Elisabeth Korvezee (1898-1993)

archivaris

Elisabeth Helena Korvezee werd op 7 april 1898 geboren te Wijnaldum als eerste kind van Willem Korvezee, predikant, en Boukje Andringa. Zij bleef haar hele leven ongehuwd. Elisabeth Korvezee is overleden op 19 juli 1993 te 's-Hertogenbosch.

De jonge Willem Korvezee, in 1858 te Utrecht geboren uit een echt Utrechts geslacht, studeerde in de domstad theologie. Na enkele korte predikantschappen elders werd hij in 1889 beroepen naar het Friese Wijnaldum, bij Harlingen. Hij trouwde in 1897 met de toen 23-jarige Baukje Adringa. Zij was dochter van een arts te Dokkum, maar als klein kind al wees geworden en sindsdien opgegroeid bij haar grootouders van moeders zijde, Johannes Cannegieter en Baukje Broese. Johannes Cannegieter was predikant te Foudgem, bij Dokkum. Het eerste kind van Willem Korvezee en Baukje werd Elisabeth Helena genoemd, naar haar zo jong overleden grootmoeder. Er kwam nog een tweede kind bij, Antonia Elisabeth.

Na het overlijden van de overgrootvader in 1900 verhuisde het gezin, mét overgrootmoeder Baukje, naar 's-Gravenhage. Behalve vader Willems ziekelijkheid kan een reden geweest zijn, dat hij bij de gemeente Wijnaldum weerstand wekte door te vrijzinnige opvattingen. In de hofstad kerkten de Korvezees bij voorkeur bij de remonstranten en de Waalse gemeente. Willem Korvezee stierf in 1913, 54 jaar oud.

Hoewel de zussen in 's-Gravenhage opgroeiden, werden zij later als Friezinnen ervaren. Dit Friese moet hun door de moeder en de overgrootmoeder zijn bijgebracht. Elisabeths betrokkenheid bij haar Friese voorouders blijkt ook uit haar correcties op de bijgewerkte tweede druk (1985) van de Genealogie van het Geslacht Cannegieter. Van haar Friese voorouders waren velen predikant. Eén Cannegieter, Hendrik, was rector van de Latijnse school te Arnhem en dé geschiedschrijver van het hertogdom Gelre. Ook zin voor studie moet de meisjes zijn meegegeven. Beider loopbaan bevestigt de uitspraak van de historicus Rogier in zijn boek Culturele Inertie, dat 'wie de levensberichten van min of meer bekende cultuuroverdragers nagaat, daarin de gangbare indruk bevestigd vindt, dat vrij velen van hen voortkomen uit de pastorieën der protestantse kerken.' Een derde factor die op het leven van de zussen van invloed is geweest, is het vrouwenmilieu. Tot in beider middelbare-schooltijd deelde een vitale overgrootmoeder , gestorven in 1914, het ouderlijk huis. Hier was een kring van vrouwen die het leven aankonden, met twee jonge vrouwen die het op eigen kracht zouden gaan maken. Het was geen bekrompen milieu. Elisabeth en Antonia bezochten de gemengde openbare HBS. Ze schaatsten, tennisten en zwommen; een lichte handicap bleek voor de oudste een extra uitdaging om hindernissen te overwinnen.

Elisabeth deed in 1916 een zeer goed eindexamen HBS-B. Zij besloot aan de universiteit van Leiden geschiedenis te gaan studeren, hoewel als vooropleiding voor dit vak gymnasium-alfa vereist was. Een colloquium doctum, het universitair toelatingsexamen, gaf haar in 1918 toegang tot alle faculteiten. Haar zuster deed een nóg beter eindexamen, met tienen en negens. Zij werd in Delft binnen vijf jaar met lof scheikundig ingenieur en promoveerde. Zij bleef aan de Technische Hogeschool Delft verbonden en werd hier in 1954 hoogleraar theoretische scheikunde. Zij was de eerste vrouwelijke hoogleraar in Delft en om deze reden kreeg haar benoeming grote aandacht in de pers. Hier is stilgestaan bij de levensloop van Elisabeths zuster vanwege de sterke invloed van het ouderlijke milieu op beiden, de vergelijkbare opvallende begaafdheid van deze beide femmes savantes, op wie Molière geen vat zou hebben gekregen, en hun gemeenschappelijke karaktertrekken. Elisabeth koos na haar doctoraalexamen met als hoofdvak nieuwe geschiedenis (1924), waarvoor zij in de collegebanken had gezeten bij coryfeeën als P.J. Blok en Johan Huizinga, voor het laboratorium van het historisch onderzoek: het archiefwezen. Zij liep stage aan het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravehage en slaagde in 1927 voor 'het radicaal wetenschappelijk archiefambtenaar der eerste klasse', zoals dat toen heette.

Maar voor wetenschappelijk onderzoek was in het archiefwezen weinig geld. De bezuinigingen van minister Colijn hadden geleid tot reductie van het ambtelijk apparaat en kortingen op de salarissen. Academici werden nogal eens op verantwoordelijke posten benoemd met een relatief lage inschaling. De crisis van 1929-1930 bestendigde voor jaren deze ongezonde situatie. Zo werd Elisabeth Korvezee in 1928 aan het Algemeen Rijksarchief benoemd in de rang van adjunct-commies. Zij klom hier langzaam op, zoals haar zuster in Delft, totdat zij in 1949 rijksarchivaris werd in Noord-Brabant.

Deze benoeming baarde om twee redenen opzien. Nooit eerder was een vrouw in zo'n functie benoemd. Daarnaast wekte het verwondering, dat zij niet in Leeuwarden was aangesteld. Daar was tegelijkertijd dezelfde post vrijgekomen, die toeviel aan de katholieke kerkhistoricus Mari van Buijtenen. Een protestantse Friezin in Noord-Brabant en een katholieke Rotterdammer in Friesland! Van Buijtenen liet zich in het Friese duchtig horen, maar Elisabeth Korvezee was niet het type van de extraverte geleerde. Haar kracht lag in het werk intra muros. De aan de archivaris van overheidsorganen gedelegeerde taaak de archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, lag haar na aan het hart. Als een van de eersten zag zij in, dat het veelvuldig gebruik van bepaalde archivalia, vooral de door het Rijk voor de rijksarchieven als zogenaamde retroacta van de Burgerlijke Stand opgeëiste plaatselijke doop-, trouw- en begraafregisters van vóór 1811, zou leiden tot hun materiële ondergang. Ze werden op het Rijksarchief zorgvuldig gerestaureerd. Om ze aan het gebruik te onttrekken - fotokopiëren en microverfilming stonden nog in de kinderschoenen - werd een enorm klapperproject op naam van personen opgezet, dat onder leiding kwam te staan van haar naaste medewerker, drs. J.A. ten Cate. Dit project omvat thans meer dan een miljoen kaartjes. Eind jaren '90 was het proces deze in een geautomatiseerde databank onder te brengen in volle gang.

Een andere opdracht gaf zij zichzelf in het thuis brengen van talrijke archiefstukken die als los goed waren terechtgekomen in de rijke Bibliotheek van het Provinciaal Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Zij was lid van de bibliotheekcommissie van dit genootschap. Ook binnen deze mannengemeenschap zorgde zij als eerste vrouw in het bestuur onbedoeld voor een doorbraak. De archivalia werden toebedeeld aan de daartoe geëigende gemeentelijke archiefdiensten en het Rijksarchief.

Zoals haar zus in Delft studenten opleidde, kreeg Elisabeth de taak stagiaires te begeleiden. De archiefschool, in 1919 opgericht, was in 1924 wegens bezuinigingen opgeheven. Eerst in 1955 ging een nieuwe Rijks-Archiefschool van start. De archivaris-mentor werd in de tussenliggende periode extra belast. Als een echte lerares was mejuffrouw Korvezee bezorgd voor haar leerlingen. Zij was heel precies, lette op punten en komma's en werd daardoor nog al eens als lastig ervaren. Zelf schreef zij met een kroontjespen in haar kleine handschrift haar notities, inventarissen en enkele historisch opstellen, waaronder haar belangrijke studie 'Belastingen in Noord-Brabrant vóór 1648' in de reeks Varia Historica Brabantica (deel 4, 1975).

Deze acribie en haar gevoeligheid voor het detail tekenden haar persoonlijkheid. Zij stond ietwat afstandelijk tegenover de samenleving. Voor het openbare leven zag zij zich geen taak weggelegd, voor strijd op barricaden al helemaal niet. Vriendschappen thuis en op reis bleven beperkt tot geleerde vrouwen in het archiefwezen, aan universiteit en middelbare school. Wel was zij mede-oprichtster van de afdeling Eindhoven van de vrouwelijke pendant van de Rotary, de Soroptimist Internationaal.

Zonder twijfel heeft de emancipatie van de vrouw veel te danken aan vrouwen als de Elisabeth Korvezee en haar zuster Antonia, gerespecteerd om vakkennis en stabiliteit, om gestaag doorzetten, om trouw aan de instellingen waarin zij vanaf de basis opklommen, om haar open en vriendelijke kijk op mens en maatschappij. Het ging deze en verwante vrouwen niet om emancipatie. Zij wilden gewoon hun werk doen, geconcentreerd bezig zijn met wetenschapsbevordering en kennisoverdracht. Zo simpel is emancipatie eigenlijk, zo gewoon was Elisabeth Korvezee, deze Haagse Friezin, die in de open levenssfeer van Noord-Brabant goed kon ademen en ook na haar pensionering in 1963 tot aan haar dood in 's-Hertogenbosch bleef wonen.


Bronnen

• F.C.J. Ketelaar, 'De Archiefschool 1919-1969', Nederlands Archievenblad 74 (1970), 120-137
• L.P.L. Pirenne, 'In memoriam Mejuffrouw Drs. E.H. Korvezee 1898-1993', Nederlands Archievenblad 97 (1993), 326-328
• Centraal Bureau voor Genealogie, familiearchief Korvezee
• Rijksarchief in Noord-Brabant, personeelsdossier Elisabeth Korvezee


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Louis Pirenne

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon