Caspar van Breugel (1752-1833)

ontvanger der belastingen en buitengewoon leenman

Caspar van Breugel was het tweede kind uit het huwelijk van Jan Festus van Breugel, stadsadvocaat in Den Haag, en Eva Maria Burman. Hij werd geboren in Den Haag op 11 maart 1752 en trouwde op 6 mei 1781 met Mary Douglas, dochter van Robert Douglas en Helena de Brauw. Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren. Van Breugel overleed in Haarlem op 30 mei 1833.

Over Van Breugels jeugdjaren zijn slechts enkele relevante zaken bekend. Caspars vader, Jan Festus, die behalve ten behoeve van Den Haag ook werkzaam was geweest voor de weduwe van stadhouder Willem IV, de gouvernante Anna van Hannover, stierf op 4 juli 1763. Eva Maria Burman hertrouwde op 14 juni 1767 met Charles Rey de Carle, die na zijn pensionering als kapitein van het Staatse leger zich onder meer inzette voor ontginningen van heidegrond in Tilburg en omgeving. Rey de Carle bezat daar het landgoed 'De Reyshof'. Verondersteld mag worden dat de opvoeding van Caspar ook door zijn stiefvader beïnvloed is.

Van Breugel bezocht de universiteit van Utrecht en rondde daar op 31 mei 1771 zijn studie af met een promotie tot doctor in de rechten op een proefschrift over lijfstraffen. Wat hij direct daarna is gaan doen, blijft vooralsnog onduidelijk. Op 29 september 1776 werd hij ingeschreven als poorter van 's-Hertogenbosch. Eerst op 19 november van dat jaar volgde zijn naturalisatie tot Brabander. Die tot formaliteit geworden handeling opende de weg tot het bekleden van openbare functies in het toenmalige Generaliteitsland. Zonder twijfel effende ook zijn huwelijk in 1781 met Mary Douglas het pad voor het vervullen van ambten. Zijn schoonvader Robert Douglas, een hoge officier in het Staatse leger, zou in 1787 als fungerend commandeur van 's-Hertogenbosch een doorslaggevende rol spelen in de restauratie van het Oranjegezinde bewind in de stad. Nog in 1781 verkreeg Van Breugel de ambten van secretaris van de hoofdstad van de Meierij en ontvanger der Gemeene Middelen over de kwartieren Oisterwijk en Maasland. Met name de in deze laatste functie opgedane ervaring was de opstap naar zijn voor Brabant meest belangrijke functie. Op 20 december 1790 benoemde de Raad van State Van Breugel op voordracht van mr. Wilt Gerrit Jan baron van Rhemen van Rhemenshuizen, die als raad en rentmeester-generaal ook voorzitter was van de Leen- en Tolkamer, tot buitengewoon leenman van laatstgenoemd bestuurslichaam. De Kamer was sinds 1727 uitgegroeid tot het belangrijkste bestuurlijke verlengstuk van de Raad van State in Brabant en met name in de Meierij.

Aanleiding om Van Breugel in deze functie te plaatsen was een door hem op 22 december 1788 anomiem uitgebracht rapport, de Korte bedenkingen over een nieuw te doene aanschrijving van belastingen in de vier Quartieren van de Meyerye, waarin de lijnen werden uitgetekend waarlangs een onderzoek naar een mogelijke vernieuwing van het belastingstelsel in de Meierij kon plaatsvinden. Zijn plannen sloten nauw aan bij wat de Raad van State, niet alleen voor de Meierij maar ook voor de Republiek, voor ogen stond om de openbare financiën op een nieuwe leest te schoeien. Slechts in de Meierij evenwel is aan die intentie, met name dankzij de nieuw benoemde buitengewoon leenman, een begin van uitvoering gegeven.

Al uit het hiervoor genoemde rapport bleek dat de auteur een verklaard tegenstander was van belastingverhogingen. Voor wat betreft de Meierij zag hij de oplossing voor de neerwaartse trend in de belastingopbrengsten in een herschikking van de lasten over de plaatsen in het gebied. Daarbij zou de hoogte van de te heffen belastingen afhankelijk moeten zijn van de werkelijke economische kracht van een plaats.

Eenmaal benoemd tot buitengewoon leenman heeft Van Breugel met grote voortvarendheid het onderzoek naar de economische situatie van de Meierij ter hand genomen. In dat kader nam hij het initiatief de landerijen op te laten meten waarmee in de Meierij al zeer vroeg een kadaster naar moderne maatstaven ontstond.

De uiteindelijke bedoeling om te komen tot een vernieuwd belastingstelsel, is niet gerealiseerd. De komst van de Franse troepen en de Bataafse Omwenteling verhinderden de uitvoering van de plannen. Wat bleef is een aantal heldere en uiterst boeiende rapporten. Daarin laat Van Breugel het beeld oprijzen van een weliswaar allesbehalve rijke, maar economisch zeker niet vleugellamme regio die over aanzienlijk meer potentieel beschikte dan latere Brabantse voormannen - voor een deel op grond van politieke overwegingen - hebben gesuggereerd. Tevens blijkt evenwel dat de generaliteitsorganen, door vast te houden aan een in vroeger tijd opgezet en derhalve verouderd belastingstelsel, vele dorpen en verschillende steden in de Meierij structureel benadeelden. Slechts een enkele plaats in het gebied plukte de vruchten van dit ondoordachte conservatisme.

De Bataafse Omwenteling kostte Van Breugel, die zich een overtuigd aanhanger van de stadhouder en het oude staatsbestel toonde, zijn publieke functies. In 1794 werd hij ontzet uit de functies van secretaris van de stad 's-Hertogenbosch en buitengewoon leenman van de Leen- en Tolkamer. In 1795 verloor hij zijn laatste ambt, dat van ontvanger der Gemeene Middelen in de kwartieren Oisterwijk en Maasland.

Eerder curieus dan werkelijk van belang is nog zijn poging om in november 1794 op te treden als intermediair tussen raadpensionaris Van de Spiegel enerzijds en generaal Daendels, die in Van Breugels woning in 's-Hertogenbosch was ingekwartierd, anderzijds. Kennelijk had Van Breugel zich tot doel gesteld een vergelijk tussen beide partijen te bewerkstelligen teneinde, zoveel als enigszins mogelijk was, het staatsbestel van de Republiek intact te laten. Maar Van de Spiegel nam de overgebrachte voorstellen - begrijpelijk - weinig serieus. Van Breugel heeft zijn visie op de omwentelingsperiode uiteengezet in twee publikaties. De eerste verscheen anoniem en 'heet van de naald' in 1794 onder de titel Onzijdig verhaal wegens de belegering van 's-Hertogenbosch door de Fransen van 22 september 1794 tot de overgaaf der stad op 12 oktober 1794. Veel omstandiger en onder eigen naam zette hij zijn rol in deze onzekere periode uiteen in de in 1821 verschenen Mémoires sur ce qui s'est passé de remarquable après la capitulation de Bois-le-duc. Met name uit dit werk blijkt hoe het Van Breugel na al die jaren nog pijn deed niet geslaagd te zijn in zijn opzet om de structuren van de Republiek te redden.

Met het verlies van zijn laatste publieke functie was Van Breugels rol in Brabant uitgespeeld. Wel zette hij zich als ambteloos burger nog enkele jaren in voor de belangen van de hervormde gemeenschap in 's-Hertogenbosch. Maar het vrije gewest had de even hardwerkende als eerzuchtige Caspar nog maar weinig te bieden. In het najaar van 1803 vertrok hij naar Den Haag. Daar hield hij zich onder meer bezig met de vertaling van werk van de in Rotterdam wonende Engelse econoom George Crawfurd. In een bij die vertaling gevoegde eigen toelichting onderstreepte Van Breugel dat de staat een door stijgende kosten ontstaan tekort niet door belastingverhogingen maar door het aangaan van leningen dient op te vangen. Op 11 mei 1804 werd hij lid van de Algemene Armencommissie in de provincie Holland. Vanuit deze functie onderhield hij intensief contact met armengenootschappen elders in Europa. Over het hulpgenootschap in Zürich, waarvan hij erelid was, bracht hij enkele publikaties uit onder de titel Eenige berigten van het hulpgenootschap in den jare 1799 in Zürich opgericht. Ook vertaalde hij het reglement van het armenbestuur in Hamburg. Het ging Van Breugel bij deze publicistische arbeid met name om het effect op de praktijk: hoe kunnen elders opgedane ervaringen hier te lande nuttig worden gemaakt.

Juist als man van de praktijk moet het hem goed hebben gedaan toen Gogel hem in september 1806 aanzocht als voorzitter van de Hoofdcommissie voor de zaken van de verpondingen in het gewest Holland. Deze functie werd vanaf 1810 gevolgd door ambten binnen het kadasterwezen in Holland en, uiteindelijk, vanaf 1812 tot aan zijn eervol ontslag op 1 oktober 1819, door de post van directeur der directe belastingen in Friesland. Willem I benoemde hem in 1824 tot lid van de Raad van zijn woonplaats Haarlem, waarheen hij na zijn vertrek uit Friesland verhuisd was, en verleende hem ten slotte in 1826 de titel van baron. Daarmee erkende de vorst de grote betekenis van Van Breugel voor het beheer van de openbare financiën.


Bronnen

• A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden, Haarlem 1852-1878, deel II-3, 1299-1302
• G. Crawford, De leer van het gelijkwaardige, of verklaring van den aard, de waarde en het vermogen van het geld, toegepast op de inrichting van de publieke finantiën, 's-Gravenhage 1804 (Vertaald uit het Engels door C. van Breugel)
• C.J. Weijters, 'De Reyshof onder Tilburg, een vergane grootheid', in: Tijdschrift van de Heemkundekring 'Tilborgh', 1970
• H.A.M. de Wit, 'Het onderzoek van Mr. Caspar van Breugel naar het belastingstelsel in de Meierij 1786-1796', in: Varia Historica Brabantica XI, 's-Hertogenbosch 1982, 83-137
• H.A.M. de Wit, 'Een plan voor de verbetering van de publieke financiën in de Meierij tijdens de nadagen van het Ancien Régime', in: Nederlandse Historische Bronnen 5, Hilversum 1985, 146-216


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: H.A.M.G. de Wit

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon