Antonius Mathijsen (1805-1878)
militair geneeskundige en uitvinder gipsverband
Antonius Mathijsen werd geboren te Budel op 4 november 1805 als zoon van Ludovicus Hermanus (Lodewijk Herman) Mathijsen, chirurgijn, en Petronella Bogaers. Hij is ongehuwd overleden te Hamont (B.) op 15 juni 1878.
In Budel, het meest zuidoostelijke dorp van Noord-Brabant aan de grens met Limburg en België, had de vader van Antonius Mathijsen een boerenbedrijfje, hoewel zijn hoofdberoep chirurgijn was. In die tijd en plaats zal dat alle aspecten van de genees-, heel- en verloskunde hebben omvat. Het gezin Mathijsen-Bogaers bestond uit acht zoons - waarvan er twee op jonge leeftijd stierven - en twee dochters. Antonius was de vierde zoon. Toen hij 12 was, overleed zijn vader, 56 jaar oud.
Reeds als kind moeten Antonius en twee van zijn broers interesse hebben opgevat voor het vak van hun vader en een van hun overgrootvaders. Na het doorlopen van de lokale lagere school en vermoedelijk de Latijnse school te Weert volgde Antonius een medische opleiding in de ziekengasthuizen van Brussel en Maastricht. In 1827 - Mathijsen was toen 21 jaar oud - werd hij toegelaten als onbezoldigd kwekeling in het vierde (!) leerjaar aan 's Rijks Kweekschool voor Militaire Geneeskundigen in Utrecht. Een jaar later reeds haalde hij het examen en werd hij benoemd tot Officier van Gezondheid der 3de klasse. Hij begon zijn loopbaan als militair geneeskundige bij het Regiment Zwitsers no. 32. Hierna werd Antonius Mathijsen geregeld overgeplaatst en bevorderd.
Tiendaagse Veldtocht
De in 1830 uitgebroken Belgische Opstand leidde tot zijn inzet bij
een daadwerkelijke oorlog. Mathijsen was tijdens de expeditie naar
België onder meer actief in de vesting Ieper en tijdens de
Tiendaagse Veldtocht in augustus 1831 bij het mobiele leger. Hier
maakte hij van nabij de gevolgen van de oorlog en het leed van de
gewonden mee. Op 12 augustus 1831 werd hij overgeplaatst naar het
Groot Rijks-Hospitaal te Utrecht. Hier lagen veel gewonden van de
Tiendaagse Veldtocht. Vanwege zijn deelname aan de
oorlogshandelingen van 1830-1831 ontving Mathijsen, evenals alle
andere betrokkenen, het Metalen Kruis. Deze onderscheiding was
slechts de eerste van de vele die hem gedurende zijn leven ten deel
zouden vallen. In 1833 volgde overplaatsing naar de garnizoens- en
hospitaaldienst in Utrecht. Een jaar later kreeg hij de rang van
Officier van Gezondheid der 2de klasse. In februari 1836 verliet
Mathijsen de domstad, omdat hij was overgeplaatst naar het Regiment
Huzaren nr. 6, gelegen in Zutphen. Vanuit deze stad promoveerde hij
op 24 augustus 1837 tot doctor medicinae aan de Universiteit in
Giessen (D.). Het ontbreken van de vermelding van een dissertatie
wijst er op dat Mathijsen uitsluitend een examen heeft afgelegd.
Tot 1841 was dr. Mathijsen actief bij diverse legeronderdelen in
Zutphen. In laatstgenoemd jaar werd hij overgeplaatst naar het
garnizoen te Venlo. In dit stadje raakte hij bevriend met de lokale
arts, dr. J.P.H. van de Loo, die later nog een belangrijke rol in
zijn leven zou spelen.
Gipsverband
In 1849 volgde wederom een overplaatsing: Mathijsen verhuisde naar
Haarlem. Hier was het, dat hij experimenteerde met de behandeling
van beenbreuken met behulp van verbanden. Voortbordurend op
vindingen van anderen en op grond van zijn eigen proefnemingen kwam
Mathijsen eind 1851 tot de uitvinding van een gipsverband dat
tegemoet kwam aan de toenmalige eisen van eenvoud, snelheid en
veiligheid. Zijn vinding was toepasbaar voor allerlei been- en
andere botbreuken, zowel in de militaire als in de civiele
praktijk. Vooral de toepassing van katoen in combinatie met het
snel hard wordende, goed verkrijgbare en goedkope gips was een
belangrijke verbetering ten opzichte van het tot dan toe
veelgebruikte stijfselverband dat ruim een dag nodig had om hard te
worden. Volgens de overlevering kreeg Mathijsen zijn gips onder
meer van Budelse bouwvakkers die eveneens in Haarlem werkzaam
waren. Toen Mathijsen in januari 1852 met goed gevolg het examen
voor Officier van Gezondheid der 1ste klasse aflegde, bracht hij de
Utrechtse examinatoren tegelijkertijd op de hoogte van zijn vinding
en demonstreerde hij zijn methode. In het medisch tijdschrift
Repertorium van februari 1852 maakte Mathijsen zijn uitvinding voor
het eerst door middel van een ingezonden brief wereldkundig. De als
bescheiden en terughoudend gekarakteriseerde doctor spreekt daarin
over een 'misschien niet onbelangrijke wijziging in het aanleggen
der onbeweeglijke verbanden bij beenbreuken'. In mei 1852
publiceerde Mathijsen zijn eerste brochure over de uitvinding:
Nieuwe wijze van aanwending van het gips-verband bij beenbreuken.
Eene bijdrage tot de militaire chirurgie. Nog datzelfde jaar
verschenen publicaties van Mathijsens hand in enkele Franstalige
medische tijdschriften in België en Frankrijk.
Van de Loo
De Inspecteur van de Geneeskundige Dienst van de Landmacht stelde
vervolgens een commissie in om de waarde en doelmatigheid van het
gipsverband te onderzoeken. In Nederland werden in de loop van 1852
verschillende succesvolle proeven genomen met de methode van
Mathijsen. In België, bakermat van het stijfselverband, werd de
vinding van Mathijsen eveneens aan een onderzoek onderworpen. De
Belgische onderzoekscommissie oordeelde echter ongunstig over het
gipsverband. Dit had vermoedelijk mede te maken met het gebrek aan
voldoende gegevens. Inmiddels was Antonius Mathijsen in december
1852 weer naar het garnizoen Venlo overgeplaatst. Hier vernam de
doctor het slechte nieuws uit België. Medio 1853 verscheen het
rapport van de Nederlandse onderzoekscommissie die onder meer
concludeerde: 'Naar ons inzien zal het gipsprocédé van den Heer
Mathijsen als eene ware weldaad voor het menschdom in het algemeen
moeten worden aangemerkt, terwijl het in het bijzonder van het
uiterste gewicht belooft te zullen zijn voor de militaire practijk,
vooral op het slagveld.' De koning betuigde Mathijsen zijn
bijzondere goedkeuring en tevredenheid en benoemde de doctor tot
ridder van de orde van de Eikenkroon.
Ondertussen had zijn Venlose vriend, de arts Van de Loo, aangeboden om de bezwaren van de Belgische onderzoekscommissie te weerleggen door het geven van demonstraties met gipsmodellen. Mathijsen had hiermee ingestemd en vervolgens reisde Van de Loo België, Frankrijk en Duitsland af, waar hij veel succes oogstte. De activiteiten van Van de Loo hadden ook hun keerzijde. Een tweede Belgisch onderzoeksrapport (1854) roemde weliswaar de kwaliteiten van het gipsverband, maar stelde de uitvinding op naam van de heren Mathijsen en Van de Loo gezamenlijk. Later meende Van de Loo zoveel verbeteringen te hebben aangebracht, dat er in feite een nieuw gipsverband was ontstaan: het verband 'Van de Loo'. Tot zijn dood in 1883 bleef hij dit volhouden en bestreed hij Mathijsen in woord en geschrift. Mathijsen erkende terecht de verdiensten van Van de Loo voor de bekendmaking en verspreiding van zijn uitvinding maar vocht hem verder in de openbaarheid nooit aan. De affaire beroerde de ingetogen Mathijsen echter wel degelijk. Het betekende een breuk tussen beide bevriende medici. Verdere publicaties over het gipsverband, die ook in het Frans en in het Duits werden vertaald, zorgden er echter voor de ware uitvinder bekend raakte en waardering ontving. De tientallen blijken van dank namens buitenlandse overheden, militaire autoriteiten, medische instellingen, staatshoofden en de Paus moeten de introverte Brabander goed hebben gedaan. Bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Genootschap ter Bevordering van Natuur-, Genees- en Heelkunde in 1865 werd Mahijsen de gouden medaille van dit genootschap uitgereikt, een eer die ook zijn provinciegenoot en vakbroeder, de oogheelkundige dr. Frans Donders, te beurt viel.
Hall of fame
Dr. Antonius Mathijsen werkte tussen 1857 en 1860 te
's-Hertogenbosch bij de Geneeskundige Dienst van het daar gelegerde
garnizoen en vanaf laatstgenoemd jaar in het militaire hospitaal
van het garnizoen te Vlissingen. Hier werd hij in 1862 bevorderd
tot Eerste Officier van Gezondheid der 2de klasse, de op twee na
hoogste rang bij de toenmalige Militair Geneeskundige Dienst,
overeenkomend met die van majoor. Vijf jaar later werd Antonius
Mathijsen aangesteld als directeur van het garnizoenshospitaal te
Breda. Van hieruit werd hij 'bij Z.M. besluit van den 22 Maart 1868
No. 7 ter zake van langdurige dienst op pensioen gesteld en het
bedrag bepaald op ƒ 1300,- 's jaars en zulks onder toekenning van
den rang van Eerste Officier van Gezondheid der 1ste klasse'. Na
zijn pensionering bracht Mathijsen zijn laatste levensjaren door
bij familie in zijn geboortestreek: eerst bij zijn zus in hun
ouderlijk huis en in 1875 korte tijd bij zijn schoonzus in Someren.
Na de dood van deze laatste in datzelfde jaar verhuisde hij naar
Hamont, gelegen net over de Belgische grens bij Budel, waar hij
introk bij zijn neef en oomzegger, de molenaar Willem Mathijsen. In
de omgeving werd hij door de bevolking 'de majoor' genoemd, hoewel
Mathijsen als luitenant-kolonel formeel gezien als 'overste'
aangesproken diende te worden. Vanuit Hamont bezocht hij vaak zijn
nabijgelegen geboortedorp. Op advies van een vriend verbleef hij op
zijn 71ste enige tijd in Amsterdam om daar gipsverbanden en boeken
gereed te maken voor verzending naar een internationale
tentoonstelling in Philadelphia. Deze tentoonstelling trok
miljoenen bezoekers en leverde 'Dr. A. Mathijsen, Budel,
Netherlands' een bronzen medaille op 'for the original invention,
and for the great practical value thereof'. Het was het laatste
officiële blijk van waardering dat hem tijdens zijn leven ten deel
viel.
In augustus 1877 werd dr. Mathijsen door een beroerte getroffen. Bijna een jaar later, in de vroege ochtend van 15 juni 1878, stierf hij te Hamont. Hier werd hij nabij de kerk begraven. Van dit graf is enkel het (verplaatste) grafkruis met opschrift nog bewaard. In zijn geboorteplaats Budel werd in 1946 een monument opgericht, dat vijf jaar eerder door de Amsterdamse kunstenaar Kees Smout was vervaardigd en betaald met giften uit het hele land. Ook namen van straten, een ziekenhuis (het Militair Hospitaal te Utrecht, 1964-1996), een Nederlandse postzegel (1941), een sigarenmerk ('De Majoor') en een plaquette in de 'Hall of fame' in Chicago hielden of houden de herinnering aan de Budelse 'gipsdokter' levendig.
Bronnen
• H. Jaspers, 'Bezoek aan Budel, geboorteplaats van Dr.
Antoon Mathijsen, uitvinder van het gipsverband', Aa-kroniek,
tijdschrift van heemkundekring 'Budel en Cranendonck' 15 (1996)
156-172.
• H. Jaspers, 'Herinneringen aan dr. Antoon Mathijsen',
Aa-kroniek, tijdschrift van heemkundekring 'Budel en Cranendonck'
10 (1991) 228-237.
• D. Spoelstra, Dr. Antonius Mathijsen, uitvinder van het
gipsverband 1805-1878. Leven en werken van een Nederlandse Officier
van Gezondheid met als achtergrond de Militair Geneeskundige Dienst
in zijn tijd (Assen 1970).
• S.H. Winkelmolen, Budel en Cranendonk voorheen en thans.
Bijdrage tot de kennis van onze plaatselijke en streekgeschiedenis,
geplaatst in het raam van de Vaderlandse en gewestelijke historie
(Budel z.j. [1961; 19772]) XIV, 4b.
• Mondelinge informatie mr. H.J.M.E. Mathijsen, Venray.
Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a.
(red.), Brabantse biografieën.
Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel
5 (Stichting Brabantse Regionale
Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).
