Aert van Hoeck (-1676)

dorpsschoolmeester

Aert van Hoeck werd geboren in Tongelre als zoon van Jan en Adriaentken van Hoeck. Hij was getrouwd en had een zoon, Abraham, en een dochter, Marie. Hij overleed in 1676.

Aert van Hoeck, een geboren Peellander en afkomstig uit de Helmondse kooplieden- en regentenfamilie Van Hoeck, werd waarschijnlijk pas kort na de Vrede van Munster in 1648 protestant. Hoewel niet bekend is wat zijn motivatie voor deze stap is geweest, mag men aannemen dat enig opportunisme hieraan niet vreemd is geweest. In 1648 werd Noord-Brabant immers definitief ingelijfd bij de Republiek der Verenigde Nederlanden en als Generaliteitsland onder het bestuur van de Staten-Generaal en de Raad van State gebracht. Dit had tot gevolg dat alle openbare functies, waaronder ook het koster- en schoolmeesterambt, in principe werden voorbehouden aan protestanten, aanhangers van de 'ware gereformeerde religie', zoals de hervormde geloofsleer toen werd genoemd. Tengevolge van de opstand tegen Spanje was deze de officiële godsdienst geworden in de Republiek. Dat betekende overigens niet dat andere religies verboden werden, wél dat wie een min of meer openbaar ambt wilde bekleden, lid moest zijn van de officiële Kerk.

Inderdaad werd Aert in 1649 aangesteld tot koster-schoolmeester in Gerwen. Deze combinatie van koster- en schoolmeestersambt was in de zeventiende en achttiende eeuw normaal. Hij maakte zelfs carrière, want in 1659 werd hij ook armmeester in dit dorp. Aan deze succesvolle loopbaan kwam in 1666 een tamelijk abrupt einde. Een jaar eerder was er een nieuwe predikant gekomen in Gerwen, met wie hij het niet goed kon vinden. De koster-schoolmeester, die tot dan betrekkelijk zelfstandig zijn functie had kunnen uitoefenen, werd nu geconfronteerd met een zielenherder die - zeker van de koster - vóór alles gehoorzaamheid eiste. Van Hoeck accepteerde dit niet met als gevolg dat de verhouding met de predikant danig verstoord raakte. De situatie werd helemaal onhoudbaar toen daar in 1668 nog een conflict met het dorpsbestuur bij kwam over een stukje grond, dat Aert huurde van de kerk. Het begon toen de kerkmeesters om een of andere reden het bewuste perceeltje aan een ander verhuurden. De schoolmeester weigerde zich hierbij neer te leggen en begon een gerechtelijke procedure tegen de dorpsbestuurders. De zaak werd hetzelfde jaar nog voorgelegd aan de gedeputeerden van de Raad van State, die besloten dat het gezien de verstoorde verhoudingen beter was dat Aert van Hoeck van standplaats ruilde met een andere schoolmeester in Peelland. Na enig overleg werd dit Jan Stoffels Provestingh, die op dat moment met weinig succes koster-schoolmeester was in Deurne.

Van Hoeck deed het goed in dit Peeldorp. Waar zijn voorganger voor een leeg klaslokaal stond, omdat de katholieke dorpsbewoners weigerden hun kinderen naar de protestantse schoolmeester te sturen, meldde Aert al in 1668 dat 'de schoole door merckelijck ghetal is komen aan te wassen van scholieren' en dat dit aantal nog dagelijks toenam. Tegelijkertijd moest hij echter constateren dat de ruimte waarin hij de Deurnese kinderen moest onderwijzen aan geen enkele eis voldeed: het dak lekte, de ruiten waren kapot, de vloer bevatte een groot aantal kuilen en schrijftafels ontbraken. Verder had men er wegens het ontbreken van een lessenaar maar een kerkbank in gezet als stoel voor de schoolmeester. Maar ook hier boekte hij succes: na enig aandringen besloot het dorpsbestuur het gebouw van binnen en van buiten op te knappen.

Als geboren Peellander voelde Van Hoeck haarfijn aan hoe hij met zijn dorpsgenoten moest omgaan. Hoewel hij protestant was, trok hij vriendschappelijk en als gelijke met hen op. Zo begon hij - tot ergernis van de predikant - een herberg en schonk daar zelfgestookte jenever en brandewijn. Behalve Aert zelf stonden ook zijn vrouw en zijn dochter regelmatig achter de tapkast, niet alleen 's avonds, maar ook op de 'rustdagen des Heeren', zoals de verontruste Deurnese predikant Plaan liet optekenen in het kerkenraadboek.

Ernstiger was dat Aert van Hoeck het al snel na zijn komst aan de stok kreeg met de drossaard van Deurne, Hendrik van Winteroy, een oud-officier met autoritaire neigingen. Vooral in zijn hoedanigheid van ouderling maakte Van Winteroy het Van Hoeck, die naast schoolmeester immers ook koster was, danig lastig. Vaak ging het daarbij om ogenschijnlijk kleine dingen. Zo maakte de drossaard zich eens zeer boos op de schoolmeester, toen deze in de kerk catechese gaf aan de kinderen. Dat diende volgens de drossaard in de school te gebeuren. Een ander typerend incident ging over het opslaan van turf door de schoolmeester in een ruimte onder de kerktoren. Aert had hiervoor toestemming gevraagd en gekregen van de predikant. Van Winteroy kwam daar achter en eiste op hoge toon van de schoolmeester dat hij de turf zou weghalen. In het bijzonder zat het hem dwars dat Van Hoeck aan de predikant toestemming had gevraagd en niet aan hem, terwijl hij toch ouderling was.

Een gebeurtenis van veel groter importantie, waarbij de drossaard een voor Aert van Hoeck kwalijke rol speelde, was de Sint Thomas kinderopstand in 1670. Van oudsher was in Brabant het gebruik op 21 december, de feestdag van Sint Thomas, de meester buiten de school te houden. Als de schoolmeester dan aan de deur kwam, deden de kinderen alsof zij hem niet kenden, totdat hij hen beloofde te trakteren. In 1670 viel Sint Thomas op een zondag en dus was er die dag geen school. Van Hoeck weigerde dan ook de kinderen die dag een traktatie te geven. Het gevolg was een heuse kinderopstand, waarbij de schoolmeester in het bijzijn van de drossaard en de leden van de kerkenraad lastig gevallen werd door troepen kinderen die hem verhinderden zijn werk als koster te doen. Toen Aert bleef weigeren te trakteren, ruïneerde een aantal kinderen zijn tuin met wintergroenten en bekrasten ze de muren en ramen van zijn huis. De volgende dag ging het geweld tegen de meester door en werd onder het goedkeurend oog van de drossaard het schoolhuis geplunderd, werden de ruiten ingegooid, de muren nogmaals bekrast en werd het schoolmeubilair vernield. Pas dagen daarna werd het weer rustig.

De ervaringen van Van Hoeck kunnen in veel opzichten representatief genoemd worden voor wat de meesten van zijn collega's in Noord-Brabant tijdens de periode 1648 tot 1795 ondervonden. Overal was de schoolmeester als protestant als het ware ingeklemd tussen de katholieke dorpsbevolking en het in meerderheid gereformeerde dorpsbestuur. Als koster was hij bovendien gehoorzaamheid verschuldigd aan de predikant die vaak weinig gevoel had voor de delicate verhoudingen binnen de dorpsgemeenschap. De predikant eiste van hem loyaliteit aan de gereformeerde kerk, en verwachtte van hem dat hij onderwijs in gereformeerde zin gaf; de dorpsbewoners daarentegen waren gemakkelijker ertoe te bewegen hun kinderen naar school te sturen als de school een minder duidelijk protestants stempel droeg. Voor de schoolmeester was het daarom van het grootste belang dat hij het vertrouwen won van zijn katholieke dorpsgenoten.

De strategie die Van Hoeck hierbij koos - en met hem vele anderen - was dat hij van harte deelnam aan het sociale leven in het dorp. Het houden van een eigen herberg was hierbij een belangrijk aspect. Dit werd overigens absoluut niet als iets minderwaardigs beschouwd. Het hele sociale leven op het platteland speelde zich immers in die tijd voornamelijk af in de herbergen en dranklokalen. Ook het dorpsbestuur vergaderde in de gelagkamer van de dorpsherberg. In de ogen van de protestanten waren herbergen echter poelen van verderf waar schoolmeesters, die het voorbeeld voor de dorpsjeugd moesten zijn, zich verre van moesten houden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Van Hoeck daardoor - en wederom met velen van zijn collega's - in conflict met de predikant en de kerkenraad geraakte.

Daarnaast was Aert van Hoeck waarschijnlijk geen gemakkelijk mens. Zijn verwantschap met het aanzienlijke Helmondse kooplieden- en regentengeslacht Van Hoeck, een familie die al generaties lang in Peelland woonde en in verschillende plaatsen een vooraanstaande positie had opgebouwd, zal er mede toe bijgedragen hebben dat Aert niet geneigd was snel het hoofd te buigen voor nieuwkomers in de streek. In Deurne had hij de pech tegen een wel zeer autoritair opererende drossaard aan te lopen, die niet naliet om te laten merken wie het voor het zeggen had in het dorp en in de kerk.

In 1675 barstte de bom. Omdat Van Hoeck en zijn gezin weigerden op te houden met hun herberg, zoals de predikant herhaaldelijk had geëist, werden zij in eerste instantie geschorst van het bijwonen van de Avondmaalviering. Dit is voor protestanten een zeer zware straf omdat zij hiermee buiten de kerkelijke gemeenschap worden gesloten. Tegelijkertijd begon de drossaard een gerechtelijke procedure tegen de koster-schoolmeester. Toen de heer van Deurne, Rogier van Leefdael, het opnam voor Van Hoeck, wendde Van Winteroy zich tot de Raad van State. Deze gaf de klacht in handen van hun gedeputeerden die in 1676 een rondgang maakten door Staats-Brabant. In juli besloten deze dat meester Aert ontslagen moest worden uit zijn ambt, hetgeen dan ook gebeurde.

De schoolmeester heeft zijn ontslag niet lang overleefd. Omstreeks 1 november 1676 stierven Aert van Hoeck en zijn vrouw aan wat destijds 'roode loop' werd genoemd en wat nu bekend staat als dysenterie. Op 11 november werden zijn meubelen door zijn zoon Abraham, die vorster - nu zouden we zeggen gerechtsdeurwaarder - was, publiekelijk verkocht.


Bronnen
• H.N. Ouwerling, Geschiedenis der dorpen en heerlijkheden Deurne, Liessel en Vlierden, Deurne, z.p. [1933]
• A.M. Frenken, Memoriaal der dorpen en parochies Gerwen, Nuenen en Nederwetten, 's-Hertogenbosch 1948
• H.Th.M. Roosenboom, De dorpsschool in de Meierij van 's-Hertogenbosch van 1648 tot 1795, Tilburg 1997


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Henk Roosenboom

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon