Norbertus Guljé (1808-1885)

liberaal-katholiek politicus en industrieel

Norbertus Reinerus Henricus Guljé werd geboren op 5 juni 1808 in 's-Hertogenbosch, als zoon van A.H. Guljé en M.A. van der Pluym. Op 1 juni 1835 trouwde hij met de 25-jarige Maria Josepha Anna Mensing. Zij kregen twee dochters en drie zonen. Norbertus Guljé overleed op 5 juli 1885 in Breda.

Het geslacht Guljé was afkomstig uit de streek rond 's-Hertogenbosch en behoorde tot de gegoede katholieke middenstand. Na de Franse overheersing en de overgang van Brabant van Generaliteitsland tot gewest drong deze stand door tot de hogere ambtelijke regionen in Nederland, met name in Brabant zelf. De grootvader van Norbertus was een bekend Brabants patriot; zijn vader een hoog ambtenaar in Suriname, die daar in 1828 vrijwel zeker werd vergiftigd toen hij bezig was met het onderzoek naar een grote fraudezaak.

In 1832 werd Guljé belastingcontroleur. In de periode 1848-1851 raakte hij betrokken bij de bedijking van enkele polders op Zuid-Beveland. Met het geld dat hij aan deze lucratieve zaak overhield, begon hij in Breda een oliemolen en een zeepfabriek. In zijn fabriek had hij een stoommachie. Op dit gebied was hij pionier: in Breda waren in 1851 slechts twee stoommachines in gebruik.

Vanaf 1850 was Guljé lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant. In 1851 werd hij lid van de Bredase gemeenteraad, maar hij trok zich in 1852 terug wegens zijn drukke werkzaamheden als fabrikant. Nadat hij in 1859 diverse taken aan zijn zoons had overgedragen, hervatte hij het raadslidmaatschap tot 1870. Daarnaast had hij van maart 1862 tot juni 1871 zitting in de Tweede Kamer als een van de afgevaardigden van het 'dubbele' kiesdistrict Breda. De laatste twee jaren van zijn kamerlidmaatschap was Guljé de derde kandidaat voor het voorzitterschap.

Kamerleden waren in deze periode doorgaans pure individualisten die vooral opkwamen voor de belangen van hun eigen kiesdistrict. Dit gold ook voor Guljé. Van echte partijvorming was geen sprake. Guljé was een praktisch ingesteld politicus. Hij was specialist op het terrein van financiën -met name belastingen- en maakte zich sterk voor de belangen van de stedelijke nijverheid. Hij stond bekend als een overtuigd liberaal en aanhanger van Thorbecke, die overigens ook een persoonlijke vriend van hem was. Toen Thorbecke in 1862 minister van Binnenlandse Zaken werd, stuurde Guljé hem een gelukwens 'namens alle vrijzinnige ingezetenen van Brabant'.

Ofschoon Guljé zichzelf een overtuigd katholiek noemde, werd hij als politicus in de eerste plaats gedreven door liberale beginselen. Hij bepleitte de politieke emancipatie van het katholieke volksdeel en verweet de regering herhaaldelijk dat het aantal katholieken in openbare ambten niet overeenstemde met de getalsterkte van de katholieken in Nederland. Hij was echter een tegenstander van politieke invloed van de katholieke kerk. 'In het belang van de maatschappelijke orde is het niet gewenst dat Geestelijk en Burgelijk gezag (via een 'clericale partij') in één hand samengaan', schreef hij Thorbecke. Politiek gezien was Guljé een late vertegenwoordiger van de zogenaamde Papo-Thorbeckianen, de groep katholieken die in 1848 een monsterverbond met Thorbecke sloot om enerzijds de grondwet te herzien en anderzijds de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland te herstellen.

In de Tweede Kamer toonde Guljé zich voorstander van een zekere mate van protectie voor de nijverheid, verlaging van belastingen op eerste levensbehoeften en de plaatselijke verbruiksbelasting, invoering van een evenredige inkomstenbelasting naar draagkracht, afschaffing van belasting op kranten, afschaffing van de doodstraf en andere liberale standpunten. Hij was zeer lovend over het wetsvoorstel van Thorbecke met betrekking tot het middelbaar onderwijs, op basis waarvan de hogere burgerscholen (H.B.S.) zouden worden opgericht. In de Kamer verwoordde Guljé dit in 1863 aldus: 'Er stroomt een zee van kennis, waarop zich het ontluikend geslacht in onze eeuw van wis-, natuur- en scheikundige ontwikkeling en toepassing heeft te bewegen om mede te kunnen dingen in de algemene wedstrijd der volken, gelijk die zich vorig jaar ten tweede male in Engeland's hoofdstad vertoonde, in die ontzettende wereldexpositie, waar de vruchten van nijverheid, de gewrochten van 's mensen geest, in vrede gekweekt, werden ten toon gesteld.' Dit citaat tekent de negentiende-eeuwse liberale en stedelijke bourgeois en zijn geloof in de wetenschappelijke vooruitgang.

Ook in de Bredase gemeenteraad streefde Guljé naar verlaging van de plaatselijke belastingen, die de ontwikkeling van de nijverheid belemmerden. Zijn principiële standpunt bracht hem in conflict met behoudende magistraten. Dit leidde in 1857 tot de oprichting van de kiesvereniging Eendragt onder aanvoering van Guljé Deze vereniging kon in 1862 weer opgaan in het grotere Eendragt maakt Magt nadat de strijd om de belastingen door minister Thorbecke was beslist in het nadeel van de meerderheid van de Bredase gemeenteraad. Thorbecke vernietigde namelijk het raadsbesluit om een bepaalde belasting te verhogen op aandrang van Guljé, het enige raadslid dat tegen had gestemd.

Omstreeks 1870 veranderden de politieke verhoudingen ten nadele van Guljé, zowel plaatselijk als landelijk. Na het verschijnen van de anti-liberale encycliek Quanta Cura in 1864 en het onderwijsmandement van de Nederlandse bisschoppen in 1866 - dat zich richtte tegen de liberale praktijk van het openbaar onderwijs - zouden liberale politici in katholieke streken steeds vaker het onderspit delven tegen behoudende volgelingen van de katholieke geestelijkheid. In de Kamer kreeg Guljé ook kritiek van enkele katholieke medekamerleden, omdat hij het openbaar onderwijs niet krachtig wilde veroordelen. Vanaf 1868 zag men in Breda de snelle opkomst van deze zogenaamde ultramontaanse partij. De oude conservatieve magistratenfamilies wisten, in samenwerking met de kerk, de liberaal-katholieken buiten de deur te werken. In 1870 werd de Roomsch Catholyke Kiesvereeniging voor het Hoofdkiesdistrict Breda opgericht. De afkondiging van de pauselijke onfeilbaarheid en de bezetting van het Vaticaan door Italiaanse liberaal-nationalistische troepen in hetzelfde jaar, leidden nog meer tot bundeling van anti-liberale katholieke krachten. De verkiezingsnederlaag van Guljé in 1871 kwam daarom niet onverwacht. Uit deze nederlaag bleek volgens hem 'de wassende invloed ener partij wier streven (...) niet tot heil van het land kan leiden'. Hij weet zijn verlies aan het feit dat de kiezers 'door de clerus tot in de afgelegenste hoeken van dorpen en gehuchten tegen mij (is) opgezweept'. Toen Guljé in 1871 het veld moest ruimen was hij de laatste der katholiek-liberalen. Hij werd in 1873, een jaar na het overlijden van zijn politieke vriend, de grote Thorbecke, niet herkozen en stopte zijn politieke activiteiten.


Bronnen

• Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage, Collectie Thorbecke
• M.J.M. Duijghuisen, Geschiedenis van Breda III 1795-1960. Hoofdlijnen en accenten, Breda 1990
• P.C. Molhuysen, P.J. Blok en Fr.K.H. Kossmann (red.), Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, Deel VIII, Leiden 1930, kolom 646
Verslag van de handelingen van de Tweede Kamer der Staten Generaal, 1862-1863 tot en met 1870-1871
Verslag van de gemeente Breda, diverse jaargangen


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: J. van Merriënboer

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon