Nellie van Kol (1851-1930)

pedagoge en kinderboekenschrijfster

Nellie van Kol werd op 12 december 1851 in 's-Hertogenbosch geboren als Marie Porrey. Haar ouders, David Porrey, commies bij de Rijksbelastingen, en Sophia Frederika Juliana Wilhelmina Neirinckx, waren streng Nederlands-hervormd. Zij gaven hun dochter de namen Jacoba Maria Petronella. Van de zes kinderen uit het gezin bleef, naast Marie, slechts één zoontje in leven. Marie Porrey was getrouwd met ir. Henri Hubert van Kol (1852-1925). Uit dit huwelijk kwamen vier kinderen voort, waarvan er twee kort na de geboorte stierven. Nellie van Kol overleed op 24 februari 1930 te Utrecht.

Marie Porrey studeerde voor onderwijzeres en gaf van 1871 tot 1876 les, onder meer in Duitsland op de kostschool van de Hernhüttersgemeente in Gnadau. Onderwijzeres was ze echter niet uit roeping, maar uit noodzaak om in haar onderhoud te kunnen voorzien. Het bestaande schoolsysteem wekte veeleer afschuw bij haar op. In 1877 vertrok Marie Porrey als gouvernante naar Nederlands-Indië. Het leven daar beviel haar slecht en ze voelde zich vaak depressief. In haar dagboek komen regelmatig aantekeningen voor als: 'Met dorst naar hoogere kennis moet ik de kindertjes het ABC leren. Ik heb lust het uit te gillen van wanhoop en bitterheid! Wat had ik kunnen worden?!'

Ook buiten haar dagboek hanteerde Porrey geregeld de pen. In 1882 won zij met een reisverslag een prijsvraag van het Soerabaja's Handelsblad. Deze krant publiceerde in de jaren 1882-1883 haar 'Brieven aan Minette', waarin Porrey haar visie gaf op onderwerpen als de koloniale samenleving, de positie van de vrouw en de opvoeding van kinderen. Ze schreef onder de naam 'Nellie' en zo ging ze zich ook in het dagelijks leven noemen. Haar artikelen werden al snel populair, waardoor de verkoopcijfers van de krant omhoog schoten. Een van haar bewonderaars was Henri Hubert van Kol, een ingenieur bij de Waterstaat. Van Kol was ook een van de eerste Nederlandse socialisten. In 1871 was hij als student toegetreden tot de Eerste Internationale. Kort na hun kennismaking in 1883 traden Porrey en Van Kol in het huwelijk. Nellie van Kol ging door met schrijven en publiceerde onder meer in 1883 een bundel kinderverhalen, Bloemensprookjes. Tijdens haar jaren in Nederlands-Indië gaf ze ook op andere manier blijk van haar grote belangstelling voor de jeugdliteratuur. Zo probeerde zij de lectuur voor de Indische jeugd te verbeteren.

Tijdens een Europees verlof in de jaren 1884-1886 vestigde het echtpaar Van Kol zich in het Belgische Aywaille. Vandaaruit maakte Nellie vele reizen. Samen met haar man nam zij deel aan activiteiten van de socialistische beweging. Zo leerde ze vele belangrijke socialisten kennen, onder wie Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Nellie van Kol voelde zich niet aangetrokken tot de politiek. Wel publiceerde zij als een van de eerste vrouwen artikelen in socialistische bladen, onder meer over socialisme en opvoeding.

In 1892 keerden Nellie van Kol en haar man voorgoed terug naar Europa. Ze vestigden zich opnieuw in België. Opnieuw werd Nellie actief als schrijfster. Ze publiceerde in het tijdschrift Evolutie en nam stelling in zaken als seksuele voorlichting, de monarchie en feminisme en socialisme. Van 1893 tot 1900 vormde zij met Emilie Claeys de redactie van het socialistische maandblad De Vrouw. Dit blad was bedoeld als het orgaan van de Hollandsch-Vlaamsche Vrouwenbond, die zij samen hadden opgericht. Van Kols bijdragen hierin waren sterk emancipatorisch getint. In deze tijd hield ook geregeld lezingen met als onderwerp de 'ontvoogding van de vrouw'. Dergelijke 'moderne' ideeën werden niet altijd even goed ontvangen. Zo leidde een artikel over seksuele opvoeding in De Vrouw tot het verlies van vrijwel alle Belgische abonnees. Het blad kreeg daardoor een overwegend Nederlands karakter. Dit bracht haar in botsing met de redactie van Evolutie, met name met redacteur Wilhelmina Drucker, die in De Vrouw een concurrent op een toch al smalle markt zag. Er kwam uit het socialistische kamp overigens meer commentaar op De Vrouw. De kritiek van Van Kol op het optreden van de delegatie van de Sociaal Democratische Bond (SDB) tijdens de Tweede Internationale in Zürich, was daar ongetwijfeld debet aan. Daarnaast speelde ongetwijfeld mee dat Henri van Kol zich had losgemaakt van de SDB en een van de oprichters werd van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP).

In 1900 legde Nellie van Kol haar functie als hoofdredacteur van De Vrouw neer. Ze wilde meer tijd vrijmaken voor de jeugdliteratuur. Wel bleef zij daarna regelmatig in dit tijdschrift publiceren. Ondertussen had Nellie Ons Blaadje opgericht, een goedkoop tijdschrift dat tot doel had arbeiderskinderen aan goede lectuur te helpen. Het blad kreeg de nodige kritiek van katholieke en conservatieve zijde, waar men sprak over een 'opruiend socialistisch karakter' van het tijdschrift. Tot 1908 bleef Van Kol als redacteur aan dit tijdschrift verbonden. Haar volgend project op het gebied van de jeugdliteratuur was de Bibliotheek voor jongens en meisjes, waarvan negen delen verschenen. Later zette Nellie van Kol dit werk voort onder de titel Volkskinderbibliotheek van Nellie. In een grote verzameling van maar liefst 88 boekjes, verschenen in de jaren 1901-1913, vertaalde en bewerkte zij tal van sprookjes, mythen en sagen, maar ook bijbelverhalen. Van Kol sloot daarbij direct aan bij de belangstelling van haar tijd. In het begin van de twintigste eeuw waren volkssprookjes zeer populair en werden ze gezien als een uiting van een verlangen naar het verloren kinderparadijs. Daarnaast heerste de opvatting dat dit soort verhalen wat de belevingswereld betreft overeen kwam met die van het jonge kind. Naam maakte Nellie van Kol ook met talrijke recensies van kinderboeken. Haar recensies kwamen tegemoet aan een groeiende belangstelling voor de beoordeling van kinderboeken en voor jeugdliteratuur in het algemeen.

Rond 1900 ontstond een brede discussie over de vraag aan welke eisen kinderboeken zouden moeten voldoen. Deze discussie werd aangezwengeld door Nellie van Kol in haar artikel 'Wat zullen de kinderen lezen?' in een editie van De Gids uit 1899. Daarin formuleerde zij de normen waaraan goede jeugdlectuur diende te voldoen. Van Kol ging uit van hooggestemde pedagogische idealen. Een boek was in de eerste plaats een middel in de (zedelijke) opvoeding. Kinderboeken dienden kinderen iets te leren, en wel waar het op aan kwam in het leven, ook als het ging om zaken die zij niet in het dagelijks leven tegen kwamen. Ze omschreef het als volgt: 'Ik wenste, dat de kinderliteratuur ware een hooge, slanke toren, hoog oprijzend in reine lucht, een toren met veel vensters, uitkijkend naar alle hemelstreken - vensters van klaar en onbedrieglijk glas.' Daardoor leerde het kind de wereld zien in al haar aspecten. Van de schrijver voor kinderen werd geëist dat deze wezenlijk iets te zeggen had. Het onderscheid tussen jongens- en meisjesboeken achtte Van Kol overbodig: deze wakkerde de tegenstelling tussen de seksen alleen maar aan.

In 1897 werd Henri van Kol gekozen als kamerlid voor de SDAP. Dat leidde in 1899 tot een verhuizing van het gezin naar Nederland; eerst naar Princenhage, later naar Voorschoten. In deze periode groeiden beide echtelieden geleidelijk uit elkaar. Nellie van Kol bleef zeer productief op het gebied van de jeugdliteratuur, onder andere in haar Volkskinderbibliotheek van Nellie. Daarnaast verschenen publicaties als De bijbel voor kinderen naverteld (1905-1907). Deze laatste titel is wellicht typerend te noemen voor een andere ontwikkeling die Van Kol doormaakte. Nadat zij zich sinds 1886 veelvuldig had bezig gehouden met zaken als helderziendheid en spiritisme, richtte zij zich nu steeds meer op het christendom. In De Vrouw van 18 mei 1901 trad zij daarmee voor het eerst naar buiten, in een artikel dat de nodige reacties opleverde. In 1909 verklaarde zij zich 'bekeerd en wedergeboren' te voelen. Toen al bezocht ze geregeld bijeenkomsten van het Leger des Heils. Ze zou de rest van haar leven getuigen van haar 'bekering', in de vorm van gedichten en artikelen in onder meer De Strijdkreet en Wereldstrijd. Het waren heilssoldaten die haar naar haar laatste rustplaats droegen.

Nellie van Kol verwoordde opvattingen die rond de eeuwwisseling bij veel opvoeders leefden. In die zin is zij ook een inspiratiebron geweest voor veel tijdgenoten. Maar meer dan dat hebben haar artikelen grote invloed gehad op de opvatting over kinderliteratuur in de twintigste eeuw.


Bronnen

• Inger van Dongen, 'Biografische schets van Nellie van Kol' , Amsterdam: IIAV, z.j. (niet gepubliceerd)
• Hans Petermeijer, 'Nellie van Kol, pedagoge en kinderboekenschrijfster', in: Boekenpost 27 (1996), 34-35
• J.C.M. Thiel-Schoonebeek, 'Inleiding in: Nellie', in: Over kinderlectuur, Den Haag 1977
• Anne de Vries, Wat heten goede kinderboeken?, Amsterdam 1989


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Hans Petermeijer

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon