Eduard Jan Dijksterhuis (1892-1965)

wiskundige

Eduard Jan Dijksterhuis werd geboren 28 oktober 1892 te Tilburg en overleed op 18 mei 1965 te Bilthoven. Hij was een zoon van Berend Dijksterhuis, directeur van de Rijks-HBS te Tilburg, en Gezina Eerkes. Op 27 december 1920 trouwde hij met Johanna Cathinka Elisabeth Niemeyer (1895-1994). Uit dit huwelijk werden een dochter en twee zoons geboren.

E.J. Dijksterhuis stamde uit een Gronings onderwijzersgeslacht. Zijn grootvader was 'hoofd eener lagere school' in Grijpskerk geweest, zijn vader had het tot directeur van de kleine Rijks-HBS in Tilburg gebracht. Dijksterhuis groeide op in de kleine protestantse gemeenschap in Tilburg. Hij genoot zijn middelbare opleiding op de Rijks-HBS van zijn vader. Na het afleggen van het staatsexamen ging hij in 1911 wis- en natuurkunde studeren in Groningen en in 1917 sloot hij de studie af met een doctoraalexamen in de wiskunde. Zijn belangrijkste leermeester was de astronoom J.C. Kapteyn, die Dijksterhuis niet alleen de liefde voor de geschiedenis van wetenschap bijbracht, maar hem door zijn volmaakt heldere colleges ook als docent inspireerde. Naast zijn studie was Dijksterhuis actief in het studentenleven. Als penningmeester of secretaris was hij de drijvende kracht in het literaire genootschap 'Dicendo discimus' en de muziekvereniging 'Bragi', beide subverenigingen van het studentencorps 'Vindicat atque Polit'. Op 1 juni 1918 promoveerde Dijksterhuis cum laude op het proefschrift Bijdragen tot de kennis der meetkunde van het platte schroevenvlak (een tamelijk traditioneel onderdeel van de mechanica). Na zijn promotie keerde hij terug naar het ouderlijk huis in Tilburg.

Tijdens de voorbereiding van zijn proefschrift had Dijksterhuis een bijbaantje aan de Groningse meisjes-HBS gehad, maar hij was niet van plan leraar te blijven. De zwakke gezondheid van zijn vader en het nijpend tekort aan leraren brachten hem er echter toe in Tilburg te blijven en leraar aan de vertrouwde Rijks-HBS te worden. Zonder onderbrekingen heeft hij tot 1953 wiskunde, mechanica, kosmologie en natuurkunde gedoceerd. De beginperiode was niet al te prettig, omdat hij voortdurend overhoop lag met de andere wiskundedocent van de school. Maar daarna werd Dijksterhuis een centrale figuur op zijn school die nog lang klein en overzichtelijk bleef. In zijn onderwijs deed hij geen pogingen populair te worden. Zijn manier van lesgeven was streng-wiskundig en abstract, wat sommige leerlingen aansprak, maar de meeste voorgoed de smaak voor wiskunde ontnam. Wel liet Dijksterhuis regelmatig zijn leerlingen delen in zijn andere interesses, zoals de muziek van Bach en Bruckner en de geschiedenis van de wiskunde en de natuurwetenschappen. Na de Tweede Wereldoorlog heeft hij nog een rol gespeeld bij het opzetten en begeleiden van de toen nieuwe werkweken.

Hoewel Dijksterhuis het meest tot zijn recht kwam in de hogere klassen, had hij heel pertinente meningen over het beginonderwijs in de wiskunde. Omdat abstractie de essentie vormt van de wiskunde, wilde hij de leerlingen van meet af aan inwijden in de sfeer van het abstract redeneren. Hij vond het onjuist de leerlingen door realistische oefeningen ('knippen en plakken') geleidelijk te laten wennen aan de wiskundige vormen. Deze overtuiging bracht hem tot een felle polemiek met een van de meest vooraanstaande onderwijshervormers uit het interbellum, mevrouw Ehrenfest-Afanassjewa. Deze polemiek leidde in 1924 tot de oprichting van een apart didactisch bijvoegsel van het Nieuw Tijdschrift voor Wiskunde - een bijvoegsel dat een paar jaar later apart ging verschijnen en omgedoopt werd tot Euclides. Dijksterhuis werd vaste medewerker van het nieuwe tijdschrift, dat in de eerste jaren de spreekbuis was van degenen die een strenge benadering van de wiskunde voorstonden, in de geest van de Griekse wijsgeer Euclides.

Zijn actieve bemoeienis met de hervorming van het wiskunde-onderwijs leidde er toe dat Dijksterhuis in 1925 secretaris werd van een commissie die in opdracht van het College van Inspecteurs van het Middelbaar Onderwijs een nieuw programma voor het wiskunde-onderwijs aan de HBS moest opstellen, naar de voorzitter de commissie-Beth genoemd. Het nieuwe programma, opgesteld door Dijksterhuis, was geheel in de geest van de strenge richting. Uitgangspunt was de vormende waarde van de wiskunde. Wiskunde, aldus de commissie, is niet alleen een domein van onze kennis, maar ook en vooral een stijl van denken, die door haar zuiverheid en eerlijkheid ook ten goede komt aan het denkvermogen van leerlingen die in hun latere beroepspraktijk geen direct gebruik meer maken van wiskundige kennis. Praktische vaardigheid (sommen maken) is minder belangrijk dan inzicht in de principes van de wiskunde; leerlingen moeten steeds kunnen verantwoorden waarom ze een bepaalde berekening zo en niet anders uitvoerden. Later zou Dijksterhuis zijn ideale, op inzicht en niet op vaardigheid mikkende onderwijs 'epistemisch' noemen - een term ontleend aan zijn belangrijkste inspiratiebron, de Griekse wijsgeer Plato. Onvermoeibaar heeft Dijksterhuis het belang van dit epistemisch wiskunde-onderwijs bepleit, niet alleen in Euclides, maar ook in het Weekblad voor Middelbaar en Gymnasiaal Onderwijs. Maar het programma van de commissie-Beth werd nooit volledig ingevoerd en na de oorlog, toen hij nog de degens kruiste met de wiskundedidacticus Hans Freudenthal, moest hij erkennen dat de realistische benadering in het wiskunde-onderwijs alsnog de overhand had gekregen.

Dijksterhuis combineerde zijn didactische belangstelling met een zo mogelijk nog grotere interesse in de geschiedenis van de wiskunde en de natuurwetenschappen. In het leerproces dat leerlingen doormaken, herhaalt zich volgens hem in beknopte vorm de geschiedenis van de wetenschap en voor leraren is het daarom van groot belang inzicht te hebben in de geschiedenis van hun wetenschapsgebied. Dijksterhuis schreef mede daarom een geschiedenis van de mechanica en Aristoteles tot en met Newton (Val en worp, 1924) en zette met H.J.E. Beth bij de Groningse uitgeverij Noordhoff een Historische Bibliotheek voor de Exacte Wetenschappen op. Zelf droeg hij daaraan boeken over de Elementen van Euclides en over Archimedes bij (resp. 1929 en 1938).

Geleidelijk ging hij naast het beoefenen van de wetenschapsgeschiedenis ook de algemene, culturele betekenis van de exacte wetenschap benadrukken. Werken van meer dan strikt historisch-wiskundige aard waren de biografie van Stevin (1943) en zijn magnum opus: De mechanisering van het wereldbeeld (1950), al is de centrale stelling in dat boek wel dat de geschiedenis van de natuurwetenschap gekenmerkt wordt door een proces van geleidelijke mathematisering (door Dijksterhuis weer omschreven als mechanisering). Hoewel deze boeken aanvankelijk weinig afzet vonden, werden zij geprezen om de superieure beheersing van de stof en de verzorgde, klassiek-literaire stijl. Voor De mechanisering van het wereldbeeld kreeg Dijksterhuis in 1952 de P.C. Hooftprijs voor essayistiek.

In zijn woonplaats Oisterwijk waar hij in 1920 na zijn huwelijk met een dochter van de Groningse tabaksfabrikant Niemeyer een ruime villa aan het Klompven had betrokken, hield Dijksterhuis zich doorgaans afzijdig van het plaatselijk gebeuren. Ook politiek was hij niet actief, al had hij sympathie voor zijn plaatsgenoot Arnold Meijer (hij was echter geen lid van diens rechts-radicale Zwart Front). Na de oorlog werd Dijksterhuis wel lid van het bestuur van de vereniging voor bijzonder neutraal onderwijs, De Oisterwijkse Schoolvereniging, die een eigen lagere school in Oisterwijk in stand hield, maar andere actieve bestuursfuncties ambieerde hij niet.

Al voor de oorlog had Dijksterhuis geprobeerd ook buiten het middelbaar onderwijs erkenning te krijgen voor zijn streven de wetenschapsgeschiedenis een volwaardige plaats te geven in het intellectuele leven en 'de twee culturen' (de literaire en de natuurwetenschappelijke) enigszins dichter tot elkaar te brengen. Dat hij in 1933 gevraagd werd lid te worden van de redactie van het algemeen-culturele en gezaghebbende tijdschrift De Gids betekende daarom veel voor hem en toen hij in 1940 ook nog secretaris van de redactie werd, had hij in dit tijdschrift een belangrijk forum voor zijn ideeën gevonden. Maar twee privaatdocentschappen (onbezoldigde, tijdelijke onderwijsopdrachten aan een universiteit) in de geschiedenis van de wiskunde, in Amsterdam en in Leiden, waren in dezelfde tijd bepaald geen succes.

Tijdens de oorlog bleek de waardering die men voor hem had uit zijn verkiezing (begin 1941) tot lid van de Nederlandse Akademie van Wetenschappen - tijdens de oorlog was het woord 'Koninklijke' uit de naam geschrapt - en uit het aanbod aan de Universiteit van Amsterdam een in deeltijd uit te voeren leeropdracht (zonder titel) in de geschiedenis van de wiskunde te aanvaarden. De verkiezing in de Akademie werd evenwel niet door de Duitse bezettingsmacht, en na de oorlog evenmin door de Nederlandse regering bekrachtigd en de leeropdracht - na veel vertraging alsnog aan Dijksterhuis aangeboden en door hem in 1944 aanvaard - werd na de oorlog niet verlengd. Hij had zich tijdens de oorlog grotendeels neutraal opgesteld, maar in het eerste bezettingsjaar was hij een paar maanden lid was geweest van Arnold Meijers Nationaal Front, dat gematigder was dan Zwart Front. Dit had Dijksterhuis tijdens de zuivering verzwegen. In Tilburg vond men dat hem niets te verwijten viel en zo werd hij na de oorlog weer fulltime leraar aan de Rijks-HBS.

In de jaren vijftig kwam de erkenning alsnog. In 1950 werd Dijksterhuis opnieuw verkozen in de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (als wiskundige in de Afdeling Letteren!), in 1952 kreeg hij de P.C. Hooftprijs en in 1953 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de geschiedenis van de exacte wetenschappen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1955 volgde een gelijke benoeming in Leiden. Dijksterhuis, die in 1953 naar Bilthoven was verhuisd, had nu de positie bereikt die hij ambieerde - voor hemzelf en voor het vak - maar toen dat eenmaal gelukt was, leek het wel of het ware vuur gedoofd was. Zijn colleges werden slechts door een handvol studenten bezocht en zijn publicaties bevatten geen nieuwe inzichten meer. In 1959 werd hij getroffen door een beroerte en hoewel hij gedeeltelijk herstelde en zijn colleges (in Utrecht althans) kon hervatten en ook nog drie promoties tot een goed einde kon brengen, was hij nog maar een schim van de gedreven didacticus en wetenschapshistoricus uit zijn Tilburgse tijd. Hij ging in 1962 zonder de gebruikelijke plechtigheden met emeritaat en overleed in 1965 na een lang en ontluisterend ziekbed.


Bronnen
• Museum Boerhaave Leiden, Archief E.J. Dijksterhuis
• K. van Berkel, E.J. Dijksterhuis. Een biografie, Amsterdam 1996


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Klaas van Berkel

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon