Frans Donders (1818-1889)

geneeskundige en fysioloog

Franciscus Cornelis Donders werd op 27 mei 1818 in Tilburg geboren als enige zoon (na acht dochters) van Jan Frans Donders en Agnes Hegh. Frans Donders trouwde in 1845 met Ernesta Zimmerman. Uit dit huwelijk werd één dochter geboren. Na het overlijden van zijn vrouw in 1886 hertrouwde hij met Abrahamine Hubrecht. Frans Donders overleed te Utrecht op 24 maart 1889 en werd begraven te Zuilen.

Vader Jan Frans was volgens de Etat de population uit 1812 'marchand, propriétaire, vivant de son négoce' en was een niet onbemiddeld man. Hij zou echter zich vooral met chemie, muziek en literatuur hebben beziggehouden en de zaken aan zijn vrouw hebben overgelaten. Zijn vader overleed toen Frans zeventien maanden oud was.

Als kind werd Frans aardig verwend door zijn familie en zijn moeder besloot hem naar een kostschool te sturen in Duizel, een van de Acht Zaligheden in de omgeving van Eindhoven. Daar volgde Donders onderwijs bij de bekende meester Panken. Van zijn elfde tot zijn dertiende fungeerde hij als ondermeester en verdiende zo zijn kostgeld.

Vervolgens ging hij naar de Latijnse school in Boxmeer, waar hij meer tijd besteedde aan de jacht en het vissen dan aan studeren. Ook wijdde hij veel aandacht aan zijn vioolspel. Over die periode op de Latijnse school zei hij zelf het volgende: 'Van de Latijnse letteren wist ik weinig, van de Griekse niets hoegenaamd en zowat evenveel van de Nederlandse en die van de moderne talen. Men begrijpt dat ik tijd had gehad om langs de Maas te wandelen, te vissen en te jagen en daarmee werd ik binnen drie jaar naar de hogeschool gepromoveerd.' Het lijkt er dan ook op dat het onderwijs op de Latijnse School in die tijd ook flink te wensen overliet, wat mogelijk verband hield met het feit dat de paters Carmelieten kort tevoren na een besluit van koning Willem I hun onderwijstaak aan lekendocenten hadden moeten overdragen.

In 1835 ging Frans Donders op zeventienjarige leeftijd naar Utrecht. Hij liet zich inschrijven aan de universiteit en op de Rijkskweekschool voor Militair Geneeskundigen. Nadat hij was afgestudeerd aan de Rijkskweekschool als officier van gezondheid probeerde hij tevergeefs de universiteitsbestuurderen te overtuigen van de klinische ervaring die hij in het militaire hospitaal had opgedaan. Toen dit niet lukte, ging hij naar de Leidse universiteit en daar studeerde hij binnen drie dagen af. Vervolgens verhuisde hij in 1840 als legerarts naar een militair ziekenhuis in Vlissingen. Nog in hetzelfde jaar voltooide hij zijn dissertatie, een studie van twee patiënten met hersenvliesontsteking. Na een korte periode in Den Haag werd hij aangesteld als docent aan de Rijkskweekschool voor Militair Geneeskundigen in Utrecht in onder meer de fysiologie. In 1847 volgde zijn benoeming tot 'professor à la suite' ofwel buitengewoon hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht. Hier gaf hij onderricht in diverse gebieden van de geneeskunde met uitzondering van de fysiologie: dat was het terrein van de alom gerespecteerde Schroeder van der Kolk. Ondanks enkele zeer eervolle verzoeken in later tijd om elders een leerstoel te bekleden, is hij altijd in Utrecht gebleven omdat de werkomgeving, en met name de omgang met zijn wetenschappelijke vrienden, hem uitermate beviel en omdat hij hoopte dat door een uitbreiding van het aantal hoogleraren per faculteit hij alsnog gewoon hoogleraar in Utrecht kon worden.

In de jaren veertig broeide er iets in Utrecht en Amsterdam, dat wel wordt aangeduid met de term 'het Jonge Holland', een beweging waaraan Potgieter in Amsterdam en Heye in Utrecht leiding gaven en waaruit ook het tijdschrift De Gids is voortgekomen. De jongere generatie wetenschappers in Utrecht wenste zich niet meer in te laten met fraaie maar ongefundeerde bespiegelingen zoals aanhangers van de natuurfilosofie of het vitalisme dat plachten te doen. Zij wilden het onderwerp van onderzoek, plant, dier en mens, met behulp van het ontleedmes en de microscoop tot in de kleinste details uiteenrafelen en beschrijven. Belangrijke figuren daarbij waren Mulder (hoogleraar scheikunde, die zichzelf niet tot 'de jonge Hollanders' rekende), Schneevoogt, Moleschott, Harting, Van Deen en Donders zelf. Deze groep had een grote invloed op de ontwikkeling van de biologische wetenschappen en de geneeskunde in Nederland.

In 1845 trouwde Donders met Ernestina Zimmerman, dochter van een dominee. Zelf was Donders katholiek maar hij praktiseerde dat niet openlijk. Op 26 augustus 1846 werd hun enig kind Maria geboren. Donders was zeer aan haar gehecht. In 1869 trouwde zij met Theodor Engelmann, een assistent van Donders die na zijn dood ook zijn leerstoel fysiologie zou overnemen. Uit dit huwelijk werd februari 1870 een tweeling geboren en enkele dagen later overleed Maria. Dit was een zware slag voor Donders, die dit waarschijnlijk heeft proberen te verwerken door zich met nog meer energie op het werk te storten.

In 1851 is hij naar de Wereldtentoonstelling in Edinburgh geweest en heeft daar Bowman en Von Grafe ontmoet, op dat moment waarschijnlijk de meest vooraanstaande oogartsen. Terug in Nederland besloot Donders om zijn wetenschappelijke kennis over het oog en oogziekten ook aan te wenden voor behandeling van oogklachten. In 1858 werd het Ooglijders Instituut opgericht, waarvan hij tot 1862 directeur was. In dat jaar overleed Schroeder van der Kolk en Donders nam de leerstoel over.

In 1868 schreef hij het artikel 'Over de snelheid van psychische processen', waarin hij het fundament legde voor het hedendaagse psychologische onderzoek van de waarneming. Toen de Duitse fysioloog Helmholtz had laten zien dat de geleiding van een zenuwimpuls van de arm naar het hoofd niet oneindig snel was, maar zich met een snelheid van ongeveer 20 meter per seconde voortplantte, besloot Donders dat dan ook de duur van psychische processen gemeten moest kunnen worden. Hij ontwikkelde de techniek waarmee, met behulp van een trommel die met roet was bedekt en een naald die als schrijver diende, het moment van het aanbieden van een geluidsprikkel kon worden geregistreerd alsook het moment waarop een proefpersoon aangaf de prikkel waargenomen te hebben (detectie). Vervolgens liet Donders de proefpersoon reageren wanneer een bepaald geluid werd aangeboden en niet reageren wanneer een ander geluid werd aangeboden (discriminatie). En ten slotte moest de proefpersoon met de ene hand drukken als hij het ene geluid hoorde en met de andere hand wanneer hij het andere geluid hoorde. Door deze drie condities met elkaar te vergelijken meende Donders uitspraken te kunnen doen over de tijd die nodig is om de prikkel waar te nemen, om de prikkel te beoordelen en om een respons voor te bereiden, of in hedendaags vakjargon: de stadia in de informatieverwerking. In wezen worden deze onderzoekstechnieken nog dagelijks over de heel de wereld gebruikt om waarneming en aandacht te onderzoeken, niet alleen bij gezonde proefpersonen, maar ook bij mensen die ten gevolge van het dysfunctioneren van de hersenen (bijvoorbeeld ten gevolge van een hersenbloeding, alcohol, drugs of een metaalvergiftiging) aandachtsproblemen hebben.

Hoe beroemd Donders met de 'reaktietijdmeting' ook moge zijn geworden, het was toch niet meer dan een zijspoor van zijn onderzoek. Hij had een erg uitgebreid onderzoeksprogramma dat tot zeer veel baanbrekende onderzoeken heeft geleid, neergelegd in talrijke proefschriften die onder zijn leiding zijn vervaardigd. Belangrijke thema's waarmee hij zich bezig hield waren: de zenuwen die betrokken zijn bij het bewegen van de oogbol; het zien van kleuren en diepte; de ademhaling, klankproductie bij het spreken; de samenstelling van het bloed en de hartslag.

Daarnaast vond Donders ook de tijd om op vele congressen en vergaderingen, zoals van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, verslag uit te brengen van de voortgang van het onderzoek. Daarbij kwam hij regelmatig in het buitenland, vooral in Engeland en Duitsland. Bovendien zat hij in verschillende redacties van wetenschappelijke tijdschriften, waarvan ook enkele mede door hem zijn opgericht. Donders was dan ook alom gerespecteerd en geroemd om zijn productiviteit, zijn zeer brede kennis en zijn geduld om zijn ideeën aan een ieder op een begrijpelijke wijze uit te leggen. Deze waardering kwam onder meer tot uiting in de toekenning van de Boerhave-medaille in 1884. Er wordt soms beweerd dat Donders als 'zuiderling' niet paste in de gegoede kringen van Utrecht en dat hij probeerde dit punt te compenseren door al te pedant te reageren. Maar hij is waarschijnlijk toch een persoon geweest die zeer veel aantrekkingskracht had op studenten. In binnen- en buitenland had hij veel vrienden.

Op 30 september 1886 overleed zijn vrouw, nadat zij zeer lang met haar gezondheid had getobd. In 1888 hertrouwde Donders met Abrahamine Hubrecht, dochter van zijn oude vriend en staatsraad Hubrecht. Hij moest vanwege zijn leeftijd afstand doen van zijn leerstoel, die werd overgenomen door zijn schoonzoon Engelmann. Bij die gelegenheid vond er een grootscheepse huldiging plaats in Utrecht, waarbij veel gevestigde namen uit de medische wereld aanwezig waren.

Na een kort ziekbed overleed Frans Donders op 24 maart 1889 aan een hersentumor. Waarschijnlijk vanwege het feit dat hij zijn katholieke geloof niet openlijk praktiseerde is hij begraven op een algemene begraafplaats in het dorpje Zuilen, nabij Utrecht.


Bronnen

• G. ten Doesschate, Franciscus Cornelis Donders, Assen 1958
• J. van der Eerden, Het geslacht Donders, Tilburg 1938
• E.C. van Leersum, Het levenswerk van Franciscus Cornelis Donders, Haarlem 1932


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1996).


Auteur: P. Eling

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon