Pieter Gerardus van Overstraten (1755-1801)

gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië

Pieter Gerardus van Overstraten werd op 19 februari 1755 in de Nederlandse Hervormde kerk in Bergen op Zoom gedoopt. Hij was het derde kind van Johannes Hendrik van Overstraten en Catharina Wilhelmina Aelmans. Zijn vader was notaris, procureur en enige tijd ook burgemeester van Bergen op Zoom. Ook zijn moeder kwam uit een vooraanstaande familie; haar vader was eveneens notaris. Pieter van Overstraten huwde op Java met de koopmansdochter Jacoba Maria Lodicio. Ze kregen een zoontje dat heel jong gestorven is. Van Overstraten overleed op 22 augustus 1801 te Batavia.

Pieter Gerardus van Overstraten studeerde rechten aan de universiteit van Leiden en hij sloot die studie al op jonge leeftijd, in 1776, af met de dissertatie De delictis et poenis impuberum (Over de vergrijpen en straffen van onvolwassenen). Na zijn afstuderen was hij een paar jaar advocaat in 's-Hertogenbosch. Maar al spoedig vertrok hij naar Oost-Indië. Op 17 augustus 1780 nam hij afscheid van zijn familie, naar later zou blijken voorgoed. Zijn zus Adriana wenste hem in een gedicht vooral toe dat hij niet zou toegeven aan de verleiding tot lichtzinnigheid en niet zou ingaan op vleierij.

Op 19 april 1781 kwam Pieter van Overstraten in Batavia aan. Daar begon hij een snelle carrière en de verwachtingen van zijn zus heeft hij zeker waargemaakt. Achtereenvolgens was hij buitengewoon en gewoon lid van de Raad van Justitie, advocaat-fiscaal van de regering van de kolonie en secretaris van die regering. Vanaf 1789 kwam daar zijn lidmaatschap bij van de Raad van Indië, het bestuurscollege in de kolonie dat de Gouverneur-Generaal adviseerde.

Op 31 augustus 1791 werd Van Overstraten aangesteld als 'Gouverneur en Directeur van Java's Noord-Oostkust'. Dit was de hoogste functie in dit belangrijke gebied. Volgens alle getuigenissen heeft hij die zware taak voortreffelijk vervuld. Het was een gebied met veel problemen, zowel in politiek opzicht als economisch, hygiënisch en militair. Van Overstraten bemiddelde met succes in opvolgingskwesties bij Javaanse regentenfamilies, wat veel tact en subtiele omvangsvormen vergde. Hij bestreed corruptie en verbeterde het lot van de gewone Javaan door maatregelen die inhielden dat deze 'niet langer blootgesteld zou wezen aan onderdrukking van zijne hoofden, en zeker zou zijn van zijne bezittingen'. In verschillende opzichten was Pieter Gerardus van Overstraten dus een vroege 'Max Havelaar'. Hij had ook oog voor de volksgezondheid; zo bevorderde hij migratie van de ongezonde kust bij Semarang naar minder bevolkte, maar gezonde gebieden. Daarnaast stimuleerde hij de cultuur van koloniale waren, maar op een manier die het moreel gehalte van de Verenigde Oostindische Compagnie versterkte.

Toen gouverneur-generaal Alting in 1796 zijn ontslag indiende, werd Van Overstraten door zijn collega's in de Raad van Indië onmiddellijk gezien als de meest geschikte opvolger. De opvolging was in die tijd een zaak van de Verenigde Oostindische Compagnie omdat die eigenlijk de koloniserende mogendheid was. De VOC was een 'staat in de staat', een handelsmaatschappij met staatsgezag. Aan het hoofd stonden de 'Heren Zeventien', die in de kolonie vertegenwoordigd werden door de Raad van Indië. Dit college telde oorspronkelijk vijf en later zes tot tien leden. Ambtenaren, rechters en militairen moesten bij hun ambtsaanvaarding een eed afleggen aan de VOC en de Staten-Generaal. De gouverneur-generaal werd door de Raad van Indië aangewezen en benoemd, maar de Heren Zeventien moesten die benoeming bekrachtigen en zij konden van de aanwijzing door de Raad van Indië afwijken.

De machtsuitoefening was echter voor een deel verworden tot zelfverrijking en corruptie. Dat gold ook voor het ambt van gouverneur-generaal. Verschillende voorgangers van Van Overstraten hebben zich onbeschaamd bevoordeeld en een staat gevoerd die onvoorstelbaar verspillend was. Gouverneur-generaal Van Riemsdijk bezat bijvoorbeeld een glazen rijtuig en 200 slaven; zijn zoon had op zevenjarige leeftijd een overheidsbaan en verdiende toen hij zestien was een half miljoen gulden.

Dit is de sfeer van de 'pruikentijd' en in die sfeer werd Pieter van Overstraten gouverneur-generaal. Op 17 februari 1797 aanvaardde hij de functie. Hij bleef, zoals hij ook op andere posten gedaan had, opkomen voor de inlandse bevolking. Zo verbood hij de Europese ambtenaren om geschenken aan te nemen voor bewezen diensten. Van Overstraten had overigens wel oog voor de belangen van de ambtenaren. Het verblijf in de benedenstad van Batavia was zeer ongezond en daarom begon hij met de verplaatsing van de ambtswoningen naar hoger gelegen buitenwijken.

Op verschillende manieren kreeg hij te maken met de politieke ontwikkelingen en gebeurtenissen in het verre Europa. Daar was het de tijd van de Bataafse Republiek en van de oorlog van Frankrijk tegen Engeland, waar de Republiek bij betrokken was. Op zichzelf genomen was Van Overstraten geen revolutionair; eerder een aanhanger van het 'Ancien Régime'. Maar echt behoudend was hij niet en met sommige politieke veranderingen kon hij wel meegaan, bijvoorbeeld met die ten aanzien van de bestuursvorm en de gezagsverhoudingen in 'zijn' Nederlands-Indië.

Bij het aannemen van de eerste grondwet, in 1795, werd de bestuursbevoegdheid aan de Heren Zeventien ontnomen. De bezittingen en schulden van de Verenigde Oostindische Compagnie gingen op 31 december 1799 over aan de staat. Van Overstraten werd dus de eerste gouverneur-generaal in staatsdienst. Het ging op dat moment overigens meer om schulden dan om bezittingen. De kolonie stond er slecht voor na lange jaren van in alle opzichten tekortschietend beleid.

Ook was het voor Pieter van Overstraten heel enerverend dat er, vanwege de blokkade van het vasteland in Europa door Engeland, geen verbinding mogelijk was met het moederland. De gouverneur-generaal moest dus zonder extra hulp de koloniale bezittingen tegen Engeland verdedigen. Daarom riep hij met succes manschappen op uit de inlandse bevolking en hij vroeg geldmiddelen aan de Javaanse vorsten. Op die manier verbeterde hij ondanks de moeilijke omstandigheden de defensie in belangrijke mate. Zijn voorgangers hadden daar weinig aan gedaan. Een aanval van Engelse schepen op Batavia in de maanden augustus tot november 1800 kon worden afgeslagen. Maar op 21 juni van het volgende jaar nam de Engelse vloot Ternate in, een belangrijk eiland voor de specerijencultuur.

Van Overstraten leed daar sterk onder en het deed er natuurlijk geen goed aan dat ook met de familie in Bergen op Zoom weinig contact mogelijk was. Vanaf 1795 kwam geen enkel schip uit de Republiek aan. Reizigers en post arriveerden min of meer toevallig en onregelmatig met vreemde, buitenlandse schepen. De carrière van Pieter van Overstraten werd uiteraard wel met trots gevolgd. Dat blijkt uit verschillende gedichten van Adriana en van kennissen van de familie, onder andere Petronella Moens.

Op een van zijn reizen door Oost-Java had Van Overstraten een gezwel aan zijn voet opgelopen en een ontsteking. Dat was in 1796. Het leek dat hij hiervan genezen was, maar eind 1800 werd hij als gevolg van die aandoening alsnog ernstig ziek. In de loop van 1801 werd het steeds erger. Hij kon zijn werk nauwelijks nog doen en op 22 augustus overleed hij. Twee dagen later werd hij met veel militaire eer en staatsie in Batavia begraven; op de zondag daarna werd er een herdenkingsdienst gehouden in de kerk in dezelfde plaats. Dominee Ross hield een respectvolle lijkrede. Ook deelde hij mee dat zijn weduwe Jacoba Maria 'te bitter bedroefd was om aanwezig te zijn'.

Tragisch is dat het bericht van het overlijden van Pieter Gerardus van Overstraten pas in april 1802 zijn familie in Bergen op Zoom bereikte. Intussen was, op 7 september 1801, de gouden bruiloft van de ouders gevierd en bij die gelegenheid werden verschillende gedichten voorgedragen waarin de verbondenheid met de beroemde zoon en de hoop op een spoedig weerzien in de schoot van de familie werden uitgesproken.

Maar dat heeft niet zo mogen zijn, tot verdriet van zijn familie in Bergen op Zoom en van iedereen die hem kende in de Oost, waar hij bekend stond als toegankelijk voor 'hoog en laag', prettig in de omgang, edelmoedig, hulpvaardig en als een zeer bekwaam bestuurder.


Bronnen

• Ingrid G. Dillo, De nadagen van de Verenigde Oostindische Compagnie 1783-1795, Amsterdam 1992
• Femme S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC, Zutphen 1991
• J. van Goor, De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975, Den Haag 1994
• P. Mijer, 'Mr. Pieter Gerardus van Overstraten', Tijdschrift voor Nederlandsch-Indië 3 (1840), 204-284
• C. Slootmans, Bergen op Zoom op het eind der XVIIIe eeuw, Bergen op Zoom 1930
• F.W. Stapel, Geschiedenis van Nederlandsch-Indië, Amsterdam 1930


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 4
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1996).


Auteur: J.J.M. Baartmans

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon