandeelhouders op 16 juli 1844 het besluit van het bestuur terug. Hij bleef directeur, mocht op de Kleine Ruwenberg blijven wonen en kreeg zelfs een gratificatie van ƒ 500,- over het jaar 1843. Een van de aandeelhouders, E. de Markas, kreeg de opdracht om de verhouding tussen directeur en bestuur te normaliseren. Het resultaat was dat het bestuur aftrad en er een nieuw bestuur werd benoemd.

De maatschappij bleek echter niet meer te redden. De verliezen liepen te hoog op en in 1847 werd besloten tot liquidatie van de onderneming. Berail nam de schuldenlast van de maatschappij over en werd voor ƒ 9.000,- opnieuw eigenaar van de Kleine Ruwenberg. De zaak was in der minne geschikt, maar toch bleef Berail verbitterd achter. In 1861 schreef hij een artikel in de Landbouwcourant 'dat na alles wat ik voor de invoering van de zijdeteelt gedaan en geleden heb, ik mijn hart er geheel van afgetrokken heb zoo zelfs, dat het mij walgt er iets van te hooren'.

Toch was zijn werk niet tevergeefs geweest. Hij had aangetoond dat het mogelijk was om op de Brabantse zandgrond met de juiste bomen en met de juiste middelen zijde geteeld kon worden. Het is hem niet gelukt om deze teelt op fabrieksmatige wijze tot bloei te brengen, maar dat lag niet aan hem. Het bestuur van de maatschappij was niet bereid voldoende te investeren. Berail had gewaarschuwd dat de moerbeibomen pas na vijf jaar productief zouden worden en dat er veel meer aangeplant moesten worden om tot een rendabele exploitatie te komen. Maar daar had het bestuur geen geld voor over.

Zeventien jaar na het einde van de maatschappij van Berail, kwam de zijdeteelt in Noord-Brabant weer in beeld. In de Provinciale Noordbrabantsche en 's Hertogenbossche courant verschenen artikelen waarin werd gepleit voor het kweken van witte moerbeziebomen in Nederland voor de zijdeteelt. Na de vergeefse poging van Berail, begon men weer van voren af aan.


Bronnen
• Rijksarchief in Noord-Brabant, Archief van het Provinciaal Bestuur, Collectie Aanwinsten, archief van de Classis 's-Hertogenbosch en rechterlijke archieven.
• Stadsarchief 's-Hertogenbosch, Provinciaal Dagblad 15-11-1831, 6-11-1838 en 26-7-1839
• Gemeentearchief Groningen, Rechterlijk archief, notariële akten 1770-1801
• Centraal Bureau voor Genealogie, Collectie De Vries
Landbouw-Courant Wageningen, 29-8-1861 (nr. 35), p. 137-138


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6
(Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Pieter Heessels

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon