Willem (Bib) van Lanschot (1914-2001)

verzetsman, bankier en bestuurder

Willem Charles Jean Marie van Lanschot werd op 30 juni 1914 geboren in Vught als derde kind van de burgemeester van Vught, A.W.J. van Lanschot, en de uit België afkomstige jonkvrouw M. Lagasse de Locht. In 1946 trad hij in het huwelijk met jonkvrouwe Louise Marie (Louky) van Meeuwen. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, twee zonen en een dochter. 'Bib' van Lanschot overleed op 17 augustus 2001 te Eindhoven.

Als er íemand met een gouden lepel in de mond werd geboren, dan was het deze Van Lanschot wel. Hij kwam voort uit een oud en welvarend geslacht van Brabantse bankiers en bestuurders en werd geboren op slot Maurick. Daar kende hij een beschermde jeugd in een katholiek en kosmopolitisch georiënteerd gezin en beleefde hij een zeer sportieve (in 1930 werd hij Nederlands jeugdkampioen golf), maar wat studeren betreft moeizame HBS-periode. Daarna koos hij voor een militaire carrière.

Die keuze was in zijn familie heel ongewoon en werd hem ingegeven toen hij op vakantie in Duitsland in september 1935 getuige was van een Parteitag van de NSDAP te Neurenberg. Daar hoorde hij Hitler spreken en diens nationaal-socialistische aanhangers hysterisch juichen. 'Bib', zoals zijn bijnaam luidde, was geschokt. Hij wist dat er oorlog van zou komen en daar wilde hij klaar voor zijn. Dat hij weinig voor het bankbedrijf voelde en nog minder studieus georiënteerd was, speelde waarschijnlijk ook wel een rol bij zijn pertinente keuze voor een opleiding tot beroepsofficier aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda.

Bib van Lanschot doorliep die opleiding vlot - zijn motto 'moed is de overwinning van vrees' dateert uit die tijd - en hij werd aansluitend in 1938 luitenant bij het Eerste Regiment Huzaren in Amersfoort. Daar leerde hij prins Bernhard kennen, de kersverse echtgenoot van de kroonprinses die in Amersfoort in opleiding was. Samen trainden ze geregeld voor militaire prestatietochten te paard en besteedden ze veel van hun vrije tijd op de golfcourse. Zo werd een vriendschap geboren, die grote invloed zou hebben op de carrière van Van Lanschot.

Maar met de afkondiging van de mobilisatie eind 1939 was het met de vrolijke jaren voorlopig gedaan. Hij werd verbindings- en inlichtingenofficier bij de staf van de Lichte Brigade in Noord-Brabant. Op 10 mei 1940 en volgende dagen deed hij zijn eerste gevechtservaring op, toen hij met de brigade van Oisterwijk naar Dordrecht optrok en de bommen op Rotterdam zag vallen. Direct na zijn demobilisatie in Den Haag bracht hij zelf clandestien nog snel een vrachtwagen vol met spullen van het Derde Regiment Huzaren (vaandel, wapencollectie, bibliotheek, muziekinstrumenten) in veiligheid op kasteel Maurick.

Ook toen hij meteen daarop alsnog rechten ging studeren in Leiden kwam van de studie niet veel terecht. Hij werd lid van het Leids Studentencorps en maakte al snel deel uit van een groepje oud-officieren binnen dat corps, die zich niet bij de nederlaag wilden neerleggen. Onder de dekmantel van het studentencorps begonnen ze militaire en economische inlichtingen te verzamelen en bouwden ze al in de zomermaanden van 1940 een eerste primitieve verzetsorganisatie op. In deze vroege ID of Inlichtingendienst (later opgenomen in de OD, de Ordedienst) was Van Lanschot een van de meest actieve krachten. Hij werd werkstudent en reisde als agent van een verzekeringsmaatschappij met een spoorabonnement door het hele land om inlichtingen te verzamelen en de ID te organiseren. De verzamelde gegevens werden in rapporten verwerkt, die koeriers via Zwitserland en Zweden naar Engeland brachten. De ID had contact met de eerste geheime agenten uit Engeland en was betrokken bij het opzetten van geheime radiozenders, maar ze kreeg ook te maken met de eerste arrestaties. Vooral na de Februaristaking van 1941 nam de Duitse repressie toe en kwamen de verzetspioniers van de ID al snel in het nauw. Na een maand in Bilthoven ondergedoken te zijn geweest werd Van Lanschot, waarschijnlijk als gevolg van verraad, uiteindelijk in april 1942 in Leiden door de Sicherheitsdienst gearresteerd.

Terwijl het grootschalige georganiseerde verzet in Nederland nog moest beginnen (vooral na mei 1943), zat verzetspionier Van Lanschot vast in Duitse gevangenissen en kampen. Hij werd eerst driekwart jaar vastgehouden in het zogeheten 'Oranjehotel' (de gevangenis in Scheveningen) waar hij herhaaldelijk dagenlange verhoren met de bijbehorende mishandelingen moest doorstaan. In februari 1943 werd hij overgebracht naar het kamp Haaren waar het regime wat milder was. Ondertussen ondernam hij twee vergeefse ontsnappingspogingen.

In mei 1943 stond hij terecht voor het Feldgericht van de Luftwaffe en werd tegen hem en diverse van zijn ID-collega's de doodstraf geëist. Na de executie van drie medegevangenen werd hij in september opgesloten in het Durchgangslager Amersfoort om begin oktober 1943 op transport te gaan naar het beruchte 'verdwijnkamp' Natzweiler in de Vogezen; daar kwam hij te werken in de steengroeve waar elke maand duizend doden vielen. In september 1944 werden de overlevende gevangenen van Natzweiler vanwege de geallieerde opmars geëvacueerd naar het concentratiekamp Dachau. Van Lanschot liep daar tyfus op en woog nog 45 kilo toen het kamp op 27 april 1945 door Amerikaanse militairen werd bevrijd.

Toen er vanuit Nederland geen hulp kwam opdagen voor de 650 overlevende landgenoten in Dachau, vloog Van Lanschot op 17 mei in Amerikaans uniform en met Amerikaanse hulp naar het Nederland om die hulp dan maar zelf te organiseren. Daar kwam hij via minister-president Gerbrandy terecht bij prins Bernhard, op dat moment de bevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten. De prins nam hem terstond op in zijn staf en voorzag hem van de nodige volmachten. Binnen een week was hij met een repatriëringscolonne van zestig vrachtwagens terug in Dachau en eind mei kon hij de prins melden dat de operatie was volbracht.

Voor zijn vroege voortrekkersrol in het illegale verzetswerk kreeg hij als een van de zeer weinige overlevenden van de vroege ID in 1948 de hoogste Nederlandse onderscheiding voor betoonde moed, de Militaire Willemsorde, uitgereikt.

Wat Willem van Lanschot na de oorlog deed, hield vaak verband met zijn verzetsverleden. Hij voelde namelijk een sterke verplichting tegenover de relaties van kameraden die minder fortuinlijk waren geweest dan hij. Tot 1949 bleef hij in dienst van het ministerie van Defensie. In die jaren was hij onder meer lid van de staf van de openbare aanklager in de processen tegen diverse Nazi-verantwoordelijken en leidde hij een missie die Nederlandse vermisten en slachtoffers van het Nazi-bewind moest opsporen. In augustus 1945 was hij bovendien een van de oprichters van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogsslachtoffers (BNMO), een organisatie die nieuw was voor Nederland en die de materiële en geestelijke belangen van die groep wilde gaan behartigen. Van 1949 tot 1966 was hij in dienst van de N.V. Philips, eerst als hoofd Public Relations, daarna als algemeen bestuurssecretaris en nog later als directeur van Philipsbedrijven in het Midden- en Verre Oosten. In 1950 was Van Lanschot als directeur van de BNMO bovendien nauw betrokken bij de oprichting van de World Veteran Federation (WVF), een wereldwijde organisatie die de nationale veteranenorganisaties moest gaan overkoepelen. Bij de oprichting werd Van Lanschot eerst penningmeester van de WVF en vanaf 1957 was hij meer dan dertig jaar lang de charmante, enthousiaste en kordate voorzitter van deze wereldwijde organisatie, die op den duur in meer dan vijftig landen rond de twintig miljoen leden telde. In 1966 stapte Van Lanschot toch nog over van Philips naar het bestuur van het oude familiebedrijf, de bank F. van Lanschot. Daar introduceerde hij in de periode tot 1978 een nieuwe financiële structuur met internationale grootaandeelhouders: de N.V. Van Lanschot Bankiers. Van 1978 tot 1984 was hij president-commissaris van deze internationale bank, die alleen in zijn naam nog aan het vroegere familiebedrijf deed denken.

Een baanbrekende rol speelde de bankier, bestuurder en oud-verzetsman Van Lanschot ook bij het leggen en uitbouwen van een gezonde financiële basis voor de Nederlandse veteranenzorg. Voorheen was men steeds afhankelijk geweest van incidentele fondsenwerving, zoals inzamelingsacties en benefietwedstrijden. Van Lanschot en zijn assistenten bedachten dat er voor structurele veteranenzorg met klinieken en rusthuizen met competente verzorging en begeleiding een betrouwbaarder inkomstenbron nodig was en vonden deze in een gegarandeerd percentage van de opbrengst van de nieuwe bank- en giroloterij, waarbij het giro- of banknummer tegelijk ook het lotnummer was. Dat gebeurde eerst onder de titel Sla Uw Slag (SUS-loten), later door de oprichting van de SUFA, de Stichting Uitvoering Financiële Acties en vanaf de jaren zeventig in de Algemene Loterij Nederland. Die bron bleek met het groeien van de welvaartstaat zo overvloedig, dat ook de Anjerfondsen en het Prins Bernhardfonds ermee gevoed konden worden om aldus vele culturele goede doelen te subsidiëren.

Dat Van Lanschot ook tot op hogere leeftijd een eigenzinnige en strijdbare pionier bleef, blijkt uit enkele kenmerkende initiatieven. Zo richtte hij eind jaren zeventig in het verlengde van zijn contacten uit de Philips-jaren de Nederlands Arabische Kring op. Dat deed hij vanuit zijn overtuiging dat je tegenstanders - de olieboycot lag iedereen nog vers in het geheugen - moet opzoeken en kijken welke, vaak culturele, zaken een band of brug kunnen vormen. Met een van de leden, de honorair consul van Koeweit in Nederland, Mahmoud Rabbani, sloot Van Lanschot vriendschap en hij werd tevens vice-voorzitter van de naar diens moeder genoemde Lutfia Rabbani Stichting. Ook de verlate instelling van het verzetsherdenkingskruis in 1980 was bepaald onorthodox en omstreden. Maar de grote weerklank (uiteindelijk 15.517 toekenningen op ruim 19.000 aanvragen) liet zien dat het rigide naoorlogse oud-illegale standpunt tegen elke onderscheiding van verzetsactiviteiten achterhaald was en dat Van Lanschot als initiatiefnemer en voorzitter van het Comité Verzetsherdenkingskruis de veranderende behoeften van oud-strijders wel degelijk goed had aangevoeld. Dat laatste was veel minder evident bij een gedurfd initiatief dat Van Lanschot bijna tien jaar later nam. Als voorzitter van een comité van negentien vooraanstaande Nederlanders deed hij een oproep in de media om de twee nog levende, hoogbejaarde Duitse oorlogsmisdadigers uit hun Bredase gevangenis vrij te laten. Er volgde veel beroering, vooral in oud-illegale kringen. Maar nadat kabinet en Tweede Kamer akkoord waren gegaan, kwamen de twee, Fischer en Aus der Fünten, in het voorjaar van 1989 vrij. Dat was feitelijk zijn laatste publieke activiteit.

Ook al was Bib van Lanschot door zijn afkomst een bijzonder bevoorrecht persoon, niemand zal durven beweren dat zijn strijdbare voortrekkersrol hem zomaar was komen aanwaaien. Zijn moed, zijn grote talenten en sterke overtuigingen waren immers in grote beproevingen tot bloei gekomen. Juist daarom kon hij ook na de bevrijding op uiteenlopende terreinen zo'n baanbrekende maatschappelijke rol spelen en voor velen in binnen- en buitenland een inspirerend voorbeeld zijn.


Bronnen
• Dieudonnée ten Berge, Bib van Lanschot. 'Je bent pas verslagen als je het zelf opgeeft', 's-Gravenhage 1994
• J.W.M. Schulten, De geschiedenis van de Ordedienst. Mythe en werkelijkheid van een verzetsorganisatie, Den Haag 1998
Gedenkboek Verzetsherdenkingskruis, waarin opgenomen Register Dragers Verzetsherdenkingskruis, Den Haag 1985


Dit artikel verscheen eerder in: J. Brouwers e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noord-Brabanders. Deel 6 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, 's-Hertogenbosch 2003).


Auteur: Henk Termeer

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon