Petrus Leijten (1834-1914)

bisschop van Breda

Petrus Leijten werd op 16 juli 1834 in Ginneken geboren als zoon van Cornelis Leijten, landbouwer, en Petronella van der Veeken. Hij overleed te Breda op 17 mei 1914.

Petrus Leijten werd geboren in een familie waarin boeren en priesters de toon aangaven. Zijn wieg stond in de naar zijn grootmoeder genoemde Helenahoeve in het gehucht Heusdenhout, dat toen tot de gemeente Ginneken en Bavel behoorde. Petrus was de enige zoon in het gezin. Hij had een oudere zuster, Helena geheten.

Priester worden was voor Petrus, die blijk gaf van enige aanleg voor de studie, een zekere vanzelfsprekendheid. Maar liefst drie broers van zijn moeder hadden het voorbeeld gegeven. Zowel te Oudenbosch, waar hij aan het college zijn gymnasiale vorming ontving, als aan het groot-seminarie Bovendonk te Hoeven kwam hij ooms van moederszijde tegen: aan het college van Oudenbosch de vroegbegaafde Johannes van der Veeken en in Bovendonk Cornelis van der Veeken, vanaf 1851 docent en vanaf 1858 tevens president van het seminarie. Een echte intellectuele uitblinker was Leijten niet, maar zijn ijver en doorzettingsvermogen zorgden er toch voor dat hij tot de betere studenten behoorde.

Na zijn priesterwijding te Hoeven op 13 februari 1859 moest Petrus Leijten nog ruim een jaar wachten op zijn eerste benoeming. In de tussentijd assisteerde hij de hoogbejaarde pastoor-deken van zijn geboorteplaats Ginneken. Op 30 juni 1860 werd hij benoemd tot kapelaan van de Willibrordusparochie te Alphen. Twaalf jaar werkte hij daar in de zielzorg. Hij onderscheidde zich als iemand die stipt en ijverig was in wat van hem als priester verwacht werd en tegelijk bescheiden en voorkomend in de omgang met parochianen en mede-priesters.

Het is waarschijnlijk zijn oom Cornelis van der Veeken geweest, sinds 1868 behalve seminariepresident ook vicaris-generaal van de Bredase bisschop, die in 1872 Leijtens benoeming bewerkte tot regent van het college te Oudenbosch, dat inmiddels officieel klein-seminarie heette. Leijten had geen enkele onderwijservaring, maar was wel ten volle overtuigd van het belang van een goede intellectuele vorming van de toekomstige priesters. Zijn stijl van besturen als regent was er een van bescheidenheid en tegelijk volharding; hij was een doorzetter, maar niet iemand die besluiten forceerde. Al na enkele jaren kwam hij voor een organisatorische uitdaging te staan: de verhuizing van het klein-seminarie naar een nieuw gebouw op het landgoed de Ypelaar te Ginneken. In 1876 begon de bouw en op 1 oktober 1878 kon regent Leijten met acht 'professoren' en 64 leerlingen het nieuwe gebouw in gebruik nemen.

Toen het klein-seminarie in zijn nieuwe behuizing na enkele jaren de wapenspreuk boven de hoofdingang, 'Leniter perfluit' (zacht kabbelt het voort), begon waar te maken, beschouwde Leijten zijn taak als voltooid. Hij verlangde terug naar de parochiële zielzorg. Op eigen verzoek kreeg hij ontslag als regent en op 13 augustus 1881 werd hij benoemd tot pastoor van de parochie van de heilige Brigida te Bavel. Daar vond hij opnieuw een uitdaging: het oude, te klein geworden kerkgebouw was aan vervanging toe. Weer wist Leijten de gelden te verzamelen voor de nieuwbouw en de plannen gereed te maken. De uitvoering ervan heeft hij echter niet meer als pastoor meegemaakt. Hij mocht in 1888 de kerk komen inzegenen in een andere hoedanigheid, namelijk die van bisschop van Breda.

Op 26 april 1885 werd Petrus Leijten benoemd tot vierde bisschop van Breda, als opvolger van de in 1884 overleden Henricus van Beek. Op 17 juni 1885 nam hij bezit van zijn zetel en op 29 juni werd hij gewijd. Hij benoemde de kapittel-vicaris Adrianus Henricus van den Corput, die sinds de dood van Van Beek driekwart jaar het bisdom had bestuurd, tot vicaris-generaal. Van den Corput werd in die functie in 1908 opgevolgd door Petrus Hopmans, voordien secretaris van bisschop Leijten en in 1914 diens opvolger als bisschop.

Het episcopaat van Leijten viel samen met de periode van consolidatie van het katholicisme, die volgde op de tijd van opbouw en emancipatie in de negentiende eeuw. Ongeveer dertig nieuwe kerken werden door Leijten geconsacreerd en meer dan tien nieuwe parochies opgericht. Ook het katholiek onderwijs maakte een grote groei door. Leijten behield steeds een bijzondere belangstelling voor onderwijszaken. Tijdens zijn episcopaat werd in het bisdom Breda een R.K. Onderwijzersbond opgericht en werd in Oudenbosch de Bisschoppelijke Kweekschool voor R.K. Onderwijzers gesticht. Tussen 1903 en 1906 verrees een nieuwbouw voor het seminarie Bovendonk te Hoeven, ontworpen door de bekende architect Pierre Cuypers en voor ongeveer de helft gefinancierd uit een door Leijten vanaf 1897 jaarlijks voorgeschreven collecte in het bisdom. Het katholiek verenigingsleven beleefde in deze periode een explosieve groei. Op 6 september 1903 vond in de bisschopsstad de eerste van een reeks jaarlijkse diocesane katholiekendagen van het bisdom Breda plaats. Tijdens deze dagen, die indrukwekkende manifestaties waren van de georganiseerde katholieke lekenactie, kwamen maatschappelijke kwesties aan de orde als de verhouding tussen werkgevers en werknemers, de drankbestrijding, het onderwijs, de belangen van boeren en middenstand en de Vincentiusvereniging.

Enkele van die kwesties waren ook onderwerp van de jaarlijkse vastenbrieven van Leijten, vooral tijdens de eerste helft van zijn episcopaat. Voor die brieven steunde hij sterk op ontwerpen van de begaafde J.J. Hopstaken, eerst regent van het klein-seminarie Ypelaar en van 1894 tot zijn overlijden in 1921 president van Bovendonk. Enkele brieven getuigen nadrukkelijk van aandacht voor sociale vraagstukken. Zo was de vastenbrief van 1887 gewijd aan de wederzijdse plichten van rijken en armen en kwam in de vastenbrief van 1888 de politieke verantwoordelijkheid van katholieken ter sprake. De vastenbrief van 1892 was geheel gewijd aan het vraagstuk van de arbeid; er waren grote stukken citaat uit de sociale encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII uit 1891 in verwerkt. Van die encycliek zelf echter heeft Leijten, evenmin als zijn Bossche collega, een vertaling verspreid, terwijl hij wel een hele reeks encyclieken van dezelfde paus over de rozenkrans en de verering van Maria en Jozef liet vertalen. Een zekere voorkeur voor een devotionele beleving van het geloof kan Leijten dus niet ontzegd worden. Met groot enthousiasme begroette hij dan ook de eucharistische vroomheid van paus Pius X. Diens pleidooi voor de veelvuldige communie klinkt door in Leijtens vastenbrieven van 1907, 1908 en 1909.

In zijn brieven en in zijn beleid beklemtoonde Leijten ook steeds het belang van een goede kennis van het geloof. In 1891 wijdde hij zijn vastenbrief aan dit thema en hij beval in dat kader ook het lezen van goede boeken aan. De vastenbrief van 1898 handelde over 'de hooge voortreffelijkheid van den Catechismus'. In 1893 had Leijten zelf een nieuwe grote en kleine katechismus uitgevaardigd, ter vervanging van de versie uit 1872. Deze zou in het Bredase bisdom in gebruik blijven tot 1910, toen er een eenheidskatechismus voor de Nederlandse bisdommen kwam. Opvallend is de vastenbrief van 1911. Terwijl de brief van het jaar daarvoor fulmineerde tegen de slechte lectuur, hield Leijten nu een pleidooi voor de goede lectuur. Als eerste van de Nederlandse bisschoppen beval hij aan alle katholieke gezinnen de aanschaf van en dagelijkse lezing uit de Heilige Schrift aan.

Ook onder zijn priesters bevorderde Leijten de studie. De meest begaafde studenten kregen de kans zich na hun seminariestudie verder te ontplooien aan een universiteit, bijvoorbeeld te Leuven of Rome. Dat een van de meestbelovende jonge priesters, de in 1893 te Rome gepromoveerde Jan van den Brink, langzaam van de kerk vervreemdde en vanaf 1904 actief was als sociaal-democratisch politicus, moet Leijten hevig gekwetst hebben. In de vastenbrief van 1906 uitte Leijten zijn verbittering over 'de oproerige taal der volksmisleiders'; hij zal daarbij zeker aan de ongenoemde Van den Brink gedacht hebben.

Als bestuurder was Leijten toen inmiddels in zijn nadagen. Zijn daadkracht verminderde. Her en der in het bisdom werd geklaagd dat besluiten nodeloos lang werden uitgesteld. Ook zijn gezondheid was gedurende de laatste tien jaar van zijn leven zwak. Leijten verscheen nog maar zelden bij vergaderingen en feestelijkheden; meestal liet hij zich door zijn vicaris-generaal vervangen. Zijn vijfentwintigjarig bisschopsjubileum vierde hij in 1910 om gezondheidsredenen alleen nog maar met een kerkelijke plechtigheid. Een jaar eerder was trouwens al zijn vijftigjarig priesterfeest gevierd. Bij die gelegenheid was hij tot huisprelaat van de paus en tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw benoemd.

Ook in Leijtens vastenbrieven van na 1900 is merkbaar een oud man aan het woord. Inhoud en toon van de brieven werden steeds moralistischer. Opmerkelijk daarentegen is Leijtens laatste vastenbrief uit 1914. Met de dood voor ogen wijdde hij die aan 'de hoopvolle verwachting van het onvergankelijk hemelsch geluk'. Leijten wist dat het zijn laatste brief zou zijn. Drie maanden later, op een vroege zondagmorgen, overleed hij, op twee maanden na tachtig jaar oud.


Bronnen

• Archief Bisdom Breda
• Katholiek Documentatie Centrum Nijmegen: diverse knipsels
Collectio epistolarum pastoralium, decretorum aliorumque documentorum quae pro regimine dioecesis Bredanae publicata fuerunt, III (1885-1904) en IV (1904-1915), Sint-Michielsgestel 1903 en 1915
• K. Leijten, 'Genealogie', Brieven van Paulus, 12 (1987), nr. 63, 117-124


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1996).


Auteur: P.J.A. Nissen

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon