Petrus van Gilse (1819-1905)

bestuurder, ondernemer en katholiek emancipator

Petrus Adrianus Gerardus van Gilse werd op 9 augustus 1819 te Roosendaal geboren als tweede zoon van Johannes Petrus van Gilse, burgemeester van Roosendaal en Nispen, en Christina Adriana Nieuwenboers, grootgrondbezitster en dochter van een drossaard. Hij huwde op 9 augustus 1854 te Roosendaal met Francisca Joanna Allegonda Janssens, aldaar op 12 november 1831 geboren als dochter van Dominicus Adrianus Janssens, medicinae doctor, en Maria Catharina de Ram. Hij overleed te Roosendaal op 9 augustus 1905.

Petrus van Gilse was een telg uit een katholiek regentengeslacht dat in Baarle-Hertog vanaf 1570 aan het bestuur had deelgenomen. Zijn oudoom Adrianus Christianus van Gilse had zich in 1775 te Roosendaal gevestigd, nadat hij van een achterneef het rentmeesterambt van het Oosterkwartier van het Markiezaat van Bergen op Zoom had geërfd. Vanaf dat moment waren de Van Gilses ook in Roosendaal bij het bestuur betrokken als raadslid of burgemeester. Nadat de vader van Petrus, Johannes Petrus van Gilse, in 1816 de dochter van de rijke weduwe Nieuwenboers had gehuwd, was ook de plaats van de Van Gilses in de financiële elite aldaar verzekerd. Petrus vond dus bij zijn geboorte in 1819 zijn bedje gespreid.

Na de Latijnse school te Oosterhout van 1831 tot 1837 te hebben bezocht, werd Petrus van Gilse in 1837 ingeschreven als student aan de katholieke universiteit van Leuven. Een jaar later werd hij echter naar huis teruggeroepen vanwege een ongeneeslijke ziekte van zijn vader. Hij moest toen als twintigjarige leiding gaan geven aan de brouwerij ''t Anker', aan een wijnhandel en een landbouwbedrijf. Daarnaast moest hij het beheer voeren over de vele eigendommen. Hij was al snel populair bij de boeren, die hem 'mijnheer Piet' noemden. Nadat zijn moeder in 1847 en zijn vader in 1848 waren gestorven, bleef hij met een huishoudster alleen achter in het grote huis aan de Achterstraat.

Mogelijk geïnspireerd door zijn jongere broer Henricus Joannes, pater jezuïet, richtte hij in 1850 in Roosendaal een 'Vincentiusvereniging' op ter ondersteuning van de armen. Hij werd zelf de eerste president. Van zijn fervent katholicisme getuigt ook zijn presidentschap van de 'confrèrie van het Heilig Sacrament' van de Sint-Jansparochie. Ook was hij lid van het R.K. Armbestuur. In december 1850 volgde hij, geheel in de familietraditie, zijn broer Frans, advocaat en notaris, op als raadslid en werd hij meteen ook tot wethouder gekozen. In 1853 volgde zijn benoeming tot heemraad van het Heemraadschap 'De Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet', welke functie hij tot in 1858 zou uitoefenen.

Inmiddels was hij tot de vier rijkste personen van Roosendaal gaan behoren. In 1854 huwde hij de dochter van de eveneens zeer vermogende medicinae doctor Dominicus Janssens. Deze Dominicus was tot 1849 assessor ofwel wethouder van Roosendaal en Nispen geweest en was de oom van mr. P.E.A. Janssens, die jarenlang tezamen met Petrus van Gilse de twee wethouderszetels bezette. Petrus van Gilse en zijn vrouw 'Fanny' kregen negen zonen en een dochter. Drie kinderen overleden jong.

Petrus van Gilse was een van de weinigen die hun blik over de grenzen van Roosendaal heen richtten. Hij bemerkte dat een inmiddels antiklerikaal geworden liberale minderheid het in Noord-Brabant voor het zeggen had en dat conservatieve katholieke vooraanstaande burgers maatschappelijk achtergesteld werden. Om daar verandering in te brengen, stelde hij in mei 1869, met een negental katholieke notabelen uit Roosendaal, Oudenbosch en Bergen op Zoom, de katholiek mr. A.F.X. Luijben uit 's-Hertogenbosch, een zwager van zijn broer Frans, met succes kandidaat voor de Tweede Kamer. Vervolgens richtte hij in datzelfde jaar de 'Katholieke Kiesvereniging voor het hoofddistrict Breda' op, de eerste van zijn soort in Nederland. Het was weliswaar geen politieke partij - er was geen ander programmapunt dan de bestrijding van de liberalen -, zij bereikten wel dat er daarna slechts katholieke afgevaardigden werden gekozen.

In 1868 verscheen het Mandement van de Nederlandse bisschoppen, waarin deze zich keerden tegen het openbare onderwijs en het katholieke bijzondere onderwijs als middel aanwezen om de jeugd te beschermen tegen ongeloof en verderfelijke beginselen en hen te vormen in katholieke godsdienstigheid en deugd. Petrus van Gilse stond in deze pal achter de kerk en boycotte, in zijn functie van voorzitter van de plaatselijke schoolcommissie, stelselmatig het openbaar onderwijs door te weigeren voldoende middelen en personeel beschikbaar te stellen. De bijzondere scholen van de zusters franciscanessen en de broeders van Saint-Louis werden aanbevolen, ondanks het feit dat deze geen overheidssubsidie kregen en door de katholieken via een relatief hoog schoolgeld moesten worden onderhouden.

In 1870 volgde Van Gilse zijn broer Frans op als lid van Provinciale Staten van Noord-Brabant en in 1878 werd hij, op voordracht van de ingelanden, weer benoemd tot heemraad van 'De Roosendaalsche en Steenbergsche Vliet'. In datzelfde jaar richtte zijn vrouw in Roosendaal een Sint-Elisabethvereniging op, pendant voor dames van de alleen voor mannen toegankelijke Vincentiusverenigingen, en werd er de eerste presidente van. Van Gilse zelf werd in 1881 lid van de hoofdraad van de landelijke vereniging 'H. Vincentius à Paulo'. Ook richtte hij in dat jaar met enige notabelen de sociëteit 'De Burgerkring' op, bedoeld als ontmoetingspunt voor de gegoede katholieke burgerij.

Ondertussen had hij zijn zakelijke belangen niet verwaarloosd. Naast het beheer over de brouwerij, de wijnhandel en het landbouwbedrijf, kocht hij in toenemende mate landbouwgronden op die aan de kom van Roosendaal grensden, waarbij hij profiteerde van de toen heersende mening dat men vaste eigendommen niet met winst mocht verkopen. Petrus van Gilse echter verkocht gronden en huizen met winst. Ook kocht hij van de gemeente een grote heide onder Nispen, ontgon die en verkocht deze weer als landbouwgrond. Daarnaast deed hij ook nog aan vetweiden en handelde hij in meekrap.

Als een projectontwikkelaar avant la lettre wist hij feilloos waar later bouwgrond nodig zou zijn. Zo kon hij zijn gronden verkopen ten behoeve van de bouw van een suikerfabriek, de gasfabriek en de kerk van de paters redemptoristen. Nadat hij een groot gebied ten oosten van de bebouwde kom in bezit had gekregen, liet hij er particuliere straten op aanleggen. De eerste kwam klaar in 1890 en heette de Van Gilsestraat. In die straten bouwde hij hier en daar huizen en wist daarmee de bouwlust van anderen op te wekken. Later werden de straten door de gemeente aangekocht en verhard.

In 1882 kocht hij een kandijfabriek te Roosendaal op en ging die samen met Emile Schul, de schoonzoon van wethouder P.E.A. Janssens, exploiteren. De fabriek bestaat nu nog onder de naam 'Koninklijke Van Gilse Kandijfabriek B.V.', zij het al lang niet meer in handen van de Van Gilses.

In 1890 was hij de motor achter een motie van de gemeenteraad waarin verzet werd aangetekend tegen het wetsontwerp dat de persoonlijke dienstplicht in zou voeren, dus zonder de mogelijkheid om plaatsvervangers aan te stellen. Men vond het een 'verkrachting van de vrijheid' en er zou jaarlijks een miljoen gulden worden onttrokken aan de behoeftigen die dit bedrag anders als remplaçant zouden hebben ontvangen. Hun argumenten maakten geen indruk in de Tweede Kamer. In 1890 werd ook het veertigjarig bestaan van de Vincentiusvereniging te Roosendaal gevierd. Inmiddels was Petrus bevriend geraakt met de katholieke voorman dr. Schaepman en deze kwam dan ook naar Roosendaal om de feestrede te houden.

In 1891 werd Van Gilses veertigjarig wethouderschap uitbundig gevierd in de sociëteit 'De Burgerkring'. Zijn mederaadsleden boden hem een borstbeeld aan en in heel Roosendaal werden de vlaggen uitgestoken.

Zijn laatste zakelijke initiatief was de oprichting van het bankierskantoor 'P.A.G. van Gilse en Zonen' in 1893. De zonen waren Frans en Vincent. Zijn zoon Victor kwam in de wijnhandel en zijn zoon Henri in de brouwerij, terwijl vier van zijn zonen medefirmant werden in de kandijfabriek. Petrus was gaandeweg slecht ter been geraakt en moest zijn bezigheden noodgedwongen afbouwen. Eind 1893 overleed bovendien zijn vrouw. In 1894 bedankte hij voor de hoofdraad van de landelijke Vincentiusvereniging en in 1895 diende hij zijn ontslag in als lid van Provinciale Staten, in welke functie hij werd opgevolgd door zijn zoon Victor. Ten slotte trad hij in 1897 terug als wethouder en raadslid. Zijn zoon mr. Aloysius van Gilse volgde hem op als raadslid.

De sociëteit 'De Burgerkring' werd in 1898 geliquideerd omdat de exploitatie niet sluitend te krijgen was. De meerderheid der leden was voor een fusie met de harmonie 'De Unie', een vereniging die muziekuitvoeringen organiseerde, doch de Van Gilses, die de grootste aandeelhouders waren, hielden dit tegen omdat 'De Unie' ook voor niet-katholieken toegankelijk was. Zij bleven felle voorstanders van organisaties op katholieke grondslag.

Tot op hoge leeftijd bleef Petrus van Gilse belangstelling houden voor al zijn ondernemingen. Hij liet zich daartoe rondrijden in een tot ezelwagentje omgebouwde rolstoel. Zijn overlijden op zijn verjaardag in 1905 kwam nadat hij meer dan een halve eeuw zijn stempel had gedrukt op de Roosendaalse samenleving, zowel op politiek als sociaal en charitatief terrein. Op provinciaal niveau hadden zijn initiatieven een duidelijke bijdrage aan de katholieke emancipatie geleverd.

Petrus van Gilse was vóór alles een groot ondernemer die zijn eigen belangen nastreefde, doch daarbij - geheel volgens de heersende visie van de kleine financiële elite van die tijd - op een paternalistische wijze dacht tevens de gemeenschapsbelangen te dienen, vooral van de grootste groep daarin, de landbouwers en grondbezitters. Zijn bestuurlijke en sociale posities en zijn netwerk van verwanten en zakelijke relaties waren middelen om de in de loop der jaren opgebouwde machtspositie van de financiële elite in stand te houden. Ook zijn emancipatoire activiteiten op lokaal niveau betroffen alleen de gegoede katholieken, nooit de katholieke arbeiders of ambachtslieden. Zijn inzet voor de Vincentiusvereniging is slechts ogenschijnlijk daarmee in strijd. Deze kan immers verklaard worden vanuit de katholieke plicht tot liefdadigheid ten opzichte van de minder bedeelden. Vanuit deze traditionele conservatieve houding is ook te verklaren dat hij als wethouder geen enkel initiatief nam voor een betere volkshuisvesting of voor de bestrijding van de oorzaken van armoede en werkloosheid. Alle initiatieven voor betere voorzieningen zoals de spoorwegen, het station, de fabrieken, een waterleiding en een gasfabriek, moesten van buiten komen en werden door het plaatselijke bestuur passief ondergaan. Hun enige beleid was boerenzuinigheid. Als ultramontaans katholiek vond Petrus van Gilse de traditionele en antimoderne clerus aan zijn zijde, al streefde die andere doelen na.

Wij kunnen ons moeilijk verplaatsen in de mentaliteit van die periode. Toch mogen we aannemen dat Petrus van Gilse in zijn ogen ethisch en met naastenliefde handelde. Hij was in wezen een eenvoudig man die zijn kinderen een degelijke katholieke opvoeding gaf en hen eendracht bijbracht. Hij was ook een gelovig man die in zijn lessenaar had geschreven: 'Zoekt eerst het Rijk Gods en het overige zal U worden toegeworpen.'


Bronnen

• C.M.M. van Caulil e.a.,'Bestuurders bestudeerd. Een onderzoek naar de bestuurlijke elite in Westelijk Noord-Brabant 1813-1890', Jaarboek De Ghulden Roos 50-1(1990), 19-255
• L.J.P. van Gastel, Roosendaal tussen platteland en stad, 1770-1900, Tilburg 1995
• Fr.V.J.M. van Gilse, Genealogisch en biografisch boek van de familie van Gilse, Roosendaal 1919
• J.J.A.M. Gorisse, Roosendaal, rooms en rimpelloos, Roosendaal 1992
• J.J.A.M. Gorisse, Roosendaal tussen platteland en stad, 1900-1970, Tilburg 1995


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Carlo Goyarts

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon