Manus Evers (1903-1981)

beeldhouwer

Herman Jozef Aloijsius Maria Evers werd op 13 mei 1903 te Tilburg geboren. Hij was het derde kind van Hubert Evers en Cornelia Hollanders. Na de Tweede Wereldoorlog vestigde hij zich te Mill. Daar is Manus (zoals hij meestal genoemd werd) Evers op 2 oktober 1981 overleden.

Zijn vader, Hubert Evers, was rijtuigschilder. Hij was een enthousiast amateur-tekenaar en -schilder en speelde viool in muziekensembles. Van hem lijkt Manus zijn kunstzinnig talent te hebben gekregen. Manus bezocht, waarschijnlijk als eerste in de familie, een middelbare school en wel het nog jonge Sint-Odulphuslyceum in Tilburg. Daar maakte hij dr. P.C. de Brouwer mee als rector en als inspirerend priester-leidsman. Een andere leraar was Frans Siemer, priester en middelpunt van een kring van studenten. Hij leerde er leeftijdgenoten kennen met wie hij tientallen jaren contact heeft gehouden, zoals de broers en zusters Bedaux. In 1923 slaagde hij op het Odulphus voor het diploma gymnasium alfa.

Vervolgens werd hij een van de eerste studenten-beeldhouwen van de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten, ondanks de klinkende benaming een nog bescheiden onderdeel van de R.K. Leergangen. Deze waren sinds 1918 in Tilburg gevestigd. De academiedocent beeldhouwen was Gérard Bourgonjon, zwager van dr. Hendrik Moller, de rector en grote drijfkracht van de Leergangen. Manus was ook actief in Sint Leonardus, de studentenvereniging van de Leergangen. Deze vereniging was een ontmoetingsplaats voor de katholieke jongeren die streefden naar het wegwerken van de culturele achterstand die de Nederlandse katholieken destijds hadden. Waarschijnlijk behaalde hij in 1926 het academiediploma beeldhouwen. Hij noemde zich sindsdien steeds 'beeldhouwer'.

Hij zette zijn opleiding voort aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen en vestigde zich in 1928 in de Antwerpse voorstad Deurne. Het is niet helemaal duidelijk wanneer Manus Evers terugkeerde naar Tilburg, maar het staat vast dat hij in 1933 daar bij zijn oudere zuster ging inwonen. Manus verwierf bekendheid als beeldhouwer en kreeg geleidelijk aan meer opdrachten. Vanaf 1933 bouwde het Brabants Studentengilde (BSG) tijdens zijn zomerkamp telkens een kapelletje en Manus leverde enkele malen het beeld dat erin werd geplaatst. Dat was het geval in Huijbergen (1933), Oirschot (1934) Bergeijk (1935) en Someren (1939). Ongetwijfeld speelde zijn vriendschap met de familie Bedaux hierbij een rol; Jo Bedaux was namelijk de architect van deze kapellen, terwijl de bouw bij vader Bedaux, die aannemer was, werd voorbereid. In 1934 maakte Manus een monumentaal beeld voor het fraterhuis Petrus Donders te Tilburg. Eervol was de uitverkiezing door de vooraanstaande architect prof. ir. M. Granpré Molière, van Evers' voorstel voor het Sint-Odabeeld in een kapel te Sint-Oedenrode die door deze architect was ontworpen. Dit beeld, uit 1934, is een van Evers' grotere werken geworden.

Manus Evers raakte betrokken bij de beweging Brabantia Nostra. Deze wilde erkenning en waardering bereiken voor het eigene van Noord-Brabant en een forum zijn voor regionale kunstbeoefening. De beweging zag het katholicisme als een wezenlijk kenmerk van het karakter van Noord-Brabant en wilde hier uiting aan geven. Dat gebeurde onder meer met een actie om aan de Noord-Brabantse kant van de Moerdijkbrug, die in 1936 geopend was, een Mariakapel op te richten. In 1939 werd de kapel ingezegend, waarin een groot beeld van Maria-met-Kind gemaakt door Manus Evers was geplaatst. In hetzelfde jaar kwam zijn Mariabeeld gereed dat vervaardigd werd ter gelegenheid van het veertigjarig priesterjubileum van P.C. de Brouwer. Het werd geplaatst aan de Ringbaan Zuid te Tilburg.

In die jaren dertig leek het, te oordelen naar de verhalen van tijdgenoten, dat Manus zijn studentenleven min of meer voortzette, nu als scheppend kunstenaar. In zijn woning annex atelier was het vaak een chaos. Hij at graag mee bij anderen, ook om kosten te sparen. Hij nodigde jonge vrouwen uit om als model te poseren, maar ook om te helpen opruimen. Bij zijn oude leraar Siemer ontmoette hij elke vrijdag zijn vrienden, van wie er veel werkzaam waren als beeldend kunstenaar. Hij vervaardigde in deze periode tientallen werken: grote en kleine religieuze beelden, maar ook portretkoppen en monumentale beeldhouwwerken.

In 1939 leerde Manus een vrouw kennen die veel jonger was dan hij: Anna Debora Mandaat, haar roepnaam luidde Chérie of Cherry. Ze was in 1922 geboren in het Belgische Brasschaat. Wellicht was zij een leerling van hem of een model. Hij had inmiddels een atelier betrokken aan de Willem II-straat in Tilburg en dat ging nu ook als hun woning dienen.

Chérie Mandaat was van joodse afkomst. Om haar meer bescherming te bieden tijdens de Duitse bezetting, trouwde Manus Evers op 25 november 1940 te Tilburg met haar 'voor de wet'. Ze hebben dit overigens nooit aan anderen verteld. Later doken Manus en Chérie onder op diverse adressen te Tilburg en Antwerpen en ook elders. De beeldhouwer raakte zijn atelier met al zijn gereedschappen en materialen kwijt.

In 1945 betrok Manus met Chérie woon- en atelierruimte in het leegstaande en onderkomen kasteel Aldendriel te Mill. Waarom ze daar gingen wonen, is niet duidelijk, maar wel blijkt dat Manus zijn praktijk als beeldend kunstenaar, die gedurende de oorlog had stilgelegen, weer wilde opnemen. In de tijd van wederopbouw na de oorlog werden er veel opdrachten gegeven aan beeldend kunstenaars. Manus verwierf in september 1946 de opdracht tot het vervaardigen van nieuwe kruiswegstaties voor het Processiepark te Handel.

In 1947 maakte Evers een beeld dat herinnert aan het succesvolle volksspel Bosch' Marieke, dat in de Bossche binnenstad een aantal jaren met groot succes door amateur-spelers is opgevoerd. Het beeld, herplaatst aan het pand St.Jorisstraat 131, biedt een krachtig reliëf en verschillende typisch naoorlogse stijlelementen zoals de banderol. In 1948 vervaardigde Evers bij een jubileum een bronzen plaquette van de directeuren van Van Hout's houtfabriek, een belangrijke werkgever in Mill.

De uitvoering van de kruiswegstaties vond ondertussen weinig voortgang. Het werk vorderde langzaam en Evers kreeg onenigheid met de nieuwe pastoor. Dat de kwestie een slepende affaire werd, had veel te maken met een dramatische gebeurtenis in Evers' leven. In 1947 verliet Chérie hem voor de jonge kunstschilder Kees van den Berg. Manus Evers heeft hierover jarenlang getreurd en hij bleef hopen op de terugkeer van zijn vrouw. De ruzies over de staties, het weggaan van zijn vrouw en financiële problemen leidden bij Evers tot neerslachtigheid - we zouden nu van een depressie spreken -, ziekte en een artistieke 'verlamming'. Hij kreeg ontwerpen niet meer voltooid. Het ontbreken van een huishoudelijke hand speelde hem ook parten.

In 1952 was de Brabantse fotograaf Martien Coppens op Aldendriel. Hij maakte fraaie foto's van de ontwerpen voor de kruisweg en van Manus zelf. Pas in 1957 en '58 kwamen nog twee staties gereed. De overige staties kwamen niet meer af. Evers maakte nog wel enkele kleinere werken, onder andere een wapensteen voor het nieuwe raadhuis van de gemeente Mill en Sint Hubert (1969). Wellicht is toen ook het mooie beeldje in roodbakkende klei van Sint Willibrord ontstaan, dat thans in de hal van datzelfde gemeentehuis staat opgesteld.

Eind 1962 verliet Evers huis Aldendriel en kwam te wonen in een voormalig café aan de Oude Langenboomseweg te Mill. De overgebleven steenblokken voor de kruiswegstaties werden weggehaald.

De vrijgezel Manus Evers zocht graag anderen op. Hij werd een bekende verschijning in het dorp en hielp onder meer bij het maken van koppen voor de carnavalsoptocht. Later restaureerde hij samen met de schilder Bastiaans de grote figuren van de kerststal van Mill.

Sinds 1973 had Manus Evers de beschikking over een bejaardenwoning. Daar overleed hij op 2 oktober 1981; hij is 78 jaar oud geworden.

De artistieke betekenis van beeldhouwer Manus Evers ligt vooral in zijn bijdragen aan de religieuze en monumentale kunst van vóór de Tweede Wereldoorlog in het zich emanciperend Noord-Brabant. Zijn beelden van Maria-en-Kind en andere heiligen vormen een vernieuwende stap, weg van de starre iconografie van verhevenheid en vaste herkenningselementen. Zijn figuren zijn natuurlijker en zwieriger; hij zoekt naar originele oplossingen voor de verhouding tussen Maria en het kind Jezus. Na de oorlog bereikte Evers in zijn werk over het algemeen niet meer de innigheid van voordien. Hij heeft ook een aantal interessante portretkoppen gemaakt, onder andere van dr. P.C. de Brouwer, die meer aandacht verdienen. Een catalogus van zijn werk wordt opgesteld.


Bronnen
• Interviews met tijdgenoten, families Evers, Willems, Van den Berg en Bedaux
• Archieven: academies te Tilburg en Antwerpen, Brabantia Nostra, bisdom Den Bosch, par. Handel
• P.E.M.J. Jacobs, Beeldend Nederland, Tilburg 2000
• J.L.G. van Oudheusden, Brabantia Nostra. Een gewestelijke beweging voor fierheid en 'schoner' leven 1935 - 1951, Tilburg 1990
• J. Naaijkens, Leer ze me kennen… de Brabanders, Leiden 1967
• P. van de Sande, Kunst onderweg. 166 kunstwerken in Tilburg, Tilburg 1986
• Peter Vermeulen, Langs 's-Heren Wegen. Veldkapellengids voor Noord-Brabant, Eindhoven [1996]


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Ton Pelkmans

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon