Alart du Hamel (1450-1507)

bouwmeester

Exacte gegevens over Alart du Hamel ontbreken nagenoeg. Vermoedelijk werd hij omstreeks het midden van de vijftiende eeuw geboren. Zijn familienaam doet een zuidelijke herkomst vermoeden. Hij trouwde met Margriet van Auweningen. Na haar overlijden, in 1484, hertrouwde hij met Gosina, de natuurlijke dochter van de Bossche hoogschout Jan Heyns. Alart du Hamel overleed vóór 1507 te Antwerpen.

Du Hamel hoort thuis in de rij Marcilius van Keulen, Willem van Kessel, Jan Heyns en Jan Darkennes. Zij allen worden als bouwmeesters in verband gebracht met de bouw van de Sint-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch. In sommige gevallen speelt legendevorming daarbij een rol. Du Hamel is echter méér dan een legende.

In 1478 duikt zijn naam op in een steencontract dat de kerkmeesters van de Sint-Janskerk op 19 oktober sloten met steenleverancier Jan Quaywante. Du Hamel figureert als loetsmeester bij de ondertekening van het contract. Eind 1494 begin 1495 heet het dat Du Hamel 'van hier [Den Bosch] metter woene trekt tot Loeve', dat hij metterwoon vertrokken is naar een andere hoofdstad van het hertogdom Brabant, Leuven. Daar was hij inmiddels benoemd tot stadsbouwmeester en bouwmeester van de Sint-Pieterskerk. Hij herstelde in die hoedanigheid het Leuvense stadhuis, nadat hij al in 1492 het Hof van Kamerijk had ingericht voor de ontvangst van keizer Maximiliaan en diens zoon Philips de Schone. In 1502 vergrootte hij het refugiehuis van de abdij van Park. In datzelfde jaar beëindigde Du Hamel zijn functie als Leuvens stadsbouwmeester. Zijn laatste levensdagen sleet hij in Antwerpen, alwaar hij in 1500 buitenpoorter geworden was.

Van omstreeks 1478 tot omstreeks 1495 is Alart Du Hamel dus loetsmeester van de Sint-Jan. Dat wil zeggen dat hij de technische leiding had van de kerkfabriek, de organisatie die verantwoordelijk was voor de bouw van de kerk. De bouwmeester leverde de gereedschappen en trok vaklieden aan. Zijn opdrachtgevers waren de kerkmeesters. Aan hen legde hij rekening en verantwoording af. Zij betaalden Du Hamel een jaargeld en loon voor elke dag dat hij op de bouw aanwezig was. Een dergelijke regeling maakte het voor Du Hamel mogelijk ook elders actief te zijn als adviseur. Zo reisde hij herhaaldelijk naar Antwerpen om er te adviseren over de bouw van de Onze-Lieve-Vrouwekerk aldaar. Zijn Cnaepe of parleerder hield dan als voorman in Den Bosch een oogje in het zeil. In de overeenkomst van 1478 wordt Jan Heyns als zodanig genoemd.

Du Hamel raakte bij de Sint-Jan betrokken toen de gotische nieuwbouw, omstreeks 1380 begonnen, in volle gang was. Koor, straalkapellen en het transept waren al grotendeels voltooid en zoals gezegd werden materialen besteld voor de bouw van het schip van de kerk. Heeft Du Hamel een stempel kunnen drukken op de detaillering van dit gedeelte van de kerk? In dat geval zouden de non-figuratieve decoraties van de wimbergen van het schip maar vooral de talloze figuren op de deklijsten van de luchtbogen voor zijn rekening komen. Met name deze luchtboogbeelden maken de Sint-Jan uniek en doen bemoeienis van Jeroen Bosch, een tijdgenoot van Du Hamel, bij de nieuwbouw van de kerk vermoeden.

Zeker is de betrokkenheid van Du Hamel bij de bouw van de kapel voor de Lieve Vrouwe Broederschap, ten noorden van het hoogkoor van de Sint-Jan. In 1478-1479 heet Du Hamel werckmeester en levert hij het ontwerp voor deze kapel. Enkele jaren later wordt hij Raetgesel genoemd en blijkt Jan Heyns zijn rol als meester van onsen nijen choer te hebben overgenomen.

Ingeklemd tussen de noordelijke zijbeuk van de kooromgang en de noordelijke transeptarm, ontstond een kapel die is voorzien van een bijzonder rijk netgewelf en een uitbundige wanddetaillering. Door op vernuftige wijze in één travee blind-tracering toe te passen, waarbij het maaswerk onder een hoek van 45o op het muurvlak werd geplaatst, realiseerde Du Hamel een optisch afgewogen ruimte. Ook overigens was de situatie ter plaatse bepalend voor Du Hamels ontwerp. Hij verbouwde - in de letterlijke zin van het woord - de aanwezige steunberen van de oorspronkelijke buitenmuur van het kerkkoor tot flamboyant opengewerkte baldakijnen waarin vooral de elkaar doorkruisende bogen opvallen. Dit X-motief, Du Hamels handelsmerk, keert terug in het eveneens uitbundige zuidelijke transeptportaal, en in het zogenaamde 'draaiend baldakijn', bevestigd tegen de noord-oostelijke vieringpijler. Du Hamels hand wordt zo dus ook in deze gedeelten van de Sint-Jan zichtbaar.

De voltooiing van de Sint-Jan heeft Du Hamel niet meer mogen beleven. Integendeel, vermoedelijk heeft de stagnerende bouwactiviteit onder invloed van de algehele stedelijke malaise op het eind van de vijftiende eeuw zijn vertrek naar Leuven bespoedigd. Het blijft in ieder geval opmerkelijk dat hij daar als bouwmeester van de Sint-Pieterskerk het romaanse westwerk van die kerk sloopte om nieuwbouw mogelijk te maken. Het is verleidelijk Du Hamels plannen voor deze Leuvense kerk in verband te brengen met de vergeefse pogingen die kort daarvoor ook in Den Bosch waren ondernomen om tot een gotisch westfront voor de Sint-Jan te komen.

Du Hamel maakte niet alleen architectonische ontwerpen. Zijn ontwerp in gravure voor een monstrans -wederom voorzien van het X-motief- bleef bewaard, evenals enige andere gravures. Uit het Bossche schepenprotocol blijkt dat hij in 1483 het ontwerp voor een cyborye vervaardigde, dat vervolgens in Keulen bij Henrik Gerits Borchgreve werd gerealiseerd. In 1492 ontwierp hij een houten model voor de koperen spijlen die Arnt van Tricht zou gieten ten behoeve van de broederschapskapel. Betrokkenheid van Du Hamel bij de doopvont van Van Tricht, eveneens uit 1492, laat zich dan ook raden.

Du Hamel raakte in Den Bosch ingeburgerd. In 1478 al was hij samen met zijn zus Nicolaä en zijn voorman Jan Heyns lid geworden van de Illustre Lieve Vrouwe Broederschap. Nicolaä zou trouwen met Heyns.

In 1484 verloor Du Hamel zijn eerste vrouw, Margriet van Auweningen, aan wie de herinnering voortleeft door een gedenksteen in de Sint-Jan. Zijn tweede vrouw, Gosina, staat samen met zijn wettige zoon Sebastiaan vermeld in Du Hamels testament van 12 december 1505. Aan Gosina vermaakte hij toen 1 1/2 mark zilver en aan zijn zoon 75 Rijnsgulden te zamen met zijn overige bezit. Du Hamel wenste begraven te worden in de Lieve-Vrouwekapel van de Antwerpse Sint-Walburgiskerk. Of dat laatste inderdaad gebeurd is zullen we waarschijnlijk nooit weten, aangezien de Sint-Walburgiskerk in 1843 werd gesloopt. Wanneer in een akte van 27 januari 1507 voorzien wordt in mis-intenties in de Sint-Jan ter nagedachtenis aan meester Alart, wordt duidelijk dat Alart du Hamel kort daarvoor moet zijn overleden. Jan Heyns, lapicida et magister fabrice ecclesie, ook al één van de executeurs-testamentair, werd onder anderen met de uitvoering hiervan belast.


Bronnen

• C. Peeters, De Sint Janskathedraal te 's-Hertogenbosch, 's-Gravenhage 1985
• F.J. van der Vaart, Bouwgilden en kerkfabrieken, in: De Bouwloods van de St.-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch, 's-Hertogenbosch 1989, 13-19
• F.J. van der Vaart, Hameel, Alart du, in: The Dictionary of Art, (getypt origineel)


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Frans-Jozef van der Vaart

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon