Jan Cunen (1884-1940)

historicus en archivaris

Joannes Marcellus Cunen is op 24 februari 1884 geboren in Oss. Zijn vader, Gerardus Cunen, was gehuwd met Antoinetta van Poppelen. De familie bezat een bekende manufacturenzaak in het centrum van Oss. Na het overlijden van Antoinetta op 13 juli 1908 hertrouwde Gerardus Cunen in 1914 met Henrica Alouisa van Vugt. Jan Cunens gezondheid was zwak. Hij was diabeticus en overleed ongehuwd op 12 september 1940 in Oss.

Jan Cunen is bekend geworden om de grote reeks artikelen die hij schreef over de historie van Oss en het Maasland. Na zijn opleiding tot archivaris ordende hij de archieven van zijn geboorteplaats en vele andere plaatsen. Tevens bracht hij een collectie historische en volkskundige voorwerpen bijeen die de basis vormden voor het gemeentelijk museum van Oss dat na de Tweede Wereldoorlog naar Jan Cunen is vernoemd.

Kloosterling
Jan was de oudste zoon van het gezin Cunen. Op de lagere school hoorde hij bij de betere leerlingen. Hij viel wel enigszins op door zijn in zichzelf gekeerde karakter. Na zijn middelbare- schooltijd kwam hij in de manufacturenzaak van zijn ouders. Na enkele jaren voelde hij meer voor een vorming tot geestelijke. Op 22-jarige leeftijd besloot hij een proefperiode door te brengen in de benedictijner abdij de Achelse Kluis. Dat overtuigde hem en in 1906 meldde Jan Cunen zich bij de trappisten in Diepenveen. Zijn religieuze naam was Eugenius. Cunen bleef echter niet lang. Op 7 april 1908 trad hij weer uit. Als reden wordt een gebrek aan roeping opgegeven. Gezien Cunens herhaalde pogingen toegelaten te worden tot een geestelijke orde, lijkt deze verklaring niet geheel aannemelijk. Meer waarschijnlijk is zijn suikerziekte reden geweest hem te vragen zijn toelatingspoging te staken. Als gevolg van zijn ziekte moest hij zich aan een specifiek dieet houden en dagelijks veel wandelen. Deze verplichtingen waren vermoedelijk slecht te combineren met de eisen van de orde.

Jan Cunen berustte niet in zijn afwijzing en ondernam in de periode 1909 - 1917 verschillende pogingen bij kloosters in Nederland en België aangenomen te worden. Telkens bleek zijn gezondheid het struikelblok. Op 28 juli 1917 gaf hij zijn pogingen definitief op en keerde hij terug naar zijn geboorteplaats.

Archivaris
In Oss vatte Cunen het werk als etaleur en winkelchef in de zaak van zijn ouders weer op. Hij stortte zich op zijn tweede roeping, de historie van stad en streek. In 1919 schreef hij een artikel over een voormalige schuilkerk in Oss in het weekblad Mooi Brabant in woord en beeld, het begin van een grote reeks artikelen over de historie van Oss en het Maasland. Toen koningin Wilhelmina in 1923 haar 25-jarig jubileum vierde, werd in Oss een grote historische optocht gehouden, waarvoor Jan Cunen een belangrijk deel van het voorbereidende werk deed. De wijze waarop hij de historie van stad en streek verwerkte, viel in de smaak. In de krant De Stad Oss kreeg hij een wekelijkse rubriek onder de naam Uit het verleden van Oss en omgeving.

Als vrijwilliger begon hij in 1928 met de ordening van het Osse gemeentearchief. Het was werk dat hem lag. In 1929 begon hij bij het rijksarchief in Den Bosch als volontair aan de opleiding tot archivaris. Als praktijkopdracht voltooide hij de ordening en inventarisatie van het gemeentearchief van Oss, waarvan de resultaten werden opgenomen in het in 1932 uitgegeven boek De geschiedenis van Oss. Hoewel het boek inmiddels op een aantal onderdelen verouderd is, biedt het nog steeds een goed bruikbaar overzicht van de Osse geschiedenis. Bovendien komt Cunen de eer toe als eerste een breed opgezette historie van Oss te hebben geschreven.

Op 28 april 1934 legde Jan Cunen met goed gevolg het archiefexamen af en op 1 juli ontving hij zijn aanstelling tot archivaris van de gemeente Oss, voor drie dagen per week. De weinig eisende vrijgezel was hiermee wel tevreden. Hij kon zich nu het grootste deel van de week aan de geschiedenis van zijn woonomgeving wijden. Naast zijn werkzaamheden voor het archief van Oss pakte Jan Cunen ook de inventarisatie van de archieven van andere Brabantse gemeenten aan. Zijn inzet en bescheidenheid bezorgden hem vele verzoeken tot ordening van archieven.

Museum
Het jaar 1933 moet zeer enerverend zijn geweest voor Cunen. Bij de aanleg van een woonwagenkamp op de Osse hei bleek een grafheuvel te zijn aangesneden, waaruit het beroemde Osse ijzeren zwaard in een bronzen vat tevoorschijn kwam. Wegens de rijkdom van dit graf werd het al spoedig het vorstengraf gedoopt. Met deze vondst werd bovendien het begin van de IJzertijd in Nederland gemarkeerd. Cunen volgde de opgravingen door de archeoloog dr F. Bursch met grote belangstelling. Frappant is het gegeven dat Cunen ooit het volksverhaal optekende dat op de hei een koning begraven moest liggen.

Na deze opgravingen hield Cunen intensief bij welke voorwerpen er in het Maasland bij landwerkzaamheden of bij de kanalisatie van de Maas tevoorschijn kwamen. Door zijn goede contacten met de bevolking wist hij vele vondsten te verwerven. Sommige voorwerpen bleven in Oss maar de meeste gingen naar het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden. De vondsten die bleven, kwamen ten goede aan de bescheiden collectie die de basis zou vormen van een museum in Oss. Een plan hiertoe is geboren in 1932, naar aanleiding van het verschijnen van Cunens geschiedenis van Oss. De raadscommissie ter bevordering van nijverheid, handel en verkeer vond de tijd rijp voor een eigen museum, waarmee door het gemeentebestuur werd ingestemd. Ter verrijking van de collectie werden aan de grote ondernemingen in Oss portretten van de oprichters gevraagd. In het souterrain van het gemeentehuis kon Cunen in 1934 een vertrek inrichten als museum met archeologica, volkskundige voorwerpen en kleding, prenten en devotionalia. Op 24 november 1935 opende het museum de deuren. Grote trekpleister en bijna verplichte kost voor de schoolgaande jeugd, was de natuurgetrouwe kopie van het Osse zwaard en de bronzen emmer. De originelen berusten wegens het nationaal belang van de vondsten nog steeds in het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden.

In 1936 bracht Jan Cunen een historisch periodiek uit. Hij doopte het de Ossensia-reeks. In deze boekjes besprak hij specifieke thema's uit de Osse en Maaslandse historie. In totaal verschenen acht afleveringen.

Jan Cunencentrum
Jan Cunen deed weliswaar niets liever dan bezig zijn met de historie, zijn deeltijdbaan en bescheiden salaris maakten het min of meer noodzakelijk dat hij bijverdiende met de ordening van archieven van andere plaatsen. In 1939 stelden B & W van Oss de raad voor Cunens aanstelling uit te breiden tot een volledige werkweek. Na discussie over de noodzaak hiervan, ketste het voorstel af. Ook een verhoging van het salaris van Cunen tot ƒ 1800,- per jaar achtte de raad niet nodig. Cunens bevlogenheid was bekend, burgemeester Ploegmakers vond een verhoging van zijn salaris redelijk maar hij schatte in dat deze met een onveranderde beloning ook 'volkomen tevreden' zou zijn. Het bleek inderdaad zo te zijn. Jan Cunen was niet verontwaardigd of teleurgesteld, hij werkte rustig verder, de geschiedenis van Oss en het Maasland gingen hem voor alles. Zijn suikerziekte bezorgde hem echter veel lichamelijk ongemak. Weliswaar bestond sinds 1924 de mogelijkheid insuline toe te dienen maar de kostbaarheid van het preparaat en de betrekkelijke nieuwigheid maakten een ruime toepassing in die jaren nog niet mogelijk. Toch nog onverwacht overleed hij in 1940 op 56-jarige leeftijd.

Zij die hem in persoon hebben meegemaakt, typeren hem als onvermoeid werker, niet materieel ingesteld, een tikkeltje verstrooid, soms eigenwijs op het eigenzinnige af en bijzonder hulpvaardig. Nog tijdens de oorlog werd het museum naar een grotere ruimte overgebracht. In de jaren na de oorlog werd een uitgebreide collectie schilderijen aangekocht uit de Haagse en Romantische School. Op 28 juli 1949 werd het naar Jan Cunen vernoemde museum feestelijk heropend.

Aan het einde van de jaren '70 kreeg het museum een nieuwe impuls. Het oude raadhuis van de gemeente Oss aan de Molenstraat kwam geheel ter beschikking als museaal gebouw met een staf van beroepskrachten. De naam van het museum is bij deze gelegenheid veranderd in het dynamischer klinkende Jan Cunencentrum. Het houdt in ieder geval de herinnering aan deze bevlogen archivaris vast.


Bronnen

• Gemeentearchief Oss, Jan Cunencentrum
• Frater Theodardus, Een Ossenaar van betekenis, herinnering aan Jan Cunen, 1947, typescript
• J.P.W.A. Smit, 'In memoriam J.M. Cunen', in: Nederlands Archievenblad, 1941
• B.C. Goverde, 'Jan Cunen, late roeping en late complicaties', in: Brabants Dagblad, 12 september 1990
• J. van Zuijlen, artikelen over Jan Cunen in: Brabants Dagblad, 25 februari 1984; 28 september 1985; 25 juni 1988; 9 september 1990
• Tj. van Ras, 'Cunencentrum vijftig jaar', in: Brabants Dagblad, 8 maart 1986
Oss Actueel, maart 1980
• 'Jan Cunen', in: Een greep uit de collectie, uitgave Jan Cunencentrum Oss 1980


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1994).


Auteur: P.R. Spanjaard

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon