Anton Huijbers (1874-1935)

kapelaan en cultuurpromotor

Nicolaas Antonius Josephus (Anton) Huijbers werd geboren in Nijmegen op 27 februari 1874 als zoon van de graanhandelaar Frederikus Antonius Huijbers en Wilhelmina Antonia Peters. Huijbers stierf op 22 juli 1935 in Gent in België.

Anton Huijbers bezocht van 1887 tot 1892 het kleinseminarie van het bisdom Haarlem 'Hageveld' in Voorhout en daarna tot 1893 het kleinseminarie 'Beekvliet' in Sint-Michielsgestel. Daarvandaan ging hij naar het Haarense grootseminarie. Huijbers onderscheidde zich door zijn meer steedse ontwikkeling van veel van zijn medestudenten. Ook later, toen hij zich vaak in heftige bewoordingen uitliet, bleef hij - dit zal ook wel te maken hebben met zijn bemiddelde afkomst - altijd een heer, een gentleman-kapelaan.

Al tijdens zijn opleiding ontwikkelde Anton Huijbers een grote belangstelling voor de letterkunde. Zo vinden we in het seminarie-archief de aantekening poëta egregius ('uitnemend dichter'). Ook daarna probeerde hij zijn indrukken als wijdeling en jong priester vorm te geven in poëzie. Huijbers hoorde met Anton van Delft en Willem Smulders tot de priester-dichters. In 1904 zou Huijbers in Nijmegen een bundel van zijn gedichten uitgeven, getiteld Christhus Mysticus. Van Duinkerken meende dat hij alleen al met deze titel boven zijn macht greep. De literaire kritiek in die dagen had ook weinig waardering voor Huijbers' werk. Huijbers was door deze kritiek ontgoocheld en liet daarna als dichter niet meer van zich horen.

Op 27 mei 1899 werd Anton Huijbers tot priester gewijd. Hierna was hij enige tijd kapelaan in Udenhout en vanaf augustus 1900 in Beuningen. In 1903 werd hij benoemd als kapelaan in Oisterwijk. Hier raakte hij al snel betrokken bij het culturele leven. Huijbers meende dat het openbare leven in Oisterwijk 'versuft en vermuft' was en dat de kerk buiten de kerkmuren geen rol van betekenis speelde. Hij beschouwde verder de heersende armoede als een beletsel voor de geestelijke ontwikkeling van de bevolking. Zijn culturele activiteiten begon hij in het in 1899 door de fraters gestichte patronaat. Huijbers poogde het diepere bewustzijn van de jeugd te bereiken en 'op den duur ook een vaste gerichtheid naar de bovennatuurlijke levenseinder' door het aanhoren en opzeggen van gedichten. Met de leden van drankbestrijdersvereniging 'St. Paulus', opgericht in 1901, begon hij stukken in te studeren die de nadruk legden op de gevolgen van drankmisbruik. Door toedoen van de actieve Anton Huijbers was na drie jaar meer dan tien procent van de Oisterwijkers lid van deze vereniging. Zo werd hij organisator van toneelspelen, waarbij hij zelf graag voorspeelde en de Oisterwijkers poogde de teksten te laten spreken zonder al te veel invloed van het dialect. Deze stukken waren van een niet al te hoog niveau.

In 1905 richtte Huijbers een speeltuinvereniging op. De speeltuin was de eerste zonder relatie met een kroeg. Hij bleef zich echter ook met toneel bezighouden. Gaandeweg stapte hij over van de 'drankbestrijdersdramatiek' op de meer serieuze toneelwerken van schrijvers als Vondel. Met het stuk Lucifer opende hij in 1914 het gebouw van de door hem gestichte Kunstkring. De opvoering van dit stuk trok meer dan 20.000 bezoekers. In de Kunstkring werden alle culturele activiteiten ondergebracht die onder leiding van Huijbers waren ontplooid. Huijbers werd de eerste voorzitter en moderator van deze 'R.K. Vereeniging Kunstkring Oisterwijk Omhoog', zoals de naam voluit luidde. Een van haar doelstellingen was de veredeling en versterking van het katholieke leven, zowel het openbare als het persoonlijke. Hij poogde met zijn Kunstkring in de eerste plaats Oisterwijk 'te vrijwaren tegen den kanker der neutraliteit'. De vreugde in 1914 te kunnen beschikken over een eigen gebouw was echter van korte duur. Kort na de opening werd het pand door de staat gevorderd voor de inkwartiering van troepen. De toneelactiviteiten van de Kunstkring moesten worden verplaatst naar de openlucht. In 1915 werd aan het Radven op het landgoed De Hondsberg een openluchtspel opgevoerd, een nieuw fenomeen in Noord-Brabant. Gekozen werd voor De Verloren Zoon van Willem Smulders, dat door een beroepsgezelschap ten tonele werd gebracht. Anton Huijbers wordt hierdoor beschouwd als de grondlegger van het Brabantse openluchttoneel. In de periode van 1964 tot 1984 bestond er een provinciale toneelprijs voor openluchttoneel, die naar hem was genoemd.

Van alle niet-katholieken stonden de socialisten Huijbers het minst aan. In 'het heilig plaatsje Oisterwijk' van Huijbers waren in het begin van deze eeuw vele socialistische sigarenmakers en schoenmakers actief. Vooral tijdens de spoorwegstaking van 1903 liet Huijbers van zich horen. Hij zette met succes werkgevers in Oisterwijk onder druk om socialistische arbeiders te ontslaan. Dit kwam hem op verschillende aanvallen in het socialistische blad De Toekomst te staan. Volgens dit tijdschrift zou Huijbers geprobeerd hebben spoorwegarbeiders te winnen voor de katholieke bond door het rijkelijk laten vloeien van bier. En dat terwijl het juist de drankbestrijders van 'St. Paulus' waren die in deze tijd zongen: 'Wij gaan den socialist bestrijden, den boozen geest van dezen tijd. Wij duiden hem niet langer in ons midden: Hij moet er uit, er uit, uit Oisterwijk.'

In de strijd tegen andersdenkenden kreeg de Oisterwijkse clerus een belangrijk nieuw wapen in handen met de oprichting van het weekblad Kerkklokje. Vrij snel na het ontstaan begon Huijbers met een bijlage bij het blad, waarin hij de geschiedenis van Oisterwijk beschreef. Deze bijlagen werden later gebundeld in het boek Oud Oisterwijk. Dit boek behandelt aan de hand van de pastoors die Oisterwijk in het verleden hadden bediend de middeleeuwse geschiedenis van Oisterwijk en daarna de Tachtigjarige Oorlog. Het verhaal eindigt in 1648 omdat Huijbers meende dat voor Oisterwijk toen 'de zon was ondergegaan', waarna de 'slavernij onder Staats-Brabant' was gevolgd. Hij kon geen enkel begrip opbrengen voor de activiteiten van de protestanten die hij in zijn boek bestempelde als: 'beestengeweld dier schurkentroepen', 'schuimers, uitvaagsel der maatschappij', 'razende bende', 'bloeddorstige tijgers' en 'ongedierte'. Samenvattend concludeerde Huijbers: 'De geuzen! Dat is: plundering en schennis en schuimende goddeloosheid.' De Middeleeuwen werden door hem geïdealiseerd: 'O mooie middeleeuwen, waarover soms de glimlach des hemels speelt. - Is onze "Katholieke Kunstkring" niet een frissche wederopbloei van middeleeuwsche schoonheid in Oisterwijk!'. Willem van Oranje vond hij 'even opgeblazen als zijn pofmouwen' en verder omschreef hij hem al 'de sluwe veinzaard' en 'de onbeschrijvelijke huichelaar'. Deze minachtende opmerkingen over Willem van Oranje leidden zelfs tot vragen in de Tweede Kamer. Voor Huijbers was het socialisme een uitvloeisel van het protestantisme: 'Een geesteskind van het protestantisme is het socialisme: men begint met het gezag van de Kerk Gods te verwerpen, om tenslotte ook God zelven te ontkennen.' In zijn boek, dat kort na de Russische revolutie van 1917 verscheen, sprak hij over de 'geuzenbolsjewiki's'.

Huijbers kende geen compromissen en deze houding heeft hem ook in conflict gebracht met de zusters van het klooster Catharinenberg. Kapelaan Huijbers had het initiatief genomen om een monument op te richten voor de bekende priester-dichter Adriaen Poirters, die in de zestiende eeuw in Oisterwijk was geboren. Het beeld zou moeten komen te staan komen op het Oisterwijkse Kerkplein, dat daartoe verbreed en vergroot moest worden. De zusters wilden aanvankelijk grond hiervoor afstaan, maar kwamen hierop terug. Ruzie en een verstoorde relatie waren het gevolg. Ook over de houding van de fraters was hij niet tevreden: 'De rijkaards hebben geen cent voor Poirters over gehad,' zei hij later.

De activiteiten van Huijbers kunnen niet los gezien worden van de ontwikkelingen in de katholieke kerk aan het begin van deze eeuw. Er kwam toen een scherpe reactie op het modernisme in de kerk. De integralisten wilden een terugkeer naar een gesloten katholicisme waar geen concessies zouden worden gedaan aan de moderne ontwikkelingen. Huijbers' opvattingen sluiten aan bij het gedachtegoed van deze integralisten. Zij bestreden fel alles wat maar riekte naar neutraliteit, feminisme en progressieve politiek en stelden een sterk gezag centraal. In een van de voetnoten in zijn boek noemde Huijbers de modernisten 'naamkatholieken', die hij omschreef als 'feitelijke deserteurs, spionnen, verraders, die liefst heimelijk samenrotten met al wat links is'.

Huijbers' strijdbare houding, de vele conflicten die daarvan het gevolg waren en het feit dat na 1914 de integralisten veel van hun invloed verloren, hebben waarschijnlijk een rol hebben gespeeld bij zijn benoeming tot pastoor in Bergharen in 1920. Het is zeer twijfelachtig of Huijbers zijn nieuwe positie als pastoor van Bergharen als een promotie kon zien. In deze onaanzienlijke plattelandsgemeente in het Gelderse Land van Maas en Waal was het voor hem erg moeilijk om zijn activiteiten voort te zetten en hij heeft zich daar ongetwijfeld eenzaam gevoeld. In Bergharen heeft Huijbers nauwelijks van zich doen spreken.

Moe gestreden en door ziekte verzwakt vertrok Anton Huijbers na enige jaren naar Gent in België om zich daar door zijn zusters te laten verplegen. Hij overleed in deze plaats op 22 juli 1935, waarna hij werd bijgezet in het familiegraf in Nijmegen.

In het begin van de jaren '50 werd er in Oisterwijk een campagne gevoerd voor een borstbeeld van kapelaan Huijbers. De actie verliep uitermate moeizaam. De bereidheid om geld te geven was niet groot onder de Oisterwijkse bevolking. Een gift van buiten Oisterwijk maakte uiteindelijk de onthulling van het borstbeeld op de Lind mogelijk. Kort nadat Anton van Duinkerken in 1955 het beeld had onthuld, werd het bedekt met een vette laag zult.


Bronnen

• Theo Cuijpers, 'Anton Huijbers, de man van Oisterwijk', in: Th. Cuijpers, red., Naar verluidt. Kerk en pers in Oisterwijk, Oisterwijkse Historische Reeks 2, Oisterwijk 1992, blz. xx-xx
• L.J. Rogier, 'Op- en neergang van het integralisme', in: Herdenken en Herzien, Bilthoven 1974


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Theo Cuijpers

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon