Johannes Goropius Becanus (1519-1572)

geneesheer en taalkundige

Johannes Goropius Becanus werd op 23 juni 1519 te Gorp, een gehucht ten westen van Hilvarenbeek, als Jan Gerartsen van Gorp geboren. Hij overleed te Maastricht in 1572.

Nadat hij aan de Hilvarenbeekse kapittelschool zijn eerste vorming had ontvangen, werd Jan van Gorp leerling aan de school van de Broeders des Gemenen Levens te 's-Hertogenbosch. In 1538 werd hij toegelaten tot de artesfaculteit van de universiteit van Leuven, waar hij binnen het jaar promoveerde tot licentiatus artium. De daarmee verworven titel van magister effende het pad voor verdere studies. In 1539 liet hij zich inschrijven aan het Collegium Trilingue in Leuven om er Latijn, Grieks en Hebreeuws te studeren. Enkele jaren later volgde in dezelfde stad zijn benoeming tot docent in de filosofie. In 1545 treffen we hem aan als leerling van de beroemde hoogleraar Reynier Gemma Frisius, bij wie hij wis- en natuurkunde en medicijnen studeerde. Omstreeks 1550 promoveerde hij tot doctor in de medicijnen.

Als geneesheer moet Johannes in korte tijd een zekere reputatie verworven hebben, aangezien de koninginnen Eleonora van Frankrijk en Maria van Hongarije -beiden waren zusters van Karel V en resideerden geruime tijd in Brussel- hem naar Brussel ontboden om hun lijfarts te worden. Het hofleven bood hem de mogelijkheid talrijke reizen te ondernemen, onder andere naar Spanje, Frankrijk, Duitsland en Italië.

Anderzijds vormde ditzelfde hofleven een belemmering voor de beoefening van zijn geliefde hobby, de studie van de filologie. Dat kan ook de reden zijn geweest dat hij het aanbod van koning Filips II om diens lijfarts te worden, van de hand wees. Hij nam afscheid van het hof en vestigde zich in 1554 te Antwerpen, waar hij het spoedig tot gezworen medicus, ofwel stadsarts, bracht. De nieuwe functie bood hem kennelijk voldoende gelegenheid om zich aan de filologie te wijden. Deze studie zou het zijn die zijn faam tot over de grenzen van zijn eigen heem en tijd zou tillen.

Ondanks het feit dat Johannes Goropius Becanus in Antwerpen een bloeiende artsenpraktijk had - ook de rijke Augsburgse bankiersfamilie Fugger behoorde er tot zijn patiëntenkring - vestigde hij zich in 1569 metterwoon in Luik. Het vertrek uit Antwerpen hield waarschijnlijk verband met het politiek-godsdienstige klimaat in de stad, waar hij zich als minder dogmatisch katholiek niet meer thuis, of liever niet meer veilig voelde. In 1572 stierf hij in Maastricht, waarheen hij als arts door vrienden ontboden was.

In 1569 was bij de beroemde Antwerpse drukker Christoffel Plantijn, wiens vriend en geldschieter hij was, zijn meer dan 1000 folio's tellend levenswerk Origines Antwerpianae verschenen, dat getuigt van een grote eruditie en belezenheid. Het staat echter ook bol van nationaal-chauvinistische cultuuropvattingen. Zo verdedigt hij hierin onder meer de stelling dat het Nederlands de oudste taal van de wereld is -nog ouder dan het Grieks of Hebreeuws- en tevens dat Adam en Eva in het Antwerpse hebben gewoond, waar zij Nederlands hebben gesproken. In onze streken zou zich dus het Aards Paradijs hebben bevonden. Wie op een zonnige dag links voorbij de Leenhof op Gorp een fiets- of wandeltochtje onderneemt, stroomafwaarts langs de Leije richting 'Paradijsbrug' (!), zou zich in deze laatste stelling heel goed kunnen vinden. Maar nu de eerste stelling. Goropius baseerde zich daarbij op de etymologie, die hij echter vooral gevoelsmatig en associatief toepaste. Zoals bekend, werd de naam 'Nederlands' voor onze taal pas in de vorige eeuw algemeen gangbaar; daarvóór heette onze eenheidstaal gewoonlijk 'Diets' of 'Duyts' zoals in het Wilhelmus: ben ick van duytschen bloet. Hierin kan - laten we proberen de argumentatie van Johannes Goropius te volgen - met klinkerwisseling 'Douts' gelezen worden, of liever 'D'outs', dit is 'de oudste'. Omdat 'sen' of 'son' zoon betekent, zijn 'Doutsen' allen die zich van de oudste taal bedienen.

Ook oudtestamentische figuren als Adam, Eva, Abel, Kaïn, Noach, en dergelijke moeten volgens Johannes Goropius Nederlanders, of liever Brabanders geweest zijn. In de naam Adam leest hij bijvoorbeeld 'haat-dam', en Eva moet uit 'eeuw' en 'vat' samengesteld zijn, een vat voor alle eeuwen, het 'Ewig-Weibliche'. Wie dat vat vult is een 'vat-er', kortom een vader. Kaïn is uit het Brabantse 'kaot' (kwaad) en 'ent' (einde) opgebouwd, terwijl Abel een afkeer ('haat') heeft van de oorlog ('bellum'). De naam Methusalem tenslotte is gesyncopeerd uit 'Maect thu salich'. Op deze wijze weet hij talrijke andere namen en woorden te duiden, zoals het woord bier dat uit 'bie' (biën of bieden) en 'er' (eer) is samengesteld; het betreft dus een drank die men aanbiedt om iemand te eren.

Bovenstaande duidingen zullen tegenwoordig slechts een meewarige glimlach oogsten. In aanmerking genomen dat de wetenschap van de etymologie destijds nog in de kinderschoenen stond, is het echter lofwaardig dat Johannes een Indo-Europese samenhang onderkende tussen bijvoorbeeld het Nederlands en het Latijn. Misschien mag hij daarmee de grondlegger genoemd worden van het begrip Indo-Europees, nog voordat August Schleicher in 1863 dit tot basis van de historische taalkunde maakte. In zijn tijd en ook wel nadien vond Johannes Goropius naast critici als Justus Lipsius (1547-1606) en Hugo Grotius (1583-1645) ook aanhangers en verdedigers van zijn opvattingen. De belangrijkste daarvan was wel Simon Stevin (1548-1620). In diens Verhandeling over de Zwaartekunde uit 1581 is met een verwijzing naar het werk van Johannes Goropius een beschouwing opgenomen over het Vlaams, waarvan de Franse, Duitse en andere talen zouden zijn afgeleid.

Voordat Johannes in 1573 stierf had hij nog een ander lijvig werk voltooid, dat in 1580 door toedoen van zijn vriend Lieven Torrentius, de latere bisschop van Antwerpen, eveneens door Plantijn werd uitgegeven onder de titel: Opera Ioannis Goropii Becani etc. In dit werk wijst hij andermaal op de voortreffelijkheid van het Nederlands. Met een nieuwe reeks van argumenten tracht hij hierin de tegen zijn taalopvattingen gerezen kritiek te ontkrachten. Als uitgangspunt kiest hij daarbij de eigenschappen die een volmaakte taal zou moeten bezitten, en die hij uiteraard alle in het Nederlands aantreft.

Rekening houdend met de grote invloed die zijn theorieën en etymologieën hebben gekend - zo steunt Kiliaen in zijn gezaghebbend Etymologicum Teutonicae Linguae uit 1599 voor een goed deel op de etymologieën van Johannes Goropius Becanus -, mogen we stellen dat deze een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de emancipatie en 'verheerlijking' van het Nederlands.


Bronnen

• L. van den Branden, Het streven naar verheerlijking, zuivering en opbouw van het Nederlands in de 16e eeuw, Gent 1951
• E. Frederickx, Ioannes Goropius Becanus, een pionier in de taalkunde. In: Hilvarenbeek in heden en verleden, Hilvarenbeek 1970
• L.W.F. Adriaenssen, Hilvarenbeek onder de hertog en onder de generaliteit, Amsterdam/Hilvarenbeek 1987


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Bob Duijvestijn

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon