Willem Binck (1882-1971)

priester, archeoloog, heemkundige

Willem Johannes Cornelis Binck werd geboren op 10 augustus 1882 in het Westbrabantse Leur, als zoon van de leerlooier Rombout Willem Binck en Anna Catharina Victoria Sauter, dochter uit een Terheijdens doktersgeslacht. Hij overleed op 2 december 1971 te Breda.

Willem Binck groeide in het gezin op als enige jongen tussen acht meisjes, van wie er drie zeer jong stierven. Hij voltooide de lagere school op Instituut St.-Louis te Oudenbosch. Vervolgens zat hij twee jaar op Rolduc (L) vooraleer hij in 1898 naar het klein seminarie Ypelaar van het bisdom Breda ging. Willem Binck doorliep het klein en groot seminarie en werd priester gewijd te Hoeven in 1909. Er volgde een benoeming tot kapelaan in Oostburg in 1910 en tot kapelaan in de Ginnekenstraat te Breda in 1913. Zijn kapelaanstijd in Breda in de jaren 1913-1926 is legendarisch, met name vanwege zijn inzet voor de jeugd. In 1917 richtte hij de katholieke vereniging Sport Staalt Spieren (SSS) op. Tevens stimuleerde hij de voetbalsport in het hele bisdom, terwijl voetballen in die tijd nog een tijdverdrijf was dat laag stond aangeschreven, zeker ook bij de geestelijkheid. Zijn inspanningen leverden hem de bijnaam 'de voetbalkapelaan' op.

In 1926 werd Willem Binck tot pastoor van Terneuzen benoemd en in 1932 volgde zijn benoeming tot pastoor van Alphen in de Baronie van Breda. Binck vertelde zelf altijd dat hij al vanaf 1916 zijn zinnen had gezet op deze pastoorszetel. En nu had hij zijn zin gekregen: pastoor in een oud Brabants dorpje met een eenvoudige, goedaardige en diepgelovige boerenbevolking. Reeds twee dagen na zijn installatie in Alphen, op zondagmiddag na de eerste vergadering met de mannen van de H. Familie, dook hij in de kluis, nam de Memorialen ter hand en werd terstond gegrepen door de geschiedenis en de oudheid. Hij kwam in die memorialen een pest- of heikerkhof tegen, waarvoor de pastoors uit de zeventiende eeuw aan hun opvolgers de nodige piëteit vroegen. Maar nergens was in Alphen meer een pestkerkhof te bekennen. Binck besloot meteen daar werk van te maken. Nog geen twee weken was hij in Alphen of hij had zijn plannen al ontvouwd aan burgemeester Huybregts en zat in het archief van de Abdij van Tongerloo te snuffelen in oude kaarten van Alphen, samen met de archivaris dr A. Erens. Snel wist hij Erens voor zich te winnen en hij liet hem beloven om de Alphense geschiedenis te gaan schrijven. Het zouden zeven kloeke delen in manuscript worden. Het pestkerkhof werd in 1936 uiteindelijk blootgelegd. Het is er nog steeds, in 1987 iets verplaatst om toeristische redenen, en het is vooralsnog het enige bekende pestkerkhof uit de late middeleeuwen. Elk jaar op Allerzielen toog de Alphense schooljeugd erheen onder aanvoering van Binck, om er te horen hoe vuur en verderf de slechterikken niet bespaard bleven.

Binck gaf de boeren en de boerenjongens instructies om goed uit te kijken en op te letten als zij de akkers omploegden. Alle scherven moesten naar de pastorie gebracht worden. Hij motiveerde zijn parochianen en gaf hen les in archeologie. In het Streekmuseum in Alphen, door Bincks toedoen opgericht in 1959, staan nog sigarenkistjes in het depot met het opschrift: 'Romeinsche scherven; nederzetting Romeinsche Villa Hondseind, 150-200 na Chr.' en 'fibula' in Bincks eigen handschrift.

Bincks sterkste kant was dat hij vooraanstaande mannen van cultuur en wetenschap voor zijn zaak wist te winnen. Met hartelijkheid en gemoedelijkheid, met spontaniteit en enthousiasme, met veel ideeën en activiteiten, maar ook met copieuze diners op de pastorie met volop wijn en wild, of met een doosje sigaren dat hij achteloos uit zijn toog toverde. Nooit kwaadwillend, maar altijd voor 'de goede zaak'. Vele archeologen van naam kon hij tot zijn vrienden rekenen, zoals Joan Willems, prof. A. van Giffen, prof. W. Glasbergen en Gerrit Beex. Tegen 1940 zette hij zich in voor de heemgedachte. Als tegenhanger van de Duitse sibbekunde wilde hij het Brabants cultuur- en volkseigene voor de Brabander bewaren. Hij won velen voor zijn zaak. Samen met Ir Willem Juten uit Bergen op Zoom en Jan Vriends uit Bakel stond hij aan de wieg van Brabants Heem. Door de Tweede Wereldoorlog werd die droom wreed verstoord en moesten zij de plannen enige tijd uitstellen. Maar meteen na de oorlog werd de draad weer opgepakt en in november 1947 volgde de officiële oprichting van Brabants Heem. De stichting zou uitgroeien tot een grote koepelorganisatie van heemkundekringen voor Noord-Brabant. Binck droeg in die periode de heemgedachte uit in de hele provincie. Hij gaf overal lezingen, in elk dorpje, om nieuwe heemkundekringen op te doen richten. Overal kwam hij, met zijn persoonlijke 'adjudant', koster Nol Oomen uit Alphen. Pastoor Binck was zelf de eerste voorzitter van Brabants Heem van 1948 tot 1952 en daarna was hij tot aan zijn dood beschermheer.

De oorlog vormde een hoofdstuk apart: Willem Binck had een hartgrondige hekel aan de Duitse bezetter. Hij heeft zich enorm ingespannen voor het verzet en bracht menig onderduiker goed en veilig onder, vaak bij zijn parochianen. Hij heeft er na de oorlog diverse, Nederlandse en Poolse, onderscheidingen voor gekregen, waarop hij trots was.

Willem Binck was een amateur-archeoloog en historicus van het hart meer dan van het hoofd. Hij bestudeerde wel vele boeken en correspondeerde serieus over alles wat oud was, maar liet daarnaast ook zijn fantasie graag meespelen. Hij droomde van een Romeins castellum in Alphen en dus vond hij er een, hij noemde de Alphense kerktoren 'zeker Keldermansch' met niet meer bewijzen dan wat bouwkundige gelijkenissen. Hoe blij was hij met de vondst van het (echte!) Merovingisch grafveld in Alphen in 1950. Hij liet het grondig onderzoeken en wetenschappelijk vastleggen. Binck had ook gevoel voor de waarde van de sage en het volksverhaal. Nog juist op tijd tekende hij ze op uit de mond van zijn oudere parochianen en bewerkte ze voor zijn Omzwervingen in de Alphense Praehistorie uit 1945. Hij had ook gevoel voor schoonheid en kunst. Hij verstrekte menige opdracht aan veelbelovende (jonge) Brabantse kunstenaars, zoals Luc van Hoek, Martien Coppens, Johan Heesters en Bernard van Dam.

Vóór alles was Binck echter priester: de Alphense herder, steun en toeverlaat voor zijn parochianen. Op menselijke en gemoedelijke wijze, tijdens de preek leunend op het altaar. Kinderen mocht hij graag: hij buurtte met ze als Eerste Communicantjes en misdienaars hadden het goed bij hem. Daarentegen verliep zijn omgang met meisjes en vrouwen heel wat moeizamer. Hij kon ook autoritair en dwingend zijn: je moest hem niet tegen hebben! Willem Binck leek wat op een Don Camillo: een zonderlinge, maar gedreven priester!

Hij ging met emeritaat in 1963 en beleefde een gelukkige oude dag in ruste in zijn Alphen, samen met zijn huishoudster Liza Kokx. Binck stierf op 2 december 1971, 89 jaar oud, na een kort ziekbed, in het Laurentiusziekenhuis te Breda. Hij werd begraven in Alphen tussen de gesneuvelde Alphenaren en de Poolse bevrijders van de Tweede Wereldoorlog. Hij had geen betere rustplaats kunnen wensen.

De tekst voor zijn eigen bidprentje had hij zelf geschreven. Het eindigde met de wat bruuske opdracht: '5 Onze Vaders en 5 Weesgegroeten'. Echt d'n Bink, zeggen ze in Alphen.


Bronnen

• W.J.C. Binck, Omzwervingen in de Alphense Praehistorie, 1945
• Br. Christofoor, 'Bij een foto van Pastoor Binck', in: Brabants Heem, 11 (1959), 26-32
• P. Dagobert Gooren, 'In Memoriam Pastoor W.J.C. Binck', in: Brabants Heem, 23 (1971), 118-122


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1994).


Auteur: J.A.M. van Eijck

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon