To Hölscher (1898-1953)

kinderboekenschrijfster

Catharina Margaretha Clasina Hölscher werd geboren te Helmond op 16 januari 1898 als jongste dochter van Pieter Christiaan Hölscher en Maria Peskens. Ze overleed in haar geboortestad op 9 december 1953.

De ouders van To hadden een gemengd huwelijk; haar moeder was katholiek, haar vader protestant. To had verder twee zusjes. Toen ze anderhalf jaar oud was stierf haar moeder, maar haar vader hertrouwde al spoedig met Geertje Davidse, evenals hij protestant. In 1903 verhuisde het hele gezin naar Dordrecht. De jaren die volgden, waren voor To de mooiste uit haar jeugd, vertelde ze later vaak. In 1907 overleden echter haar vader en haar moeder vlak na elkaar. To en haar zusjes kwamen terecht in het protestantse weeshuis 'Neerbosch' in Nijmegen. De opvoeding was er streng en in het huis was het erg armoedig zodat To zich heel ongelukkig voelde.

In juli 1908 deed het katholieke deel van de familie, waaronder To's grootmoeder, echter zijn aanspraak gelden op een katholieke opvoeding voor haar en haar zusjes. Het drietal werd geplaatst in het St.-Aloysiusgesticht op de Markt in Helmond. Dit was een weeshuis, geleid door de Zusters van Liefde uit Tilburg. Door op deze manier opgenomen te worden in de katholieke kerk kreeg To Hölscher het gevoel thuis te komen. Ze gaf dan ook later het boek met haar bekeringsgeschiedenis de titel Eindelijk thuis.

Toen ze veertien jaar was, vertrok ze naar de kweekschool in Schijndel. In 1916 behaalde ze haar onderwijsakte en kreeg meteen een aanstelling als onderwijzeres aan de Mariaschool in Helmond. Ze ging weer wonen bij de zusters, maar nu als pensiondame. In de loop der jaren behaalde To nog de akten Engels en Nederlands.

In 1931 werd ze benoemd tot lerares aan de Nazareth-U.L.O in haar woonplaats, waar ze les zou geven in aardrijkskunde, Engels, en Nederlands. Vooral haar aardrijkskundelessen waren zeer in trek. Ze kon geweldig goed vertellen over de reizen die ze had gemaakt met haar hartsvriendin Christine Banning; samen bezochten ze vele landen, tot aan Spitsbergen toe. Christine was ook bij de zusters in pension en evenals To onderwijzeres. In 1938 besloten de vriendinnen te gaan samenwonen. Zij betrokken een voor hen in de kloostertuin van de zusters gebouwd huis aan de Watermolenwal.

To Hölscher was zeer excentriek. Ze had kortgeknipt ponyhaar, wat voor die tijd heel ongebruikelijk was. Ze droeg vaak een zwarte cape en had daarbij dan een grote zwarte hoed op. Soms kon men haar bewonderen in een rijkostuum want paardrijden was haar grote liefhebberij. Ze bezat dan ook een eigen paard, dat Noortje heette. Ze was ook dol op lezen. Haar favoriete schrijvers waren Van Duinkerken, Kuyle en Schreurs; Chestertons Flying Inn kende ze letterlijk van buiten en de werken van Charles Dickens las ze elk jaar opnieuw door.

Als schrijfster was To Hölscher zeer productief. Al vanaf haar achttiende jaar schreef ze korte verhalen voor het Kleuterblaadje en de Roomsche Jeugd. In 1925 verscheen haar eerste boek, Hoe trotschkopje genas, dat direct een groot succes was. To vond de kinderboeken in die tijd erg zalvend en onecht. Ook veel preutsheid en vooroordelen trof zij er in aan. Daarom probeerde ze met haar werk een geest van vernieuwing en verfrissing te brengen op het gebied van kinderlectuur en tevens de vorming van geest en hart te combineren met ontspanning. Ofschoon de verhalen naar hedendaagse begrippen erg moraliserend waren, bleken ze toch in de smaak te vallen, want de meeste boeken zijn vele malen herdrukt.

Het steeds terugkerend motief was het harmonieuze, vaak te idealistisch voorgestelde gezin waarin veel werd gebeden en vaak naar de kerk werd gegaan. Haar boeken voorzagen duidelijk in een behoefte van katholieke opvoeders van die tijd; ze ademden de 'Roomsche' sfeer van toen. Een goed voorbeeld hiervan is de serie De Zandmannetjes, schoolboekjes die zo populair waren dat ze zestien maal werden herdrukt. Ze leveren een schat aan gegevens over het reilen en zeilen van een katholiek gezin in de jaren dertig. Ook de romantische verhalen die To schreef voor de Katholieke Illustratie waren typisch rooms getint. Bij dit alles was To Hölscher echter op de eerste plaats pedagoge, haar literaire capaciteiten en pretenties kwamen op de tweede plaats.

Behalve de al eerder vermelde serie De Zandmannetjes schreef To veel meer schoolboekjes: Door de jaargetijden, Lezen, De weg waar ik wel wonen wou, Gijsje Goedbloed en Gods Liefdeplan. De laatste serie schreef ze samen met pater Romualdus OFM Cap. Voor kleine kinderen schreef ze meer dan dertig kleine boekjes met versjes. De meeste werden geïllustreerd door Ida Bohatta-Morpurgo uit Oostenrijk met wie To overigens nooit contact heeft gehad: ze kreeg van de uitgevers alleen de prentjes toegestuurd met het verzoek ze van versjes te voorzien.

Voor de leeftijdsgroep van zes tot acht jaar verscheen ieder jaar afwisselend voor jongens en voor meisjes een boek in de serie Voor kleine vriendjes van O.L. Heer, later veranderd in Voor kleine Vriendjes. Maar ook voor oudere meisjes schreef To boeken. Hiervan werd Toen moeder ziek was het meest bekend. Ze maakte het naar aanleiding van een prijsvraag voor katholieke kinderboeken, in 1929 uitgeschreven door de overigens niet-katholieke uitgever G.B. van Goor in 's-Gravenhage, waar ze de eerste prijs behaalde. Ruim dertig jaar later verscheen de tiende druk. Het boek Hoe Liefde overwon, dat To zelf een van haar beste boeken vond, werd tevens haar grootste teleurstelling toen de Keurraad voor Roomsche Jeugdliteratuur het werk afkeurde omdat er, heel voorzichtig, huwelijksproblemen in werden besproken.

Grote bekendheid kreeg To Hölscher door haar katholieke Jeugdbijbel die zij samen met pater Romualdus OFM Cap. schreef. Zij geeft hierin een boeiende en begrijpelijke navertelling van het bijbelverhaal. Verder staan ook veel gelegenheidswerkjes, waaronder toneelstukjes en gebedenboekjes, op haar naam. Voor de uitgave van het verzenbundeltje Welgefeliciteerd schaamde ze zich echter. In een interview zei ze het uit wanhoop te hebben geschreven omdat de schoolkinderen bij allerlei gelegenheden om versjes kwamen zeuren.

Naast de ruim honderd kinderboeken die To geschreven heeft, verschenen van haar hand artikelen over opvoedkundige problemen in het tijdschrift de Katholieke Vrouw, maar ook de Thijmalmanak en in De Gemeenschap, een literair tijdschift onder redactie van onder andere Anton van Duinkerken, namen bijdragen en gedichten van haar op.

Een lange, slopende ziekte maakte een einde aan het leven van To Hölscher die als schrijfster van zoveel gretig gelezen school- en leesboeken talloze generaties van vooral meisjes beïnvloed en gevormd heeft.


Bronnen

• Marry Remery, To Hölscher, in Lexicon Jeugdliteratuur, september 1982
• Bij To Hölscher op bezoek, in: De Nieuwe Eeuw, mei 1935
• Tini Söhngen-van Gotum, To Hölscher, haar leven, haar werk, in: Helmonds Heem, 1989, afl. 3


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Tini Söhngen-van Gotum

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon