Hein Hoeben (1899-1942)

journalist en persagent

Henricus Hoeben werd op 30 oktober 1899 te Teteringen geboren als oudste zoon van Henricus Simon Antonius Hoeben en Christina Maria Bos, die beiden afkomstig waren uit Rotterdam. Uit zijn huwelijk met Louise Faervers werden vijf kinderen geboren. Dr. Hein Hoeben stierf op 28 februari 1942 te Berlijn.

De jonge Hein Hoeben studeerde vijf jaar aan het seminarie van de kapucijnen in Langeweg. Na het behalen van het diploma MO-Duits kreeg hij via een colloquium doctum (het universitaire toelatingsexamen) de mogelijkheid in München letteren en filosofie te gaan studeren. Al tijdens deze studie begon hij aan vertaalwerk en schreef hij een boek over de gestigmatiseerde en visionaire Anna Katharina Emmerick (1774-1824). Haar visie op de zin van het lijden zou later grote invloed op Hoeben hebben. Het is de vraag of deze publicatie tevens een proefschrift was. Hoewel Hein Hoeben de doctorstitel voerde, is het niet duidelijk of hij daartoe ook gerechtigd was.

In München maakte Hoeben de opkomst van het nationaal-socialisme van nabij mee. Hij ontmoette er ook de latere paus Pius XI, die hem later meermalen in persoonlijke audiënties zou ontvangen. Na zijn studietijd keerde Hein omstreeks 1922 terug naar Breda, waar hij medewerker van de Kölnische Volkszeitung en van De Nieuwe Eeuw werd. Voor deze kranten schreef hij vooral literaire kritieken en recensies van toneelstukken en films. Ondertussen voelde hij zich hoe langer hoe meer verwant met diegenen die zich tegen het communisme en het nationaal-socialisme keerden. Toen de jezuïet Fr. Muckermann in Münster zijn anti-nationaal-socialistische persbureau opzette, kwam Hoeben spoedig in contact met hem. Dit resulteerde in samenwerking en vriendschap.

In oktober 1927 startte Hoeben in Breda zijn eigen katholieke persbureau, genaamd 'De Roomsche Wereldpost'. Zich aanvankelijk toeleggend op novellen, wetenswaardigheden en kerkelijk nieuws, schreef hij vanaf 1930 ook politiek getinte berichten, onder meer over het dreigend bolsjewisme. Hij vormde een netwerk van correspondenten om zich heen, die dagelijks het meest actuele culturele en vooral katholieke nieuws uit de Europese hoofdsteden doorseinden. Ook verschenen er eigen reportages over onder meer Sovjet-Rusland en verslagen van katholiekendagen, Eucharistische Congressen en ophefmakende processen. In 1929 werd Hoeben benoemd tot secretaris-generaal van de Commission Permanente de l'Union des Éditeurs de Journeaux Catholique, een organisatie van directeuren van bladen als de Kölnische Volkszeitung, L'Osservatore Romano, La Croix, De Maasbode, de katholieke opiniebladen in binnen- en buitenland bij uitstek. In die tijd doopte Hoeben zijn agentschap om in Katholieke Wereldpost (KWP). Er ontwikkelde zich een steeds groter en hechter netwerk van correspondenten in meer dan veertig landen. Dit grote verspreidingsgebied werd mede mogelijk gemaakt door de nauwe contacten met de diverse kloosterorden, ook die in de missiegebieden actief waren.

Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam, verbood hij in Duitsland de verspreiding van het katholieke nieuws omdat dat steeds meer anti-nationaal-socialistisch werd ingekleurd. Muckermann vluchtte met enkele medewerkers naar Oldenzaal. Vervolgens werkte hij intensief mee aan de KWP. Ondertussen had het persbureau steeds meer ondersteuning gekregen van het Nederlands episcopaat. Hein Hoeben had veel contact met Titus Brandsma, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen, die door de bisschoppen benoemd was als geestelijk adviseur van de Nederlandse Roomsch-Katholieke Journalisten Vereeniging. In 1937 werd het agentschap KWP gesplitst in een nationaal Katholiek Nederlands Persbureau, dat onder toezicht van de directeuren van de diverse dagbladen kwam te staan, en een internationaal persbureau, de Katholieke Wereldpost.

De medewerkers van de KWP moesten hoe langer hoe omzichtiger te werk gaan wegens de oorlogsdreiging vanuit Duitsland. Met valse paspoorten werden risicovolle reizen naar dat land ondernomen om door de nazi's verboden publicaties en preken - onder andere die van mgr. Von Galen en mgr. Faulhaber - vóór de inbeslagname te verzenden naar de vele redacties in de wereld. Daardoor vormde de KWP hoe langer hoe meer een antipropagandabureau tegen het nationaal-socialisme. In 1934 richtte J. Göbel in Berlijn het Nederlandsche Katholiek Correspondentie Bureau (NKCB) op, naar een idee van de hoofdredacteur van het Dagblad voor Noord-Brabant, dr. Albert van der Poel. Hij had Göbel attent gemaakt op de 'anti-Duitse' berichtgeving van de Katholieke Wereldpost. Vanuit dit persbureau, later Deo et Patria geheten, werd nationaal-socialistische propaganda onder een katholieke dekmantel de wereld in gestuurd. Deze aanpak sorteerde in Nederland overigens weinig effect.

Hein Hoeben was zich bewust van de oorlogsdreiging en besefte dat de Duitsers hem na een inval als een van de eersten zouden arresteren. Daarom wilde hij tijdig, net als dr. F. Muckermann en dr. H.A. Poels, voorzitter van de Raad van Bestuur en Advies van de Katholieke Wereldpost, naar het buitenland. Zijn vrouw wilde echter niet. Op 11 mei, daags na de inval, vertrok Hein Hoeben toch met zijn gezin en met zijn medewerker Louis Soeterboek en diens vrouw via België naar Frankrijk. Het was een chaotische vlucht. Dat blijkt uit de aantekeningen in de agenda van de in 1996 overleden Soeterboek. Via Chaam, Hoogstraten, St. Job, Brain-le-Comte, Brussel, Mons, Doornik, Calais en weer terug via Lille bereikten zij Parijs, waar het gezelschap drie dagen bleef. Daarna hielden zij zich zestien dagen op in Dixmont bij Villeneuve sur Yonne en vervolgens in Nevers. Op 11 juni verliet het echtpaar Soeterboek de familie Hoeben - men raakte elkaar kwijt, volgens de lezing van Soeterboek - en wist via Sete naar Engeland te ontkomen. Hein Hoeben verbleef nog circa zes weken in Bourges en keerde toen - waarschijnlijk door privé-omstandigheden gedwongen - naar Breda terug. Daar werd hij op 1 augustus door de Duitse politie ingerekend en naar de Kloosterkazerne te Breda overgebracht. De volgende dag vervoerde men hem naar Vught.

Ondertussen was door de Sicherheitsdienst in Breda het archief van de Katholieke Wereldpost helemaal leeggehaald. In twee volle goederenwagons werden de vele boeken en geschriften uit de 'Lügenküche aus Breda' naar München getransporteerd. Later, tijdens de verhoren in Berlijn, doken uit dit archief enkele geschriften op. In de laatste fase van de oorlog moet alles oostwaarts zijn vervoerd: speurwerk heeft opgeleverd dat nu nog waarschijnlijk een en ander van het archief terug te vinden moet zijn in Moskou.

De KWP-redacteur Franz Balhorn schrijft in zijn dagboek Die Kelter Gottes dat op 4 augustus 1940 tot zijn verbazing een lange slanke gestalte door de gang van de kazerne in Vught liep. 'Haben ihn die Spurhunden des SD doch erwischt.' Het bleek Hein Hoeben te zijn, die sterk vermagerd was en er grauw uitzag. Hij werd alleen opgesloten. Op 11 augustus konden ze elkaar voor het eerst bij het luchten spreken. Op 16 augustus werd Hoeben naar de gevangenis in Arnhem overgebracht met een aantal andere katholieke antinazi's, onder wie prof. dr. Robert Regout S.J. uit Nijmegen, rector Lambert Rooyackers uit 's-Hertogenbosch en de genoemde Franz Balhorn uit Breda. In Arnhem werden Hans en Mirzi Steinhage aan deze groep toegevoegd; zij verbleven al enige tijd in deze gevangenis. Ze waren gegijzeld in verband met hun voortvluchtige vader, de bekende katholieke uitgever van het strijdvaardige weekblad Der Deutsche Weg uit Oldenzaal. Voor de Duitsers behoorden de leden van deze groep tot de 'Muckermänner', omdat zij allen contact hadden gehad met staatsvijand nummer één: pater F. Muckermann. Ondertussen was Muckermann naar Zwitserland gevlucht, waar hij tijdens de oorlog verder ondergedoken zou blijven.

Na enkele dagen ging de groep per trein naar Berlijn en werden de gevangenen ondergebracht in de politiegevangenis aan de Alexanderplatz. Daar was het eten sober en onsmakelijk en vormde het ongedierte een zware plaag. Er vonden aanhoudend verhoren plaats. De overige tijd werd doorgebracht met gespreksthema's en er werd veel gebeden. Begin september werd Hein Hoeben als eerste uit de groep genomen en in een kleine cel opgesloten; aanvankelijk met daglicht, later zonder. Een keer per veertien dagen mocht er post doorkomen van de familie. De verhoren werden grimmiger, want hij moest namen noemen van meer 'Muckermänner'. Hoeben noemde alleen de namen van diegenen, van wie hij wist dat ze sympathiseerden met de nazi's. Deze mensen zouden geen gevaar lopen. Verder bleef hij zwijgen en bidden. Uit de aantekeningen in zijn bewaard gebleven gebedenboekjes blijkt hoe vol godsvertrouwen hij bleef en hoe overtuigd hij was van de diepere betekenis van dit martelaarschap. In een schrift heeft Hoeben in de periode september-oktober 1940 in het Duits een gebedencyclus geschreven die steeds meer parallel ging lopen met het lijden en de dood van Jezus Christus. Hoeben was zich er ten volle bewust van hoe het hem zou vergaan.

Slechts één Nederlandse attaché, A. Millenaar, die na het gedwongen vertrek van de functionarissen van de Nederlandse ambassade tijdelijk was geaccrediteerd bij het Zweedse gezantschap, werd als vertegenwoordiger van het Internationale Rode Kruis om de drie weken bij Hein Hoeben toegelaten. De attaché deed verschillende - helaas vergeefse - pogingen om de gevangene vrij te krijgen. Ondertussen werd Hoeben alsmaar zieker en begin februari 1942 werd hij overgebracht naar het Staatshospitaal, waar hij veel pijn leed. Op 28 februari kwam de dood als een verlossing. Een priester werd niet bij hem toegelaten. Anderhalf jaar had hij eenzaam en ziek in een donkere cel doorgebracht.

Millenaar heeft zich op 8 maart 1942 persoonlijk ervan laten overtuigen dat het stoffelijk overschot van dr. Hein Hoeben herkenbaar werd begraven op de stedelijke begraafplaats aan de Rummelburgerstraat in Berlijn. Hierdoor was het na de oorlog mogelijk het stoffelijk overschot over te brengen naar Teteringen. Op 27 juni 1949 is dr. H. Hoeben aldaar opnieuw begraven. Ter herdenking van Hein Hoeben en A. van Lierop, namens de bisschop van Breda geestelijk adviseur en medewerker van de KWP, is er een monument vervaardigd, dat door de Katholieke Actie, de Katholieke Nederlandse Journalistenkring, het Katholiek Nederlands Persbureau en de Katholieke Nederlandse Dagbladpers op 11 september 1950 aan de families Hoeben en Van Lierop werd overgedragen. Ook zijn hun namen terug te vinden op de monumenten voor oorlogsslachtoffers in Moerdijk, Vught en Waalre.


Bronnen

• Franz Balhorn, Die Kelter Gottes, Münster 1946
• N. Herbermann, 'In memoriam pater Friedrich Muckermann', in: Friedrich Muckermann, ein Apostel unserer Zeit, Paderborn 1953
• Jaarboek van het Katholiek Documentatiecentrum 1988, met daarin de artikelen: F. van Vree, 'Van kruistocht tot kruisgang, de bewogen geschiedenis van een katholiek perbureau', 100-113; J. Naber, 'Op weg naar een vakbekwame journalistiek,' 113-129; en J. Brouwers, 'De journalistieke charges van Albert van der Poel', 129-143
• 'Hein Hoeben', in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4, Den Haag 1994, 189 e.v.
• H. Beex en J.G. Dukker, 'Gesprek met mgr. L. Rooyackers', Bisdomblad, 13 april 1973
• Archief Ministerie van Buitenlandse Zaken, Stockholm
• Bisdomarchieven Breda en 's-Hertogenbosch, Berichten over de KWP
• Dagboek L. Soeterboek, mei-december 1940
• Familiegegevens van mevr. A.D.M. Sweep-Hoeben en C. Hoeben, zussen van Hein Hoeben
• Interviews met L. Soeterboek (Son, 10 februari 1995), pater dr. ir. J. van Doormaal (Teteringen, 13 en 17 mei, 3 juni 1995), pater Willibrord (Tegelen, 10 oktober 1995), J. Steinhage (Oldenzaal, 19 juni 1996)


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Corrie Sweep en Ad Maas

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon