Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)

auteur

Juliana Cornelia de Lannoy werd op 20 december 1738 geboren in Breda als eerste kind uit het huwelijk van de uit Nijmegen afkomstige Maria Aletta Schull en de in Bolsward geboren Carel Wybrandus de Lannoy, bij zijn dood kolonel-titulair en groot-majoor van Geertruidenberg. Haar broer Adam (1740-1794) koos een carrière bij de VOC en kwam ver van huis terecht, in Ceylon. Uit het tweede huwelijk van haar vader met de Deventerse Paulina Aleijda Putman werd haar lievelingsbroer Adolf Hendrik (1753-1783) geboren, die net als zijn vader de voorkeur gaf aan een militaire loopbaan. De laatste helft van haar leven woonde zij in Geertruidenberg, waar zij 18 februari 1782 overleed. Zij is nooit getrouwd geweest en heeft haar energie, werklust en capaciteiten volledig gericht op haar letterkundige ambities.

Als regel wordt zij niet tot de Grote Literaire Namen gerekend als haar tijdgenoten Betje Wolff, Belle van Zuylen, Rhijnvis Feith, Willem Bilderdijk en Hiëronymus van Alphen. Toch duikt haar naam sinds haar dood ieder decennium tenminste een keer op in literaire publicaties. Met name de plagerige toon waarop zij achttiende-eeuwse personen en tradities op de hak neemt, wordt graag geciteerd.

Emancipator
Vanaf haar eerste gedicht koos Juliana Cornelia duidelijk positie. Zij stelde zich nadrukkelijk teweer tegen de tot norm geworden vooroordelen dat vrouwen van nature over minder intellectuele capaciteiten zouden beschikken dan mannen, dat zij zich daarom tevreden moeten stellen met een ondergeschikte plaats in de maatschappij, en dat vrouwen alleen voldoening mogen vinden in de verzorging en behoeftebevrediging van echtgenoot en kinderen. Zij schreef daarover:

    'Mijn Heeren, weest voldaan met uw voortreflijkheid;
    Beheerscht, verzorgt den Staat, verdedigt zijne rechten,
    En wijl 't u zo behaagt gaat ook den Krijg beslechten:
    Maar sta ons voor 't minst uit mededogen toe,
    Dat ons vernuft zomwijle eene eedle pooging doe.'

Het lange satirische gedicht Aan myn Geest, haar eerste officiële publicatie, was helemaal aan dit onderwerp gewijd. Daarin wees zij er ook op dat het onderwijssysteem de intelligentie van meisjes nauwelijks prikkelde, en hen alleen zoet hield met vaardigheden die preluderen op een toekomst als gezelschapsdame, echtgenote en moeder. Tegen mannen die schamperden op meisjes die óók graag met hun neus in de boeken zitten, verklaarde zij fijntjes:

    'Dat een geleerde Vrouw niet algemeen behaagt,
    Wyl de onkunde altyd zucht tot haars gelyken draagt.'

De top van de Parnas
De Lannoy mikte hoog: zij wilde de top van de Parnas bereiken als auteur van treurspelen en daarin gewoon de beste zijn. Al haar zelfstudie en het verwerven van kennis over de klassieke oudheid - met als gids A.C. Schonck, rector van de Bredase Latijnse school - was daarop gericht. Voor haar was eerzucht dan ook geen verderfelijk begrip, maar verbonden met moed, eergevoel en doorzettingsvermogen. En vertrouwen in haar eigen kunne(n). Haar talenten stelde zij, geheel binnen de familietraditie, in dienst van Vaderland en Vrijheid.

Zij publiceerde drie treurspelen die alle zijn opgevoerd: Leo de Groote (1767), De belegering van Haerlem (1770) en Cleopatra, Koningin van Syrien (1776). Na het zien van Haerlem dichtte één van haar vele bewonderaars:

    'Bedroefd, bedwelmd, verblijd, verslagen, en verwonderd,
    Tot in de ziel ontroerd, zag ik uw Treurspel aan:
    Nooit heeft een Vrouwestem zoo op 't Tooneel gedonderd,
    Met Dichtorakels, die 't verstand te boven gaan [...].'

Vergeleken met soortgelijke stukken van mannelijke collega's is het opvallend dat De Lannoy naast haar mannelijke hoofdpersonages steeds een sterke en moreel-positieve vrouwelijke hoofdfiguur plaatst, die op cruciale momenten het stuk een beslissende wending geeft. In de drie spelen gaat het vooral om de verdediging van (persoonlijke) politieke en ideologische belangen en het behoud van machtsposities. Deze veroorzaken steeds opnieuw loyaliteitsconflicten tussen ouders en kinderen, tussen echtgenoten en tussen familieleden.

Erkenning
Met name Leo en Haerlem bezorgden haar lof, bekendheid en erkenning. Zo zeer zelfs, dat het fameuze Haagse dichtgenootschap Kunstliefde spaart geen vlyt haar in april 1772 als eerste vrouw in de Republiek uitnodigde honorair lid te worden. Zij accepteerde met gepaste trots en hoopte dat nog meer vrouwen het mannenbolwerk zouden betreden.

Dat zij met haar pen de gemoederen kon doen ontvlammen en dat zij in zowel literair als politiek-ideologisch opzicht toonaangevend dichtte, bewijst de viervoudige bekroning van haar vaderlandslievende lierzangen. In 1774 en 1782 ontving zij de zilveren erepenning van Kunstliefde spaart geen vlyt, en in 1774 ontving zij de gouden en in 1777 de zilveren erepenning van het Leidse dichtgenootschap Kunst wordt door arbeid verkreegen. Als vrouw nam zij óók met deze bekroningen een unieke plaats in de 18e-eeuwse letteren in.

Het volgen van het pad der deugd was voor De Lannoy een moreel richtsnoer, gebaseerd op haar godsdienstige overtuiging:

    'Zijt gij 't niet, die de Deugd gegrond hebt in ons hart,
    De Deugd, de steun, de troost, de wellust van ons leeven,
    Wier invloed ons verheft, ons veerkracht weet te geeven,
    Die ons gevoelig maakt voor 's naastens vreugd en smart?'

Sociale leven
Deze opvatting was ook een toetssteen voor haar houding ten opzichte van de prinsen van Oranje. Wat de geslachten De Lannoy, Schull (-Smits) en Putman (-Rouse) verbond, was hun Oranje-gezindheid. Ook Juliana Cornelia steunde Willem V, maar stelde wel eisen aan zijn positie. In deze kan de uitroep van Leo de Groote in het gelijknamige toneelstuk als exemplarisch gelden:''k Ben Opperheer van 't rijk, maar onderdaan der wetten.'
Haar poëzie is verzameld in twee bundels: Dichtkundige Werken (1780) en Nagelaten Dichtwerken (1783). Veel van haar gedichten zijn voor algemeen cultureel geïnteresseerde 20e-eeuwers nog steeds zeer toegankelijk en vinden ook in recente bloemlezingen een onderdak.

In haar woonplaats Geertruidenberg, door haar geprezen om de dichtlust-bevorderende rust en stilte, ging zij om met de kunstgenoten Simon van der Waal, hoofd van de Franse Kostschool, en met dominee Isaak van Nuyssenburg. Door haar landelijke bekendheid raakte zij in contact met Willem Bilderdijk (die haar lyrisch bewonderde) en met de haar ook toegenegen Rhijnvis Feith.

In gedichten en de enkele van haar bewaard gebleven brief komt het beeld naar voren van een zelfbewuste vrouw die recht voor haar mening uitkomt en soms wel èrg plagerig uit de hoek kan komen tegen bekenden en vastgeroeste tradities. Maar ook het beeld van een vrouw die nimmer de goede zeden noch de sociale omgangsvormen van haar milieu uit het oog verliest.


Bronnen

• W.R.D. van Oostrum, Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782), een Juffer Dichteres (diss. in voorbereiding)
Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse letterkunde, Amsterdam enz. 1986, 236
• G. Komrij, De Nederlandse poëzie van de 17e en 18e eeuw, Amsterdam 1986, 1085-1087
• H.J. Vieu-Kuik en J. Smeyers, De letterkunde van de achttiende eeuw in Noord en Zuid, Amsterdam/Antwerpen 1975, 225-6, 315-6
• F.A. Brekelmans, 'Juliana's lieflijk grastapijt', in: Jaarboek van de Geschied- en Oudheidkundige kring van Stad en Land van Breda 'De Oranjeboom', XVIII (1965), 72-6
• W. Wijnaendt van Resandt, 'De eerste vijf generaties van een officiers-familie De Lannoy', in: De Nederlandsche leeuw, jrg. LXXII (1955), nr. 5, 139-146
• H.H. Knippenberg, 'Leven en werken van Juliana Cornelia baronesse de Lannoy', in: Tijdschrift voor Taal en Letteren, XX (1932), 233-253, en XXI (1933), 42-68
• P.G. Witsen Geysbeek, Biographisch Anthologisch en Critisch Woordenboek der Nederduitsche Dichters, IV, Amsterdam 1823, 165-175, 401


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1994).


Auteur: Wa.R.D. van Oostrum

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon