Stephanus Langritius (1534-1597)

pastoor, kannunik en deken

Stephanus Langritius alias van der Langerijt werd in 1534 of 1535 te Hilvarenbeek geboren als zoon van Willem Stevens Hapaerts alias van der Langryth en Elisabeth dochter van Jan Willem Heynen alias Peter Jan Hagen. Hij overleed op 11 oktober 1597 te Antwerpen.

Over de eerste levensjaren van Stephanus Langritius (alias van der Langerijt, Langriet, Happaert of Hapartius) weten we niets. Hij stamde uit een niet bijzonder welgestelde familie en had minstens drie broers en een zuster. Vermoedelijk bezocht hij de kapittelschool in zijn geboorteplaats Hilvarenbeek, een school waarin op 'middelbaar' of 'voortgezet' niveau werd onderwezen en waar talrijke intellectuelen uit Hilvarenbeek en omgeving hun eerste opleiding kregen. Aldus voorbereid schreef Langritius zich in 1553 in aan de universiteit te Leuven als student in de artes of 'vrije kunsten'. Net als de meesten van zijn medestudenten was hij bij zijn inschrijving om en nabij de achttien jaar oud. Hij verbleef als student in het Standonckcollege, dat speciaal was bedoeld voor de opleiding van armere studenten uit wier midden geestelijken gerekruteerd moesten worden. Het inschrijvingsregister duidt hem inderdaad aan als pauper, hetgeen wil zeggen dat hij niet beschikte over een geregeld inkomen, afkomstig van zijn ouders, uit een beurs of anderszins, dat voldoende was om de uitgaven voor levensonderhoud of de pensionprijs te kunnen betalen. Wèl genoot hij op enig moment inkomsten uit een studiebeurs die was gesticht door zijn streekgenoot Johannes Huberti van Lommel. In het Standonckcollege werd Langritius in veelal door ouderejaars studenten gegeven hoorcolleges onderwezen. Tijdens zo'n artes-studie leerde een student waarschijnlijk vooral wat beter Latijn en de principes van de middeleeuwse filosofie volgens de scholastieke methode. Langritius behaalde de graad van licentiaat in de artes al na twee jaar studie - de meesten deden er drie jaar over. Ook de laatste, min of meer formele stap tot het magisterium artium heeft hij wellicht gezet. In de resterende jaren van zijn verblijf aan het Standonckcollege, dat hij in 1558 verliet, studeerde hij namelijk nog enige tijd rechten en/of theologie, en zeker voor de laatste studie werd een magister-graad verondersteld.

Waarschijnlijk is meester Stephanus Langritius vanaf 1558 werkzaam geweest in de zielzorg. Aangezien in deze tijd een gerichte pastoorsopleiding, zoals die vanaf de zeventiende eeuw in de seminaries werd gegeven, niet bestond, zal ook Langritius zijn pastorale vaardigheden in de praktijk hebben opgedaan. Behalve kunnen lezen, schrijven en rekenen, werd van een pastoor toentertijd enige kennis van het Latijn verwacht, maar vooral dat hij in staat was de liturgie van de mis en de sacramenten alsmede andere sacrale handelingen naar behoren uit te voeren. Theologische kennis werd niet verlangd. Langritius, met zijn opleiding in het Standonckcollege en zijn vermoedelijke theologiestudie, voldeed dan ook al in zekere zin aan het nieuwe priesterideaal zoals dat in de Contrareformatie werd gepropageerd. Deze kwaliteiten werden spoedig herkend, want in 1563 werd hij, 28 jaar jong, benoemd tot 'opperpastoor' van Bergen op Zoom. Dit was destijds met circa tienduizend inwoners de grootste stad in Noord-Brabant na 's-Hertogenbosch. Deze benoeming geschiedde ongetwijfeld met tussenkomst en instemming van de markies van Bergen op Zoom. Ook Langritius' jongere broer Christophorus was theologisch geschoold en werd - waarschijnlijk door zijn bemiddeling - pastoor in West-Brabant, namelijk van de parochie Halsteren. In deze tijd behoorde meer dan de helft van de Noordbrabantse pastoors tot de universitair geschoolden. Het cliché van de slechte opleiding van de pastoors aan de vooravond van de Reformatie is dan ook niet zonder meer op hen van toepassing.

Was tot het midden van de zestiende eeuw het absenteïsme van de officiële pastoors, ook in Noord-Brabant, een wijdverbreid euvel, vanaf circa 1550 gingen zij er toe over in hun parochie te resideren en hun zielzorgtaak daadwerkelijk uit te oefenen. We mogen aannemen dat ook Langritius deelde in dit nieuwe elan en als pastoor de zielzorg niet overliet aan een ingehuurde vervanger maar deze in de praktijk beoefende. Als pastoor van Bergen op Zoom zien we hem in ieder geval optreden in testamenten van parochianen, die door hem hun laatste wil lieten vastleggen of hem kozen als executeur-testamentair. Het is niet zeker of meester Langritius tevens beëdigd notaris was. Het notarisambt werd veelvuldig gecombineerd met dat van pastoor, maar de laatste was als zodanig ook gerechtigd de testamenten van zijn parochianen te passeren. Langritius' kerkelijke loopbaan nam een nog hogere vlucht: hij werd kanunnik van het kapittel van Sint-Gertrudis in Bergen op Zoom en bracht het, na de oprichting van het bisdom Antwerpen (1561) en de constituering van de nieuwe dekenaten in de jaren 1570, tot deken van het dekenaat Bergen op Zoom. Wellicht mede door zijn intellectuele competentie en sterke persoonlijkheid nam hij ook in de stad een vooraanstaande positie in. Hij werd als arbiter betrokken bij stedelijke kwesties en in 1578 zegende hij het huwelijk in van de erfgename van het Markiezaat, jonkvrouwe Margaretha van Merode, met Jan van Wittem, van nu af de nieuwe Bergse markies.

De godsdienstige beroering van die tijd liet echter ook Bergen op Zoom en zijn pastoor niet onberoerd. In de stad was de belangstelling voor 'de nieuwe religie' vanouds vrij groot. Al in 1566 werd Langritius in zijn kerk gemolesteerd door een aantal vrouwen, van wie er één hem 'metten haeren getrocken' zou hebben. Nadat de stad in 1577 aan Staatse zijde was gekomen, barstte in 1580 de bom. Op 8 november viel onder meer de Sint-Gertrudiskerk, de kapittel- annex parochiekerk, ten prooi aan een 'beeldenstorm' door soldaten, waarbij ook de gereformeerden betrokken waren. Op dezelfde dag werd een deel van de mannelijke geestelijkheid door 'de geusen' de stad 'uitgeseijt'. Pastoor Langritius kon nog enige tijd in de stad blijven wonen. Van een ongehinderde uitoefening van de rooms-katholieke religie was echter geen sprake meer; zo had de pastoor geen toegang tot zijn kerk, die in handen van de gereformeerden was. Tussen oktober 1580 en december 1581 was Langritius regelmatig te gast bij de markies, een fervent katholiek, die zich had teruggetrokken op zijn kasteel te Wouw. Bij de doop van diens tweede kind in de slotkapel in 1581 hield Langritius 'een cort sermoen' waarin hij het katholieke sacrament van de doop verdedigde. Met behulp van de troepen van Parma probeerde de markies op 5 december 1581 tevergeefs zich bij verrassing meester te maken van de stad. Enkele katholieke burgers zouden hierbij de helpende hand hebben geboden en ook pastoor Langritius zou in deze onderneming een aandeel hebben gehad. Het is duidelijk dat hierna zijn rol in de stad was uitgespeeld. Na de mislukte aanslag werd hij met alle priesters en enkele vooraanstaande burgers gevangen gezet. De geestelijken werden vervolgens 's avonds op 'schandelijke en onteerende wijze' de stad uitgezet. Nadat zij in Huijbergen de nacht hadden doorgebracht, reisden zij de volgende dag door naar Antwerpen. Saillant detail: al in november 1581 had de pastoor zijn huis in de stad verkocht.

Na de inname van Antwerpen door Parma in 1585 vond Langritius daar nieuw emplooi als pastoor van de Sint-Jacobskerk. In oktober 1597 werd hij overvallen door een beroerte en 'diversche recepten, clysterien en andere in sijn subite siekte geset' mochten niet meer baten. De minderbroeders ontvingen later een vergoeding 'voer de diversche dinsten' aan de zieke 'ende scade want hy wel dry bedden bedorven hadde'. Pastoor Langritius overleed, zonder nog een testament te hebben kunnen maken, op 11 oktober en werd op 14 oktober begraven in het koor van zijn kerk. In het grafschrift op zijn zerk wordt hoog opgegeven van zijn 'gelijkmoedigheid en geloofstrouw'. De afrekening van zijn nalatenschap informeert ons over zijn bezit en huishouden, zijn familie, de omstandigheden van zijn overlijden en zijn begrafenis. Ook vernemen we hieruit dat na zijn dood opdracht werd gegeven tot het schilderen van 'het conterfeytsel van myn heer den prochiaen [= pastoor] in een groot peneel knielende gestoffert'. Dit portret is niet bewaard, maar wel een vermoedelijk uit het doopboek van de Antwerpse Sint-Jacobskerk afkomstige pentekening die deze standvastige pastoor treffend weergeeft.


Bronnen

• L.F.W. Adriaenssen, Hilvarenbeek onder de hertog en onder de generaliteit. Sociale en ekonomische geschiedenis van een Kempens dorp tussen 1400 en 1800, Amsterdam/Hilvarenbeek 1987, 285
• A.J.A. Bijsterveld, Laverend tussen Kerk en wereld. De pastoors in Noord-Brabant 1400-1570, Amsterdam 1993 (bijlagen, nr. 145)
• J. Ernalsteen, 'Meester Steven van den Langerijt', in: Taxandria, 38 (1931), 124-134
• G.C.A. Juten, 'Het huis van pastoor Langritius', in: Taxandria, 36 (1929), 206-207
• Ch. de Mooij, 'Bergen op Zoom en het verdwijnen van de oude religie', in: J.A.F.M. van Oudheusden e.a. (red.), Ziel en zaligheid in Noord-Brabant. Vijfde verzameling bijdragen van de Vereniging voor Nederlandse Kerkgeschiedenis, Delft 1993, 140-177
• C. Slootmans, 'Mr. Steven Langriet, pastoor te Bergen op Zoom 1563-1580', in: Taxandria, 36 (1929), 71-79


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: A.J.A. Bijsterveld

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon