Pater Jan van Doormaal (1911-1996)

verzetsman en landbouwkundige

Johannes Cornelis Antonius van Doormaal werd als zoon van Cornelis van Doormaal en Johanna Delft op 24 juli 1911 in Tilburg geboren. In september 1923 trad hij in in de congregatie van de paters SVD (Societas Verbi Divini; Gezelschap van het Goddelijk Woord) en op 18 augustus 1935 werd hij priester gewijd. Jan van Doormaal overleed op 24 december 1996 te Teteringen.

Het gezin Van Doormaal verhuisde in 1919 van Tilburg naar Udenhout, waar vader een groentekwekerij begon. Het was hard werken en spaarzaam leven. Met kapelaan Moren richtte vader Van Doormaal een coöperatie op voor groentekwekers. De grondgedachte achter deze coöperatie, 'Eendracht maakt Macht', zou Jan van Doormaal in zijn later werk inspireren.

In september 1923 ging hij naar het Missiehuis St. Willibrord van de paters SVD te Uden om missionaris te worden. Deze keuze viel niet meteen in goede aarde, omdat zijn ouders hadden gehoopt dat hij later het bedrijf zou overnemen, maar na enige tijd legden zij hun zoon niets meer in de weg. Hij doorliep in Uden het gymnasium en in die tijd had hij veel contact met de prefect van de school die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk dienst had gedaan als lazaret-soldaat. Door diens verhalen kreeg Jan een aversie tegen alles wat met oorlog te maken had. Na het gymnasium volgde het noviciaat. Hij ging filosofie studeren in het missiehuis St. Lambertus te Helvoirt. Daarna ging hij naar het Missiehuis St. Fransiscus Xaverius te Teteringen voor zijn theologische studies. Hier hield hij zich ook bezig met aanleg en onderhoud van de tuinen. Na zijn priesterwijding benoemden zijn oversten hem voor de missie in Nederlands-Indië. Daartoe kreeg hij een, zeker voor die tijd, wel heel speciale opdracht: hij moest gaan studeren aan de Landbouwhogeschool, de tegenwoordige Universiteit van Wageningen.

Als voorbereiding op zijn agrarische studie bracht hij de zomervakantie door in St. Wendel in Saarland waar de SVD-congregatie een groot landbouwbedrijf had. Daar zag hij hoe de Duitse oorlogsmachine op gang kwam. De Duitse overheid eiste de landbouwgronden van de boerderij op om er militaire oefeningen te houden. Ook werd Jan van Doormaal hier geconfronteerd met de eerste berichten over de concentratiekampen en zo werd zijn negatieve beeld van oorlogvoering versterkt.

Tijdens zijn studie in Wageningen verbleef hij in het SVD-klooster te Merkelbeek, waar hij in aanraking kwam met Titus Brandsma die hoogleraar was aan de Katholieke Universiteit Nijmegen en adviseur van de Katholieke Journalistenvereniging. In die functie zou hij de katholieke pers waarschuwen tegen het verspreiden van nazi-propaganda. Daarom werd hij in het concentratiekamp Dachau gevangengezet waar hij in 1942 omkwam. Brandsma gaf in Merkelbeek cursussen en die maakten zo'n diepe indruk op Jan van Doormaal dat ze zijn leven lang een inspiratiebron vormden. Toen hij in 1941 afstudeerde als ingenieur in de koloniale landbouw, was hij al betrokken geraakt bij het verzet tegen de Duitse bezetting. Onder het pseudoniem 'Holleman' regelde hij onderduikadressen en distributiebonnen voor Joden. Doordat hij in het kader van zijn studie veel reisde, kon hij ook als contactpersoon goed werk doen. Op 7 mei 1944 werd hij echter verraden door Christiaan Lindemans (alias King Kong). Lindemans was aanvankelijk een verdienstelijk verzetsstrijder, maar had zich later omdat hij zich tekortgedaan voelde, als dubbelspion ontpopt. Door zijn toedoen kwamen veel verzetsmensen in kampen terecht. Jan van Doormaal was een van hen. Hij werd door King Kong naar Rotterdam gelokt en bij aankomst op het station werd hij door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Een maand bracht hij door in de gevangenis in Scheveningen, in dezelfde cel waarin Titus Brandsma gevangen had gezeten. Via Vught werd hij naar het concentratiekamp Oranienburg (Sachsenhausen) en het werkkamp Rathenau overgebracht. Hier kon Van Doormaal als priester voor zijn medegevangenen veel betekenen. In april 1945 werd hij met vele anderen door de Russen bevrijd. Op 3 juni 1945 keerde hij terug in Udenhout en reeds op 29 oktober 1945 promoveerde hij tot doctor in de landbouwkunde op het proefschrift Onderzoekingen betreffende de lössgronden van Zuid-Limburg.

Al op 15 november 1945 vertrok Jan van Doormaal als eerste luitenant naar de Kleine Soenda-eilanden. Indonesië had toen al de onafhankelijkheid uitgeroepen, maar de Nederlandse regering geloofde nog in het behoud van Nederlands-Indië. Er werden vier centra aangewezen van waaruit een voorlopige organisatie in dit gebiedsdeel orde op zaken zou stellen. Hiervoor kregen vrijwilligers, meestal afkomstig uit het verzet, in Engeland een militaire training om vervolgens naar Nederlands-Indië uitgezonden te worden. Zo vertrok ook Jan van Doormaal via Engeland naar Indië. In Nederlands-Indië werden in die periode geen missionarissen toegelaten; als militair had Van Doormaal een dekmantel om toch het land binnen te komen. Zo vertrok Jan van Doormaal dus - als militair maar zonder militaire bedoelingen - via Engeland naar Indië. Daar aangekomen ontdeed hij zich van zijn militaire kleding en voer naar Flores. In Engeland had hij twee belangrijke geestelijke ontwikkelingen doorgemaakt: de verwerking van zijn kampsyndroom en ook was hij anders over het christendom gaan denken. Hierdoor veranderde ook zijn visie op zijn toekomstig missiewerk. Het bekeren van de 'heidenen' was aanvankelijk zijn eerste prioriteit geweest. Maar nu zag hij in dat het missiewerk wellicht meer vruchten zou kunnen gaan afwerpen door de mensen te helpen met hun zorgen om het dagelijkse bestaan. Zo werd Jan van Doormaal een van de pioniers van het ontwikkelingswerk.

Hij begon zijn werkzaamheden als landbouwconsulent op Flores in Ende en vervolgens - tot 1948 - in Kupang. Deze functie stelde hem uitstekend in staat om zijn wijze van missioneren in praktijk te brengen. De jonge pater was onthutst door de deplorabele toestand op het eiland waar honger heerste, waar veel grond nog niet in cultuur was gebracht en waar de mensen de meest elementaire zaken misten. Het motiveerde hem alles in het werk te stellen om op de eerste plaats de leefomstandigheden van de plaatselijke bevolking te verbeteren. Hij zorgde ervoor dat de bevolking rijst toegewezen kreeg en zo slaagde hij er zelfs in met de moslims contacten te leggen. Hij verbeterde het voedingspatroon van de bevolking door de avocadoboom op Flores te introduceren. De voedzame avocado is tegenwoordig het belangrijkste exportproduct van het eiland. In de omgeving van Ende liet hij een vruchtentuin met cacao- en koffieplantage aanleggen, die ook nu nog van groot belang is voor heel Flores. Zijn werk breidde zich uit tot andere eilanden zoals Sumbawa en Sumba. Op Timor initieerde hij de aanleg van rijstvelden. In zijn enthousiasme ging hij zo ver dat hij uit eigen zak studiebeurzen financierde voor jongens die landbouw wilden gaan studeren. Dat dit succes had, blijkt onder meer uit het feit dat terwijl er in 1946 nog nauwelijks jongelui uit de plaatselijke bevolking geschoold waren, de universiteit in Kupang in 1979 5000 studenten telde.

In 1949 werd Jan van Doormaal benoemd tot econoom van zijn congregatie in Ndona. In de daarop volgende jaren werden hem allerlei belangrijke taken toevertrouwd: eerst rector te Ende, van 1954 tot 1959 vice-provinciaal en van 1959 tot 1963 regionaal econoom. In deze periode bevorderde hij vooral het technisch en hoger onderwijs, waarbij vooral het verwerven van de benodigde financiën veel vindingrijkheid vereiste. Van de 150 aanwezige priesters op Flores genoten er namelijk maar 7 of 8 een regeringssalaris. Het meeste werk moest via acties en donaties uit het moederland bekostigd worden of bijvoorbeeld door zelf voedsel te verbouwen. Met een minimum aan middelen moest een maximum aan resultaten bereikt worden.

In 1955 kwam Van Doormaal voor vakantie naar Nederland terug. Destijds hadden missionarissen recht op één vakantie in de tien jaar. Hij was duidelijk aan vakantie toe, voortdurend had hij maagklachten. Hiervoor werd hij in Nederland behandeld, maar ook tijdens zijn vakantie bleef hij aan het werk. Hij bracht zes weken door bij de Wereldvoedselorganisatie FAO in Rome, waar hij een lans brak voor de avocadocultuur. Ook vertaalde hij Getting agriculture moving, een handboek over landbouw in ontwikkelingslanden, vanuit het Engels in het Indonesisch.

Na terugkomst op Flores ontwikkelde hij vooral de kruidnagelcultuur en droogte-resistente voedergewassen. In 1958 werd hij regionaal procureur en was als zodanig leidinggevend missionaris en contactpersoon met de missieprocuur in Nederland. Ook trainde hij lokale onderwijzers. In 1963 werd hij vrijgesteld ten behoeve van de ontwikkelingsprojecten van de Duitse ontwikkelingsorganisatie Miserior. Deze projecten werden door de Duitse regering gefinancierd. Hij reisde naar de Filippijnen en Hong Kong om te kijken hoe daar projecten van de grond kwamen die de kleine agrariërs in staat stelden een goed bestaan op te bouwen, onafhankelijk van de grootgrondbezitters.

De eerste drie jaar startte men al met 357 projecten op het gebied van landbouw en visserij, verbetering woningbouw, gezondheidszorg, onderwijs, vervoer, organisatie en personeel. Het was zaak het geld snel te besteden vanwege de inflatie die destijds zeer hoog was. Door zijn grote slagvaardigheid en wilskracht wist Jan van Doormaal veel te bereiken en hij ontwikkelde zich, zonder een specifieke studie in die richting, tot een gerespecteerd econoom.

Maar op den duur eisten de inspanningen hun tol. Eind 1966 kreeg hij een inzinking, maar na een week of zes pakte hij de draad alweer op. Het werk bleef veel van hem eisen, omdat de Duitse financiers in het verre Europa vaak anders over de ontwikkeling en verdere invulling van de projecten dachten dan Van Doormaal en zijn medewerkers. Op 13 augustus 1972 moest hij om gezondheidsredenen voorgoed naar Nederland terugkeren. Een jaar later, in juli 1973, werd hij getroffen door een hersenbloeding. Het herstel vergde veel tijd, maar met een ijzeren discipline kwam hij weer bovenop. Van juli 1975 tot ongeveer 1981 was hij werkzaam op de missieprocuur in Teteringen. Hierdoor bleef zijn band met Flores en Timor bestaan. Vanwege de vergrijzing van de congregatie werd in 1972 besloten het Missiehuis St. Franciscus Xaverius te Teteringen te laten verbouwen tot een bejaardencentrum, genaamd Zuiderhout. Hier nam Jan van Doormaal op 15 juni 1981 zijn intrek. Tot aan zijn dood mocht hij daar leven en werken. Hij las en correspondeerde veel en haalde graag herinneringen op aan zijn missietijd. In 1995 was hij nog op uitnodiging van de Duitse regering in Berlijn als eregast aanwezig bij de herdenkingen van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Daags voor Kerstmis 1996 overleed hij.


Bronnen

• Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Archief Kommissie Memoires, Interview 129: Jan van Doormaal
• Interviews met pater J. van Doormaal door C. Sweep op 13 mei, 17 mei en 5 juni 1995
• H. Herluer en G. Prinsen, 'Titus Brandsma', in: Katholieke Informatie, december 1985
• G. Poorter, Verzetspioniers, Wim Burger en Loek Verstrijden, vrienden tot in de dood, Deventer 1995
• J. Israëls, Oorlogstijd in Valkenswaard, Valkenswaard z.j.
• 'Britse en Nederlandse troepen op Java geland', in: Nieuwe Haagse Courant, 1 oktober 1945
• Toespraak Antoon J. Verschuur SVD, Provinciaal, Teteringen 30 december 1996


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Ad Maas en Corrie Sweep

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon