Jasper van Kinschot (1552-1603)

een Brabander in dienst van Oranje en dienstig aan zijn gewest

Jasper van Kinschot werd geboren op 15 oktober 1552 in Turnhout, in het toen nog ongedeelde Brabant, als zoon van Zeger van Kinschot en Josine Roe(lo)fs. Op 20 september 1578 huwde hij in de Grote Kerk van Bergen op Zoom Josina Pijll, dochter van Nicolaas Pijll en Cornelia Boulijn. Zij was geboren op 25 januari 1562 op kasteel Wouw bij Roosendaal. Het echtpaar kreeg veertien kinderen van wie er slechts zeven de volwassen leeftijd bereikten. Na het overlijden van zijn echtgenote op 11 december 1601 hertrouwde Jasper op 17 augustus 1603 te Vlissingen met Maria de Chantraines dict Broucqsault. Uit dit huwelijk werd postuum een dochtertje geboren, dat echter na enkele maanden overleed. Jasper van Kinschot overleed op 11 december 1603 te 's-Gravenhage.

In zijn prille jeugd genoot Jasper in de vrijheid Turnhout onderwijs, waarbij Latijn en Grieks, maar ook muziek en orgel- en clavecimbelspel deel uitmaakten van het programma. In 1567 ging hij naar de Universiteit van Keulen, alwaar hij bij de Jezuïeten verbleef. Nog voordat hij zijn studie voltooid had, kwam er in 1570 een bevel van Filips II aan alle onderdanen die aan vreemde universiteiten studeerden, deze te verlaten en te gaan studeren in de Universiteyten sijner subjectie oft tot Romen. Met dispensatie van Alva bleef Jasper te Keulen tot hij baccalaurus artium was. In Dowaai behaalde hij op 20 maart 1571 de titel doctor artium. Hij bleef daar nog enkele maanden langer om de françoische tale te leren, waarna hij in augustus 1571 in Leuven rechten ging studeren. Als baccalaurus iuris ging hij tenslotte in 1574 naar Brussel om de juridische praktijk te leren.

Zijn praktijkjaren begon hij te Brussel als klerk bij mr Willem van Winde, bij wie hij ook in de kost ging. Vervolgens ging hij in de leer bij zijn neef, advocaat mr Hendrick van Kinschot. Toen de functie van griffier van de Raad en Rekenkamer en het Leenhof van de Markiezen van Bergen op Zoom vacant kwam, solliciteerde Jasper hiernaar. Dat hij die functie ook daadwerkelijk kreeg, behoeft geen verbazing te wekken; de baanderheer van Merode, die namens zijn dochter Margaretha, markiezin van Bergen op Zoom, dit ambt mocht begeven, werd door Hendrick van Kinschot in al zijn zaken bijgestaan. Ongetwijfeld heeft deze laatste zijn neef aanbevolen. Na zijn aanstelling, op 8 juli 1577, vestigde Jasper zich te Bergen op Zoom bij Jan de Sage, kanunnik en deken der Grote Kerk. Hiermee begon zijn zelfstandige loopbaan én zijn betekenis voor het noorden van Brabant. Zowel in zijn persoonlijk leven als in zijn carrière ging het Jasper in deze jaren voor de wind; hij 'vrijde' en huwde vervolgens jonkvrouwe Josina Pijll, wier vader Nicolaas raad en commies van de markies van Bergen op Zoom was.

In 1581 werd Jasper raad en stadhouder van de lenen van Bergen op Zoom. Spoedig echter kwamen er problemen wegens de Spaansgezindheid van de markies: in 1582 werden zijn goederen door de Staten van Brabant aan de prins van Oranje gegeven. Voor Jasper van Kinschot had deze maatregel het einde van zijn carrière kunnen betekenen. Hij ging echter over in dienst van Willem van Oranje in zijn oude functie van griffier (25 januari 1583) en kreeg korte tijd later tevens de functie van rentmeester-generaal van het Huis van Bergen op Zoom.

Of hierbij van een bewuste verandering van loyaliteit -en wellicht ook van godsdienst- sprake was, blijkt niet uit Jaspers aantekeningen. Ook bleek bij deze gelegenheid dat Willem van Oranje gemakkelijk de functionarissen van zijn Spaansgezinde voorganger -ook Jaspers schoonvader Nicolaas Pijll kwam in dienst van Oranje- overnam. Had hij wellicht gebrek aan geschoolde functionarissen? Eén ding is zeker: Van Kinschot heeft, evenals zijn schoonvader, het vertrouwen van de Oranjes niet beschaamd. Dit moge blijken uit zijn verdere carrière en uit de gegevens die we bezitten over hem en zijn gezin.

Al kort na zijn indiensttreden bij Oranje, werd Jasper samen met zijn schoonvader naar Antwerpen ontboden, waar zij het verzoek kregen orde op zaken te stellen in de financiën van de Oranjes. Enige tijd later werd hij, wegens het overlijden van griffier Johan Baptista Vogelsanck, tevens benoemd tot griffier van Willem van Oranje. Op last van deze laatste ging hij, aangezien Steenbergen in augustus 1583 door de vijand was ingenomen, met zijn schoonvader en met een ingenieur naar de Ruigenhil om deze plaats te versterken en te omwallen. Deze voor Jasper waarschijnlijk zeer buitenissige opdracht schijnt hij bijzonder goed volbracht te hebben. De plaats, die later 'Willemstad' genoemd werd, eerde hem met een jaarlijks pensioen en met het peetvaderschap over één van zijn kinderen. Met zijn griffierschap in dienst van Willem van Oranje blijkt hij eveneens het griffierschap van het huis van Buren bekleed te hebben, in dienst van Willem van Oranjes dochter Maria. In 1587 legde hij deze functie, wegens de andere drukke werkzaamheden, neer.

In 1586 kreeg Maurits van Leicester toestemming in het markiezaat van Bergen op Zoom een voorziening te treffen op justitieel gebied voor die zaken waarvoor men op de Raad van Brabant te Brussel was aangewezen. Deze zaken werden vanaf die tijd behartigd door enkele door Maurits benoemde deskundigen alsmede door de leden van Maurits' eigen raad. We zien in de stukken van deze voorloper van de Raad van Brabant te 's-Gravenhage ook de naam van Jasper van Kinschot voorkomen. In september 1591, toen de Raad van Brabant te 's-Gravenhage werd opgericht, werd Jasper tot raad in dit college benoemd, terwijl hij tevens zijn functies voor prins Maurits bleef vervullen.

De band die Jasper met de Oranjes had gekregen, blijkt ook uit het feit dat diverse leden van dit huis peetvader of peetmoeder van kinderen van Jasper waren. Zo was Maria van Nassau in 1589 peet van Maria van Kinschot, Maurits in 1590 van zijn naamgenoot Van Kinschot, Emilia van Nassau, zuster van Maurits, van een gelijknamig Kinschot-dochtertje in 1593 en tenslotte Louise de Coligny van Lodewijck van Kinschot in 1595.

Nergens vermeldt Jasper in zijn autobiografische aantekeningen iets over zijn geloofsovertuiging, maar mede uit bovenstaande gegevens mogen we afleiden dat hij in de jaren tachtig van de zestiende eeuw is overgegaan tot het calvinisme.

Zijn Brabantse geboorte was voor zijn aanstelling in de Raad van Brabant een vereiste. Zijn collega-raadsheren waren -aanvankelijk vrijwel zonder uitzondering- geboren Brabanders. Zijn kinderen vonden hun huwelijkspartners echter ook onder de leden van Hollandse en Zeeuwse aanzienlijke families.

Jasper van Kinschot, wiens lijfspreuk 'Virtute et Constantia' was, ofwel 'Geduerighe deucht verwint' was, werd aldus de stamvader van een Noordnederlandse protestantse tak van de familie Van Kinschot.


Bronnen

• Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage, Familie-archief Van Kinschot, Autobiografische aantekeningen van Jasper van Kinschot (diverse handschriften)
• C.Ph.L. van Kinschot, Genealogie van het Geslacht van Schooten, later genoemd: (van) Schoyte (België) en Van Kinschot (België en Nederland), 2 delen., Tiel 1910-1912
• P.C. Molhuijsen en Fr. K.H. Kossman (red.), Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, 10, Leiden 1937


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Th.E.A. Bosman

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon