Leon C. Bouman (1852-1919)

musicus

Leonardus Carolus Bouman werd geboren in 's-Hertogenbosch op 2 december 1852 als zoon van Gijsbert Wilhelmus Bouman en Catharina van der Haagen. Op 20 augustus 1885 trad hij te Rotterdam in het huwelijk met Pauline Dupont. Vijf kinderen zouden uit dit huwelijk worden geboren. Leon C. Bouman overleed op 24 april 1919 te Nijmegen.

'Papa vraagt wie Bouman is. Dat is hier de musicus, die de Zangvereeniging en de Liedertafel en het koor in de Kruiskerk dirigeert. Hij is ook violist en componist'. Aldus berichtte Alphons Diepenbrock - toen nog leraar klassieke talen aan het Bossche Gymnasium - in 1890 aan zijn ouders. De Amsterdamse classicus Diepenbrock, die zich als Neerlands belangrijkste moderne componist zou ontpoppen, had zich na zijn promotie in Den Bosch gevestigd en was aldaar bevriend geraakt met de Brabantse musicus Leon C. Bouman. Met enige regelmaat kwamen de beide heren bijeen om gezamenlijk te musiceren. En het was deze zelfde Bouman, die als een van de eersten in Diepenbrock een voorbode zag van de nieuwe Nederlandse muziek.

Leon Bouman kwam voort uit een waar muzikantengeslacht. Zijn vader, een klarinettist, verwekte in zijn beide huwelijken acht talentvolle zoons. Dit muzikale milieu vormde het decor van de jonge Leon die dan ook al ras een uitzonderlijke begaafdheid voor de toonkunst aan de dag legde: op tienjarige leeftijd reeds bespeelde hij het orgel van de Jozefkerk ter stede. Nadat de muzikale beginselen hem achtereenvolgens door zijn vader en zijn halfbroers Hendrik Petrus en Carolus Leonardus waren bijgebracht, werd hij toevertrouwd aan de didactische kwaliteiten van de Bossche prior Nicolaas Adrianus Janssen. Leon deed vanaf 1867 met enige regelmaat van zich horen door op te treden met zijn jongere broer Anton Johannes, later een internationaal vermaard cellist. Nadat hij het viool-, klavier- en orgelspel machtig was geworden, studeerde Leon C. Bouman aansluitend enige tijd compositie te Utrecht bij de destijds fameuze Richard Hol. Bouman bleek met name een bijzonder knappe contrapunctist: hij wist met veel gevoel de regels van het in elkaar vlechten van de melodielijnen toe te passen.

Als volleerd musicus kreeg de jonge Bouman op 21-jarige leeftijd in zijn geboorteplaats een betrekking aan de pas opgerichte stedelijke muziekschool. Hier was hij vanaf 1874 docent voor de strijkinstrumenten. Negen jaar later was het eveneens Bouman die tekende voor het zangonderwijs aan de meisjes. Uit deze tijd stammen een aantal gelegenheidscomposities voor pedagogische doeleinden. Muzikale hoogvliegers zijn het niet, maar daar lag dan ook niet de prioriteit. Al naar gelang de behoefte componeerde Bouman voor uiteenlopende bezettingen. Zo is er een compositie bekend voor vijftien violen, twee celli en piano. Interessanter zijn evenwel de in druk verschenen jeugdcomposities, voor zover deze nog te achterhalen zijn. Het betreft hier vooral liederen met pianobegeleiding. Daarnaast schreef hij kamermuziek en enkele kleine karakterstukken voor piano, alsook sacrale werken.

De familie Bouman ging langzaam maar zeker een vooraanstaande rol spelen in het Bossche muziekleven en het is dan ook niet helemaal overdreven te stellen dat 's-Hertogenbosch zijn leidende plaats in de Brabantse muziekcultuur met name aan hen heeft te danken. Hele jaargangen musici, dilettant en professioneel, zijn door de Boumans gevormd. Behalve dat Leon de leiding van een toenemend aantal koren voor zijn rekening nam, stichtte hij in 1882 samen met zijn broer Martinus Johannes De Pianoschool der Gebroeders Bouman. De zes jaar jongere Martin zou rond de eeuwwende zelfs enige landelijke faam genieten als componist van opera's als De Tempeliers en vooral Het meilief van Gulpen. Ook vader Bouman nam de laatste jaren van zijn leven nog deel aan de lesactiviteiten in het familiebedrijfje. De pianoschool concurreerde overigens niet met de muziekschool, omdat daar geen klavieronderricht werd gegeven. Leons expertise ten aanzien van het klavier moge blijken uit het boekje De pianoforte. Het ontstaan en de ontwikkeling van stijl en techniek. Het is in 1892 bij Nijhoff in Den Haag verschenen en is een vrije bewerking van een bekend Duitse boekje.

Toch lag zijn hart waarschijnlijk meer bij de koor-directie, getuige de hoeveelheid koren die hij onder zijn hoede had en zijn vele vocale composities, waarvan de Feestmars met Bosch Volkslied, beter bekend door het incipit 'Hoezee, hoezee den Bosschenaar', ook heden ten dage nog enige bekendheid geniet. Het bekende koor Oefening en Uitspanning, een zogenoemde liedertafel, heeft onder Boumans leiding zijn hoogtepunt gekend. Er werden de nodige prijzen op landelijke concoursen gewonnen. Daarnaast werden premières niet geschuwd en het mag juist als een verdienste van de leider gezien worden dat, zo het al geen Nederlandse premières waren, het Brabantse publiek toch snel met recent gecomponeerde werken in aanraking werd gebracht. Voorts functioneerde hij ruim een jaar als dirigent van de Tilburgse Orkestvereniging en was hij ook in de diverse katholieke kerken een gezien musicus. Naast dirigent in de genoemde Kruis- of St.-Catharinakerk was Bouman organist in de St.-Jozefkerk in 's-Hertogenbosch.

Ten tijde van zijn huwelijk oefende Bouman reeds de functie uit die later mede debet aan zijn vertrek uit Brabant zou zijn. In 1877 was hij benoemd tot muziekleraar aan de Bossche Rijks Kweekschool voor Onderwijzers. Deze onderwijsinstelling zou in 1894 gedwongen worden te verhuizen naar Nijmegen, met Bouman in haar kielzog. Al bleef hij dan nog enige tijd dirigent van de liedertafel, langzaam maar zeker verlegde hij zijn aandacht naar Gelderland. Hier zou hij zijn vooraanstaande culturele rol consolideren. Tot zijn dood was hij hier een geliefd musicus en pedagoog. In zijn Nijmeegse tijd heeft hij nauwelijks meer gecomponeerd. De ongeveer zestig bekende composities zijn vrijwel alle in zijn Bossche tijd tot stand gekomen. Wel publiceerde hij nog enkele didactische werken, waarvan Vreemde woorden in de muziek (1900) hem blijvende bekendheid heeft gebracht. Het belang van Bouman ligt niet zozeer in zijn compositorische nalatenschap, als wel in de rol die hij heeft vervuld in het muziekleven van de beide provincies waar hij heeft gewoond. Niet alleen zijn zorg voor voldoende kwalitatieve Nachwuchs voor koren en orkesten, maar daarenboven zijn open oor voor vernieuwende composities als die van Diepenbrock, en -daarmee samenhangend- het bieden van een podium waar deze tot klinken konden worden gebracht, heeft de bloei van het Brabantse muziekleven een doorslaggevende impuls gegeven.


Bronnen

• R.C.G. Bouman, Léon C. Bouman, 1852-1919, Nijmegen 1979 (ongepubliceerde scriptie Katholieke Universiteit Nijmegen)
• H.J. Zomerdijk, Het muziekleven in Noord-Brabant 1850-1914, Tilburg 1982
• J.H. Letzer, Muzikaal Nederland 1850-1910. Bio-bibliografisch woordenboek, Utrecht 1912
Onze Musici 2, Rotterdam 1911
• P. van Anrooij, Leon C. Bouman in: Caecilia en het muziekcollege, 12, 1919
Weekblad voor muziek, diverse afleveringen
• E. Reester (red.), Alphons Diepenbrock. Brieven en Documenten, deel 1, 's-Gravenhage 1962


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Prof. dr. Emile Wennekes

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon