A.J.F. van Ostaden (1896-1961)

kinderboekenschrijver

Adrianus Joannes Franciscus van Ostaden werd op 13 februari 1896 in Tilburg geboren als jongste van een gezin van zeven kinderen. Twee daarvan, beide meisjes, waren voor zijn geboorte al overleden. Zijn ouders waren Franciscus Salesius van Ostaden, die als fabrieksarbeider werkzaam was, en Maria Clara Stijnen. Van Ostaden stierf op 19 oktober 1961 in Den Bosch.

Het gezin verhuisde later naar Goirle. Na de lagere school volgde Van Ostaden de opleiding voor onderwijzer aan de kweekschool St.-Stanislaus. In 1915 behaalde hij de hulpakte en werd aangesteld op een lagere school in Tilburg.

Intussen was hij in 1913 ingetreden in het noviciaat van de Congregatie van de Fraters van Onze Lieve Vrouw Moeder van Barmhartigheid van Tilburg en nam de religieuze naam aan van Frater Franciscus Xaverius. In 1916 legde hij de eeuwige Geloften af. Na op een aantal scholen te hebben gewerkt, werd Van Ostaden in 1932 verbonden aan de B.L.O. in de Keizerstraat in Den Bosch. Gedurende bijna dertig jaar gaf hij daar les en was er ook enige tijd hoofd. Hij zou de rest van zijn leven op het klooster Papenhulst blijven wonen.

Van Ostaden wordt omschreven als een geboren onderwijzer en groot kindervriend. Zijn rijzige gestalte bezorgde hem de bijnaam 'd'n lange Frans', een bijnaam die hij later omzette in het pseudoniem Frans Langemans.

In het onderwijs voelde hij zich vooral aangetrokken tot de B.L.O.-kinderen, die hij met zijn verhalen wist te boeien. Hoewel hij enkele malen tot hoofd werd benoemd, ambieerde hij die positie niet. Het liefste stond hij voor de klas, die vaak de zwaarste was van de B.L.O., de zogenaamde 'bezinkingsklas', de klas voor de hopeloze gevallen. Over dit werk hield hij lezingen en vertelde hij graag anekdotes. Kort nadat hij met pensioen was gegaan, overleed Frater Franciscus Xaverius in Den Bosch.

In 1925 verschenen zijn eerste verhaaltjes in het tijdschrift De Engelbewaarder. Daarbij werd hij zeker gestimuleerd door de redacteur van dit tijdschrift, frater Joseph Reynders. De Engelbewaarder werd uitgegeven door de Drukkerij R.-K. Jongensweeshuis van de fraters van Tilburg. Bij deze drukkerij, later uitgeverij Zwijsen, zou het meeste van Van Ostadens werk verschijnen. Zijn publikaties bleven niet beperkt tot tijdschriften. Hij schreef ook leesboekjes voor het lager onderwijs en werkte mee aan enkele taal- en leesmethoden.

Van Ostaden schreef onder tientallen pseudoniemen. Een duidelijke reden voor die hoeveelheid is niet te geven; zeker is het in die jaren ook een sport geweest pseudoniemen te bedenken. Zo modelleerde hij de figuur van 'Van Piepelenburg' zeer herkenbaar voor zijn confraters naar een frater die werkzaam was op de drukkerij, en gebruikte R. Kobalt voor zijn stukken over tekenen.

In 1926 verscheen het eerste Puk en Muk-verhaal in De Engelbewaarder onder het pseudoniem Frans Fransen. De twee hoofdfiguren, dwergen uit het land van Klaas Vaak, waren geen creaties van Van Ostaden, maar werden bedacht door de Oostenrijker Carl Storch (1868-1955). In 1906 verschenen diens eerste 'Puckchen und Muckchen'-tekeningen in de Seraphischer Kinderfreund. Storch ontwikkelde zijn twee dwergen naar analogie van 'Max en Moritz' van Wilhelm Busch, van wie hij een groot bewonderaar was. Waarschijnlijk heeft Van Ostaden rond 1925 kennisgemaakt met de Seraphischer Kinderfreund en daarmee met 'Puckchen und Muckchen'. Het eerste verhaal werd geïllustreerd met een groot aantal tekeningen van Carl Storch, overigens zonder dat deze daarvan op de hoogte werd gesteld of dat zijn naam werd genoemd. Dat gebeurde evenmin in het eerste Puk en Muk-boekje, dat in 1927 werd uitgegeven.

Vrij snel na deze eerste Nederlandse uitgave kwamen Van Ostaden en Storch in contact en werd het begin gevormd van een samenwerking die tot 1940 zou duren. In deze periode kwamen dertien Puk en Muk-boeken tot stand, die meestal eerst in De Engelbewaarder waren gepubliceerd. Van Ostaden liet zich bij het schrijven van zijn verhalen inspireren door de bestaande Duitse 'Puckchen und Muckchen'-avonturen. Tegen deze achtergrond is het nog steeds geen uitgemaakte zaak bij wie het copyright voor de Puk en Muk-verhalen eigenlijk lag.

In 1940 werd het contact tussen schrijver en illustrator verbroken, na de oorlog werd het om onduidelijke redenen niet meer hersteld. Wel is zeker dat Van Ostaden erg onder de oorlog geleden heeft.

In Puk en Muk en Schobbejak uit 1949 staat die oorlog centraal. Puk en Muk komen in een land, bezet door de Slokoppers onder leiding van Schobbejak, een duidelijk herkenbare Hitler-figuur. De ontvangst van dit boekje was negatief. De overige drie naoorlogse Puk en Muk-verhalen, geïllustreerd door Leo van Grinsven, waren ook geen succes ondanks de positieve recensies. Zo schreef het Katholiek Schoolblad in 1953 bij het verschijnen van Prinses Rosalinde: 'Schrijvers vaardige fantasie vond ook nu weer het boeiend avontuurlijke, dat de kindergeest zo pakt. Hij weet het bevattelijk en aardig te zeggen en kruidt graag zijn verhaal met een tikkeltje humor. Tenslotte: Puk en Muk-boeken bieden het kind iets voor hoofd en hart . . .'

De herdrukken van de dertien vooroorlogse boekjes sloegen wel aan en werden in grote oplagen verkocht. Overigens kwam de wereldpolitiek in deze deeltjes ook wel aan de orde. Zo worden in het boekje Puk en Muk in China de twee dwergen verhoord door een mandarijn, die meent met Russische communisten te maken te hebben. In Reizen van Puk en Muk komt het tweetal in Rusland terecht bij het echtpaar Iwan Nicolawitsj en Jekatrien (Jan Klaassen en Katrijn) maar wordt door hen naar Siberië verbannen: '. . . We zullen jullie morgen eens naar een verre kostschool brengen. Die kostschool heet Siberië, en daar gaan alle lui naar toe die thuis niet goed kunnen oppassen, zoals jullie. Daar is het koud en daar moet gewerkt worden. Ik denk, dat je gauw tam zult zijn. . .' Later wordt het echtpaar eveneens door soldaten naar Siberië verbannen omdat het niets gedaan heeft.

Naast de verwijzing naar de situatie in Rusland geeft Van Ostaden hier ook een herkenbaar punt aan voor zijn B.L.O.-leerlingen. Siberië was een bekende wijk in Den Bosch. De schrijver gebruikte wel meer namen uit het Bossche, zoals 't Stortje, de Parade, Achter 't Wild Varken en Achter de Wereld.


Bronnen

• drs Kees Kolen, Puk en Muk uit de Schaduw van Tilburg, Tilburg 1986
• Archief van de Fraters van Tilburg
• Archief Uitgeverij Zwijsen
• Gemeentearchief Tilburg


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: Hans Petermeijer

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon