Jan van Haaren (1923-1990)

voortrekker van kunst en kunstonderwijs

Joannes Wilhelmus Maria van Haaren werd op 16 oktober 1923 geboren in het Brabantse Herpen als zoon van de hoofdonderwijzeres Joanna Schreurs (1892-1972) en de biologiedocent Joseph van Haaren (1894-1970). Hij trouwde in 1955 met Tonja Diepen. Het echtpaar Van Haaren kreeg vier kinderen. Jan van Haaren overleed op 27 februari 1990 in Rosmalen.

Toen zijn vader werd benoemd tot directeur van de Lagere Landbouwschool in Hees verhuisde het gezin naar Gelderland. Jan bezocht het gymnasium in Nijmegen en schreef zich in 1942 in voor een studie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij zou daar echter maar drie maanden verblijven. Toen de razzia's begonnen en de bezetter een loyaliteitsverklaring eiste, dook Jan van Haaren onder in het Brabantse Someren.

In 1945 keerde hijnaar Hees terug en ging vervolgens Nederlands studeren aan de Nijmeegse universiteit. Hij volgde colleges kunstgeschiedenis en literatuur bij de vermaarde katholieke cultuurhistoricus Gerard Brom. Tijdens zijn studie werkte Van Haaren op verschillende plaatsen en in verschillende functies. Zo was hij docent meubelgeschiedenis aan de Arnhemse kunstakademie en assistent-medewerker van het Aartsbisschoppelijk Museum in Utrecht.

In 1951, nog voor zijn afstuderen, werd hij op voordracht van Edy de Wilde benoemd tot assistent wetenschappelijk medewerker en conservator van het Van Abbe Museum in Eindhoven. Als De Wilde's rechterhand zou hij tot september 1954 assisteren bij het organiseren van tentoonstellingen. In 1953 stelde Jan van Haaren de tentoonstelling De Passie onzes Heren samen, en schreef de inleiding voor de catalogus. Onderwerp van deze thematische tentoonstelling was de gotiek, waarover hij eerder al een afstudeerscriptie had geschreven: De Naleving en Herleving van de Gotiek in Nederland. In september 1954 werd Van Haaren benoemd tot directeur van de kwijnende Koninklijke School voor Kunst en Kunstnijverheid te 's-Hertogenbosch. Dit instituut, een van de vier in Brabant, telde toen 49 studenten. Het ging niet goed met het kunstonderwijs in Nederland, en evenmin met de Bossche school. Directies gingen gebukt onder het verouderde onderwijsstatuut uit 1919 en het bevoegdhedenbesluit uit 1935. De Koninklijke School in Den Bosch was daarenboven met handen en voeten gebonden aan het uit de negentiende eeuw daterende tekenonderwijs. Om hier verandering in te brengen kwam Jan van Haaren met een reeks voorstellen. Op 21 juni 1955 meldde de provinciale courant Het Huisgezin, dat er 'veranderingen in het onderwijsprogramma' op komst waren. Er zou een aantal nieuwe vakklassen worden ingericht; één voor de publiciteit-vormgeving, één voor keramiek en klassen voor textiele vormgeving, mode, monumentale en versierende vormgeving. Deze cultuuromslag werd in 1957 geaccentueerd door een naamswijziging: de school zou voortaan `Koninklijke Akademie voor Kunst en Vormgeving' gaan heten. Vooral het onderricht in de vrije kunsten had de belangstelling van Jan van Haaren. Jonge vernieuwende kunstenaars werden benoemd. Een aantal van hen, onder wie Wim Crouwel en Wim Strijbos, zou later een belangrijke rol vervullen in het Nederlandse kunstleven.

In 1955 had Jan van Haaren de gemeente kunnen overtuigen van de wenselijkheid om `ter verbetering van het pedagogische en didactische klimaat' een gemeentelijke tentoonstellingsdienst in het leven te roepen. Van Haaren werd directeur van de nieuwe dienst. In 1956 en 1958 organiseerde hij keramiek-exposities die een bovenlokale uitstraling hadden. Daarnaast organiseerde Jan van Haaren nog meer opzienbarende tentoonstellingen: hij was een der eersten die het werk van Jan Dibbets, M. Boezem en Ger van Elk exposeerde.

De tentoonstellingsdienst werd in de jaren zestig verregaand geprofessionaliseerd. Eind jaren tachtig werd de dienst omgevormd tot het museum Het Kruithuis. Nog altijd baseert het museum haar beleid op de uitgangspunten van Jan van Haaren. Ook de belangrijke keramiekverzameling die Van Haaren in de jaren vijftig en zestig opbouwde, maakt thans deel uit van de collectie van Het Kruithuis. De affiche-verzameling, die Van Haaren vergaarde, is momenteel ondergebracht bij het stadsarchief van 's-Hertogenbosch.

In de periode 1959-1965 wist Van Haaren zich een invloedrijke positie te verwerven binnen `De Vereniging van Middelbare Kunst- en Kunstnijverheidsscholen'. De VKMS, een directie-overleg, was direct en structureel betrokken bij de totstandkoming van het structuurplan, waarin de rol en de plaats van het kunstonderwijs binnen de Mammoetwet werden vastgelegd.

Jan van Haaren was de belangrijkste exponent van een groep die pleitte voor een algemene, grensoverschrijdende kunstscholing. Tegenover de `stroming Van Haaren' stond de groep Beljon. Deze, directeur van de Haagse kunstacademie, was voorstander van een vakgerichte, op de m.o.-structuur geënte opleiding.

Het overleg over het structuurplan werd in mei 1964, na verschillende gespreksronders beëindigd. De resultaten van dit overleg werden meegenomen naar de conferentietafel in Lochem. In het `Lochemse Overleg' werden de status en toekomstige positie van het kunstonderwijs geregeld, en werden adviezen opgesteld over leerplan, faciliteiten, toelatingsnormen, bevoegdheidseisen, studieduur, examenregels en dergelijke. Mede aan Jan van Haren is het te danken dat het kunstonderwijs een ongedeelde h.b.o.-status kreeg.

Op 1 mei 1970 werd Jan van Haaren, die reeds enige tijd last van hartklachten had, opgenomen in het Academisch Ziekenhuis van Utrecht. Op 27 april 1972 nam hij omwille van zijn gezondheid officieel afscheid van `zijn' kunstakademie en tentoonstellingsdienst. Bij die gelegenheid kreeg hij de zilveren Jeroen-Boschpenning uitgereikt.

Na zijn voortijdige pensionering zou Jan van Haaren zich vooral gaan bezighouden met de op- en uitbouw van collectie van het Douwe Egberts Museum. Voorts bemiddelde hij -niet zelden belangeloos- voor kunstenaars en particulieren. Na 1985 namen zijn openbare activiteiten weer sterk toe. Zo organiseerde hij in 1987 voor de Aalsmeerse Veilingen een keramiektentoonstelling en werd hij in 1989 benoemd tot lid van de `Interdiocesane commissie voor Liturgie, Liturgische Muziek en Kerkelijke Kunst'. Eerder bekleedde Jan van Haaren enkele belangrijke bestuursfuncties. Hij was bijvoorbeeld van 1960 tot 1966 ondervoorzitter van de afdeling Beeldende Kunst en Bouwkunst van de Raad voor de Kunst. In 1989 maakte hij deel uit van het comité dat zich bezighield met de voorbereiding van de tentoonstelling Kent en versint, eer dat je mint; vrijen en trouwen in Nederland (1500-1800). Kort daarop overleed Jan van Haaren in zijn woonplaats Rosmalen.


Bronnen

• Jan van Haaren, Van Jacquet tot overall, een terugblik op de ontwikkelingen en werkzaamheden als directeur in de periode 1954-1972, 's-hertogenbosch 1972
• Petri Leijdekkers, Naar een nieuw kunstonderwijs, in: De Lucaskrater, Groningen 1984
• Stadsarchief 's-Hertogenbosch, knipselverzameling kunstacademie


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Oscar Laurens Schrover

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon