Johannes Feylingius (1629-1696)

predikant en publicist

Johannes Feylingius werd in 1629 geboren, vermoedelijk in Schlüchtern in het graafschap Hanau (ten noordoosten van Frankfurt am Main, Duitsland), als oudste zoon van de leraar en predikant Jacobus Feylingius en Elisabeth Roth. Hij huwde op 30 september 1653 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam met Sophia Hendri(ck)x (Brandhout). Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren, waarvan er twee predikant werden. Johannes Feylingius overleed in 1696 en werd in de kerk te Maarheeze begraven.

Johannes Feylingius stamde uit een oud Duits geslacht dat zich oorspronkelijk Feyl(en) noemde en afkomstig was uit Schlüchtern bij Hanau. Zijn grootvader Martin en vader Jacobus waren beiden aanvankelijk leraar, later predikant in die omgeving. Johannes werd geboren toen zijn vader leraar was in het naburige Steinau. Tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) verliet het gezin Feylingius-Roth de geboortestreek om zich - uiteindelijk - definitief in de Nederlandse Republiek te vestigen.

Johannes schreef zich in februari 1648 in als student theologie aan de universiteit te Leiden. In die tijd had hij veel contact met vrienden in Amsterdam, waar hij waarschijnlijk ook zijn latere vrouw heeft leren kennen. Zijn vader Jacobus, op dat moment rector aan de Latijnse School in het Oost-Friese Leer, werd in 1649 beroepen tot eerste predikant van Mierlo en Stiphout. Nauwelijks vier jaar later werd zijn zoon Johannes namens de Prins van Oranje benoemd tot tweede predikant van Budel en Gastel, gelegen in de Baronie van Cranendonck, een bezit van de Oranjes.

Johannes Feylingius was een veelschrijver en hij had dat niet van een vreemde. Zowel zijn vader als zijn grootvader hielden in kerkboeken kroniekachtige aantekeningen bij. Maar Johannes deed meer. Hij publiceerde godsdienstig-literaire werken en verwierf enige bekendheid. Toch was hij op de eerste plaats predikant. Een predikantschap, dat hij in een tijdspanne van ruim veertig jaar vervulde in drie plaatsen in de Meierij, achtereenvolgens te Budel-Gastel (1653-1659), Deurne, Vlierden en Liessel (1659-1664) en ten slotte in Maarheeze en Soerendonk (1664-1696). Feylingius' werkzaamheden als predikant van de Nederduits-gereformeerde kerk, zoals de Nederlands-hervormde kerk toen genoemd werd, werden enerzijds bepaald door het tijdsgewricht van de eerste jaren van de calvinisering van de Meierij. Anderzijds gaf hij een geheel eigen invulling aan het samenleven van rooms-katholieken en protestanten in de streek.

Aanvankelijk ging zijn aandacht namelijk vooral uit naar de op- en uitbouw van zijn eerste Nederduits-gereformeerde gemeente. Dit trachtte hij te bereiken door een strenge handhaving van de kerkelijke tucht. Daartoe bezocht hij met een ouderling voorafgaande aan elke Avondmaalsviering alle lidmaten. Ook nam de kerkenraad op zijn initiatief maatregelen, bijvoorbeeld tegen 'het vloecken en sweeren hier in grooten swangh gaet' waardoor de inwoners van Budel 'tot ons leetwesen alomme sijn vermaert'.

Tot zijn vele aantekeningen in de kerkregisters behoort de in ons land oudst bekende 'kroniek van de dood', waarin Feylingius de laatste uren en het sterven van Budel- en Gastelnaren beschreef. Hieruit blijkt zijn streven naar een goede verstandhouding met de rooms-katholieken. Tekenend voor hem is, dat hij niet alleen gereformeerde gemeenteleden bezocht, maar ook katholieke dorpelingen. Ook de lijkpredikatie, in de geformeerde kerk zeer ongebruikelijk, was naar zijn mening een uitstekende manier om de verdraagzaamheid tussen beide religies te bevorderen. Juist een voorbeeld van onverdraagzaamheid op dat vlak moet hem hebben aangezet tot zijn eerste publicatie of, zoals hij het zelf noemde, de 'eerste vrucht van mijn herssenen'. Het betreft een traktaatje over de dood van zijn vader. Deze werd op zijn sterfbed in Mierlo in 1654 bezocht door de jezuïet Petrus van Brussel die hem tevergeefs tot de roomse moederkerk trachtte te bekeren. Feylingius trok in zijn stuk fel van leer tegen de praktijken van de Mierlose jezuïet. Deze tekst werd in 1656 uitgegeven als bijvoegsel van De Christelijcke Swanen-gesangh, een verhandeling over een bijbeltekst die Johannes' vader twee weken voor zijn dood nog ontleed had. In de twee daaropvolgende jaren publiceerde de Budelse predikant twee door hem uit het Engels vertaalde geschriften van de puriteinse anglicaanse bisschop Joseph Hall (1574-1656). Feylingius had Hall 'meenighmael' gesproken toen hij rond 1652 in Engeland verbleef.

In 1659 werd Feylingius beroepen tot predikant in Deurne, Vlierden en Liessel. De Budelse gemeente liet hem, na een vergeefse poging hem te behouden, met pijn in het hart vertrekken. In Deurne raakte Johannes Feylingius al snel betrokken bij het conflict dat de gereformeerd geworden heer van Deurne, Rogier van Leefdael, en diens vrouw hadden met een aantal inwoners van het dorp. Van Leefdael wilde zich overal laten gelden, ook binnen de gereformeerde kerk, maar Feylingius en vele gemeenteleden verzetten zich hiertegen. De partij van predikant Feylingius werd uiteindelijk tijdens een buitengewone vergadering van de classis Peel- en Kempenland op 9 februari 1662 in het gelijk gesteld. In een dankbrief aan de classis wezen Feylingius' partijgenoten in dit conflict op het goede functioneren van hun predikant, zowel onder gereformeerden als onder rooms-katholieken. Op de geschiedschrijving van H.N. Ouwerling (1861-1932) over deze periode baseerde de bekende Doctor Vlimmen-auteur Anton Roothaert (1896-1967) zijn succesvolle geromantiseerde vertelling Die verkeerde weereldt (1939), waarin ook Feylingius figureert.

De vervelende ervaringen in Deurne hebben Feylingius waarschijnlijk ertoe aangezet snel een nieuwe standplaats te aanvaarden. In 1664 werd hij beroepen tot predikant in Maarheeze-Soerendonk, net als zijn eerste plaats Budel gelegen in de 'Oranjebaronie' van Cranendonck. De gereformeerde gemeente Maarheeze-Soerendonk bestond uit slechts een tiental leden, namelijk het gezin van Feylingius zelf en de gezinnen van de schoolmeester en de vorster (een gerechtsdienaar). Naast deze lidmaten was in de diensten buiten de Avondmaalsvieringen regelmatig een aantal toehoorders aanwezig waaronder, zoals blijkt uit notities van de predikant, diverse katholieken.

De bijzondere wijze waarop Feylingius zijn ambt uitoefende werd regelmatig vermeld in de verslagen van de classicale visitaties. De predikant was, aldus het verslag uit 1685, van een vroom en stichtelijk leven en de gemeente verkeerde in goede eendracht en vrede. Dopen, huwelijken, lidmaten en kerk- en armenrekeningen werden goed geadministreerd. Opvallend was dat Feylingius 'selfs oock de krancken van het Pausdom' bezocht en daar 'een besonder acces' had. Hij was dan ook niet enkel gezien bij zijn gemeenteleden, maar ook 'selfs' bij de rooms-katholieken. Tot zijn spijt moest Feylingius in de periode na de Franse inval van 1672 met lede ogen aanzien hoe de 'paepen', zoals rondtrekkende monniken en een roomse schoolmeester, de verhoudingen weer vertroebelden.

Het 32-jarige predikantschap in het overigens rustige Maarheeze stelde Feylingius ook in staat om zich verder te bekwamen in het publiceren van stichtelijke boeken maar ook van werken met een meer literair karakter. In deze periode gaf hij onder andere Twee Hemelen Te gelijk, met den Weg tot deselve uit, evenals De Macrocosmus, en Microcosmus, Ofte De Wonderen van de Groote en Kleyne Werelt, beiden in 1665. Tien jaar later publiceerde hij een lofzang op de uittocht van de Nederlandse zeemacht onder leiding van Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp gedurende de Derde Engelse Oorlog (1672-1674). Zijn bekendste werk is echter een verzameling gedichten en geestelijke liederen dat onder de hoofdtitel Het Bloem-hofje der Gedighten in 1683 het licht zag. Feylingius schreef deze 'sinne-beelden' voor een deel in de stijl van Jacob Cats (1577-1660), maar bereikte niet de kwaliteit van deze bekende dichter. Toch blijven veel van zijn gedichten zeer lezenswaardig. Als één van de onderdelen van dit werk voegde Feylingius ook enige 'Geestelicke Liedekens' toe. Deze liederen pasten geheel in het vroomheidsoffensief binnen de toenmalige calvinistische kerk en waren bedoeld om het zedenbederf tegen te gaan. In het Bloem-hofje werd postuum een lofwoord op de auteur opgenomen van de hand van de bekende Haagse predikant Simon Simonides (1629-1675): 'Feylingi, waerde vriend, van hoogen geest beseten (…) Spreeckt door een braeve Pen, en Schrijf en queel soo voort, Dat al het Land den galm van uwen Cijther hoort, Te eedel om in 't sandt van Cranendonck te smooren'. Feylingius werd begraven in de Oude Kerk van Maarheeze, die in 1911 is gesloopt.

De handschriften en boeken zijn de weinige zaken die ons nog resten van Johannes Feylingius, de predikant-publicist die in kleine Meierijse dorpsgemeenschappen als dienaar des woords fungeerde en die desondanks of misschien wel daardoor als schrijver van godsdienstig-literaire werken ver buiten zijn werkgebied contacten had en enige naam maakte.


Bronnen

• J.G.M. Biemans '"De reformatie, die hier eenen goeden voortganck genomen heeft". Predikanten in de Baronie van Cranendonck, ca. 1648-1672' in: J.A.F.M. van Oudheusden e.a. (red.), Ziel en zaligheid in Noord-Brabant. Vijfde verzameling bijdragen van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis, Delft 1993, 178-206
• Jac. Biemans, 'Een zeventiende-eeuwse kroniek van de dood uit Budel', Brabants Heem 47 (1995) 18-23
• A. de Groot, 'Feylingius, Johannes', in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme deel 4, Kampen 1998, 132-133
• C.S. Smit, 'Feylingius', Genealogisch Tijdschrift voor Oost-Brabant 4 (1989), 12-13
• Els Stronks, Stichten of schitteren. De poëzie van zeventiende-eeuwse gereformeerde predikanten, Houten 1996


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Jac. Biemans

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon