Peerke Donders (1809-1887)

apostel der melaatsen

Petrus Donders werd op 27 oktober 1809 in Tilburg geboren als zoon van Arnold Donders en Petronella van den Brekel. Hij overleed in Batavia (Suriname) op 14 januari 1887.

De thuiswever Arnold Donders was, voor hij met Petronella van den Brekel huwde, twee keer eerder getrouwd geweest. Uit zijn tweede huwelijk werden drie kinderen geboren, die allen jong zijn gestorven. Twee jaar na Peerke, zoals iedereen hem noemde, werd nog een zoon geboren: Martinus. Nadat hij voor de derde maal weduwnaar was geworden - Petronella van den Brekel stierf in 1816 - hertrouwde Arnold Donders in 1817 met Maria van de Pas. Zij zou verder voor de opvoeding van de kinderen zorgdragen.

De familie Donders leidde een zeer armoedig bestaan in een klein huisje aan de Moerstraat, in het gehucht De Heikant in Tilburg. Peerke werd op twaalfjarige leeftijd van het schooltje van meester Drabbe gehaald om voor zijn vader te gaan weven. Het leven van de jongen bestond hoofdzakelijk uit werken, bidden en lezen. Al vroeg moet bij hem de wens zijn opgekomen om priester te worden. Als zestienjarige gaf hij al catechismusles aan de kinderen in de parochie. Het priesterschap leek echter niet voor Peerke Donders te zijn weggelegd, omdat de financiën ontbraken en omdat hij een ontoereikende schoolopleiding had gevolgd.

Toen hij evenwel in 1831 in een brief aan zijn biechtvader, de pastoor van 't Goirke, Willem van de Ven, zijn verlangen om zijn roeping tot het priesterschap te volgen, nog eens uiteenzette, maakte dat zo'n grote indruk op de pastoor, dat deze besloot alle bezwaren uit de weg te ruimen. Hij bezorgde Peerke een positie als knecht-student aan het klein-seminarie Beekvliet te Sint-Michielsgestel. Donders was daar een vreemde eend in de bijt: een 22-jarige volwassen man, tussen kinderen van een jaar of twaalf, die graag de spot met hem dreven.

Maar hij bleek over een onverzettelijke wil te beschikken. Ondanks veel moeilijkheden voltooide Peerke Donders in 1837 zijn opleiding en begon aan de vervolgstudie aan het groot-seminarie Nieuw-Herlaar. Hij had intussen het plan opgevat om missionaris te worden, waarvoor hij een tocht maakte langs verschillende Belgische kloosters, met het doel zich aan te melden. Dat werd een grote teleurstelling voor Donders. Zowel de jezuïeten, als de redemptoristen en de franciscanen wezen hem af. Hij was in hun ogen te oud of niet talentvol genoeg.

Zijn grote wens werd echter in 1839 vervuld, toen mgr. Grooff, hoofd van de Surinaamse missie, het seminarie bezocht. Grooff zag wel wat in de kleine, magere, zeer wilskrachtige oud-wever, die door zijn medestudenten - vanwege zijn grote godsvrucht - 'heilig Peerke' werd genoemd. Na tot priester te zijn gewijd op 5 juni 1841, vertrok Peerke Donders op 1 augustus 1842 met het zeilschip Jacoba Maurina naar Suriname. Hij zou nooit meer in zijn geboorteland terugkeren.

Na zijn aankomst in Suriname werkte Peerke Donders veertien jaar in Paramaribo. De katholieke missie in Suriname bestond in die tijd slechts uit een handvol priesters; velen bezweken al na korte tijd door de extreme leefomstandigheden, de vele tropenziekten en het ontbreken van een behoorlijke medische zorg. Peerke Donders, die al snel de taal van de Surinaamse bevolking - het Negerengels - beheerste, ontpopte zich als een onvermoeibare zielzorger; iemand die zichzelf niet ontzag. Hij had de reputatie streng en precies te zijn, maar mettertijd ontstond grote waardering voor de eenvoudige, altijd goedgehumeurde geestelijke. Die waardering strekte zich ook uit tot de niet-katholieke gemeenschap in Suriname.

Tijdens zijn verblijf in Paramaribo kreeg Donders ook de zielzorg toegewezen voor de plantageslaven, die hij - ondanks tegenwerking van de zijde van de plantagebeheerders - regelmatig bezocht. Veel slaven werden door hem in het geheim gedoopt. De wrede, mensonwaardige behandeling van de negerslaven werd door Peerke Donders aanhoudend aan de kaak gesteld. Diep verontwaardigd schreef hij: 'O, had men hier zoveel zorg voor het behoud en het welzijn der slaven als men in Europa voor lastdieren heeft, dan zou het er beter uitzien.' Pas in 1862 werd in de Tweede Kamer een wet aangenomen, die de slavernij in Suriname beëindigde.

Zijn grote bekendheid heeft Peerke Donders vooral verworven als pastoor van Batavia, waar hij - met een korte onderbreking - van 1856 tot aan zijn dood in 1887 werkzaam was. Batavia, gelegen aan de monding van de Coppenamerivier, was een door de overheid ingericht melaatsenkamp, dat uit niet veel meer dan een houten kerkje en wat hutten bestond. Volkomen geïsoleerd van de bewoonde wereld leefden daar honderden melaatsen onder de meest erbarmelijke omstandigheden. Door het onbreken van verplegend personeel moesten de zieken elkaar helpen. Er was gebrek aan alles. De vaak afschuwelijk verminkte melaatsen kwamen nauwelijks uit hun vervuilde hutten. Van meet af aan heeft Peerke Donders zich ingezet om de leefomstandigheden te verbeteren; hij maakte zelf de hutten schoon en verbond de door lepra weggerotte lichaamsdelen. Hij trad hard op tegen drankmisbruik en bond de strijd aan tegen de, in zijn ogen, verregaande zedenverwildering in Batavia. Peerke Donders zorgde voor doodskisten - begrafenissen waren aan de orde van de dag - en ging zelfs zover zijn eigen kleding en eten aan de meest hulpbehoevende zieken uit te delen. Hij werd door vriend en vijand als een heilige beschouwd. De activiteiten van Donders, die door het thuisfront nauwlettend werden gevolgd, bezorgden hem de erenaam 'Apostel der melaatsen'.

Peerke Donders werd als kind bij slecht weer door zijn vader in een jutezak op de rug van school naar huis gebracht, omdat men vreesde voor zijn zwakke gezondheid. Later werd hij om dezelfde reden tot vijf maal toe voor militaire dienst afgekeurd. In werkelijkheid moet hij echter over een ijzersterk gestel hebben beschikt. Hij vastte driemaal in de week en at verder weinig. Iedere avond geselde hij zich tot bloedens toe, waarna hij de gewoonte had om op de houten vloer te slapen. Als hij al sliep, want vaak bleef hij 's nachts op om in de kerk of op het kerkhof te bidden. Met uitzondering van een aanval van gele koorts, in 1851, die hij tenauwernood overleefde, was de man die altijd door zieken werd omringd zelf nooit ziek.

In 1867 trad Peerke Donders toe tot de congregatie van de redemptoristen, die het missiegebied Suriname toegewezen had gekregen, met het doel een einde te maken aan het voortdurende priestertekort. De priester, die dertig jaar eerder door dezelfde congregatie de deur was gewezen en die nu de roep van heiligheid bezat, werd ditmaal met open armen ontvangen.

In zijn bekeringsdrift was Peerke Donders onstuitbaar. Tot op hoge leeftijd ondernam hij vanuit Batavia nog vele tochten over de Surinaamse rivieren, op zoek naar Indianen en Bosnegers, die hij het katholieke geloof wilde brengen. Soms vielen midden in de Surinaamse oerwouden de klanken van het orgeltje van Peerke Donders te beluisteren. Hij nam het steeds mee op zijn boottochten, omdat het altijd volk trok.

Een korte, pijnlijke ziekte - een nierontsteking die onvoldoende werd behandeld - zou hem noodlottig worden. Op vrijdag 14 januari 1887 overleed Peerke Donders, in het melaatsenoord waar hij meer dan 27 jaar had geleefd. Hij werd 77 jaar oud. De volgende dag werd hij op het kerkhof van Batavia begraven. In 1900 werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en overgebracht naar de kathedraal van Paramaribo.

Het geboortehuisje van Peerke Donders aan De Heikant in Tilburg dat in 1931 werd herbouwd, ontwikkelde zich tot een bedevaartplaats voor veel Nederlandse en Surinaamse mensen. Op 23 mei 1982 werd Peerke Donders door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.


Bronnen

• J.L.F. Dankelman CssR., Peerke Donders. Schering en inslag van zijn leven, Hilversum 1982
• N. Govers CssR., Leven van den eerbiedwaardigen dienaar Gods Petrus Donders CssR., Venlo 1915
• N. Govers CssR., Vijfenveertig jaren onder de tropenzon. Leven van den eerbiedwaardigen Petrus Donders CssR. apostel der indianen en melaatsen in Suriname, Heerlen 1946
• J. Kronenburg CssR., De eerbiedwaardige dienaar Gods Petrus Donders CssR., Tilburg 1925
• Ben Rademaker CssR., Petrus Donders. Pelgrimage naar een melaatsendorp, Bussum 1956
Twee missionarissen onder de Melaatschen en Indianen van Suriname, (P. Donders en J.B. Romme), Roermond z.j. (1894)


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: J.A.C.M. van Kempen

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon