Zuster Marie Joseph van der Eerden (1883-1968)

stimulator van het nijverheidsonderwijs

Maria Wilhelmina Louisa Johanna van der Eerden werd op 14 juni 1883 te Boxtel geboren als dochter van Alphonsus van der Eerden en Maria Anna Johanna Bussing. Zij overleed te Veghel op 2 december 1968.

Louise groeide op te Boxtel, waar haar vader een damast-, linnen-en pellenfabriek en een wasserij had. Zij was de oudste van zes kinderen, drie meisjes en drie jongens. Na het doorlopen van de lagere school volgde ze twee jaar vormend onderwijs in het pensionaat Mariënbosch te Nijmegen. Op 8 september 1904 trad zij toe tot de Congregatie van de zusters Franciscanessen van de Onbevlekte Ontvangenis der H. Moeder Gods te Veghel, waar ze op 10 september 1906 als zuster Marie Joseph haar eeuwige gelofte aflegde. Haar ouders hadden haar liever elders zien intreden, maar zij koos uitdrukkelijk voor deze congregatie, op grond van de overweging dat deze vooruitstrevend was en geen standsverschillen kende. Marie Joseph behield er haar charme en ontplooide er haar rijkdom aan talenten. Tegelijk bleef zij zich zeer verbonden voelen met haar familie.

Na haar intrede volgde zij in Veghel de kweekschool, behaalde het onderwijzersdiploma en de hoofdakte, en vervolgens, terwijl zij een vol rooster als docente aan de kweekschool had, via studie aan de Katholieke Leergangen te Tilburg de m.o.-akten Engels (A en B) en geschiedenis. Op de Veghelse kweekschool was zij een zeer geliefde en geziene docente, die bijvoorbeeld haar kennis van de politiek verwerkte in boeiende geschiedenislessen. Behalve geschiedenis doceerde zij ook Nederlands, opvoedkunde, Engels en biologie. Ook op het gebied van culturele vorming had menigeen veel aan haar te danken. Zelfs de Veghelse gemeenschap profiteerde van de revues en toneelstukken, door haar geschreven en geregisseerd en op de planken gebracht door haar leerlingen.

Geen wonder dat men niet stond te juichen, toen de algemene overste zuster Marie Joseph in 1925 gelastte de taak van secretaresse op zich te nemen van de Eerste Nederlandsche R.-K. Vereeniging van Modevakscholen, gevestigd te Utrecht. Deze vereniging verkeerde, een jaar na oprichting, in financiële problemen. Niet van harte, maar wel met al de energie, haar eigen, aanvaardde ze die taak; zij bleef overigens lesgeven aan de kweekschool, tot 1953. Met haar kundigheden en organisatietalent bleek zij al gauw de ware Joseph. Men vroeg haar dan ook, nog in 1925, de algehele leiding op zich te nemen. Op de achtergrond blijvend, nam zij de touwtjes in handen.

De vereniging, herdoopt tot Sint-Anna, R.-K. Vereeniging tot bevordering van industrie- en huishoudonderwijs voor meisjes, wilde vertakkingen over het hele land. Hierbij pleitte zuster Marie Joseph vooral voor het belang van meisjes die niet voldoende vooropleiding hadden om een vakcursus te volgen en van de gezinnen waaruit ze afkomstig waren. Naast knippen, naaien en verstellen zouden ook nieuwe vakken als wasbehandeling en warenkennis onderwezen moeten worden. De zusters in de Choorstraat boden onderdak aan.

Met wijs beleid begon zij te reorganiseren en te zoeken naar stabiliteit. Zij ondervond veel steun van de rijksinpectrice mevrouw M.E. Leliman-Bosch. Deze stemde bijvoorbeeld in met het concentreren van de lessen op vrijdag en zaterdag. De onderwijzende zusters hoefden dan niet lang uit het klooster. Zelf ging zuster Marie Joseph in Den Bosch wonen, buiten het klooster, in die jaren een bijzonderheid.

Er werd contact gezocht met examinatrices om de onderwijzeressen bij te scholen. Later werd een heel nieuwe constructie uitgewerkt voor de leerjaren 7 en 8 van de lagere scholen. Vanaf het begin was ook mgr. dr P.J.M. van Gils, voorzitter van de R.-K. Schoolraad, haar vaderlijke beschermer. Hij wees haar de weg en gaf wijze raad. Als het nodig was ging ze op audiëntie bij de bisschop en andere hoogheden. Leraressen stelden leerboeken samen. Sint-Anna werd spoedig een garantie voor kwaliteit. Daar een diploma halen was niet mis. Na 1929 stonden daar indrukwekkende handtekeningen op van rijksgecommitteerden en de voorzitter van de R.-K. Schoolraad.

Zuster Marie Joseph kreeg meestal de zaken voor elkaar zoals zij het wilde. Als iemand haar vroeg waarom ze al dat werk deed, antwoordde ze met haar lijfspreuk: 'Omdat God niemand nodig heeft'. Haar levenswerk was Sint-Anna, maar haar eigenlijke opdracht was religieuze zijn. Ze was hard voor zichzelf en hield zich bij al haar werk strikt aan de regels van haar congregatie.

De meer dan gewone inspanning en vaak te geringe nachtrust deden haar gezondheid geen goed. Jarenlang stelde ze een operatie uit, 'bang om dood te gaan'. Haar radicale aanpak viel niet altijd goed. Instanties waar men bureaucratisch te werk ging, maakten haar attent op de geldende wetten; er werd zelfs gedreigd met opheffing van de scholen. Lange tijd bestond er een controverse tussen het gesubsidieerde nijverheidsonderwijs en Sint-Anna. Zuster Marie Joseph wees erop, dat het niet-gesubsidieerde onderwijs al jaren bestond voordat het nijverheidsonderwijs in 1919 wettelijk geregeld werd. Ze hield gloedvolle pleidooien voor erkenning van 'haar' onderwijs, en bracht daarbij zelfs eens demonstratiemateriaal mee, 'Roomse rommel', die het echter glansrijk won van handwerk van gesubsidieerde scholen. Ze had vele vrienden en bewonderaars, maar ook tegenstanders zwichtten vaak voor haar wijsheid, humor en uitstraling.

Maar niet alles lukte haar. Sinds 1926 gaf Sint-Anna het vakblad Ons blad uit, een modeblad met patronen voor boven- en onderkleding. De redactie bestond grotendeels uit zusters en hun zal zeker geen onzedigheid kunnen worden verweten. Toch stoorden de heren geestelijken zich aan getoonde modellen: rokken werden te kort bevonden, halzen te laag. Zij gingen klagen bij aartsbisschop mgr. H. van de Wetering. Deze besliste in 1942 dat Ons blad niet meer mocht verschijnen, en bleef bij dit besluit, ook toen de bisschop van Den Bosch, de directeur van het R.-K. Centraal Bureau voor Onderwijs en Opvoeding en de voorzitter van de Nederlandse R.-K. Schoolraad zuster Marie Joseph in haar bezwaar steunden.

In de oorlog werd het gebouw van Sint-Anna in Den Bosch, Hinthamerstraat 100, door de Duitsers gevorderd. Na de bevrijding stond zuster Marie Joseph al snel op de stoep van de minister, en het duurde niet lang of er konden weer lessen gegeven worden. Het ideaal: vertakkingen over het hele land, werd verwezenlijkt. Na 1945 kon op 180 VGLO-scholen en 508 modevakscholen het diploma 'Sint-Anna' gehaald worden. Ook in Indonesië en Suriname werden de examens afgenomen.Tot op zeer hoge leeftijd heeft zuster Marie Joseph zich met hart en ziel ingezet. Nog altijd jong van geest en bijdehand was zij de 'moeder' van de Katholieke Kaderschool voor de Confectie. Er werd contact gezocht, en gevonden, met het bedrijfsleven.

Haar kijk op mode en haar mening dat een kloosterlinge een vrouw is en blijft, uitte zich in haar betrokkenheid, tussen al haar werk door, bij het ontwerpen van een nieuw kloosterkleed, in 1956, waarvoor Dom van der Laan, benedictijn en architekt, het kleuradvies gaf. Om haar verdiensten in het sociale leven werd zij op 30 april 1951 benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau.


Bronnen

• Rijksarchief in Noord-Brabant
• Archief Sint-Anna
• A.M. Lauret, Per Imperatief Mandaat, Tilburg 1967


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: H. Amoureus en J. de Vries

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon