Gerard Panneboeter (1759-1830)

bestuurder

Gerard Panneboeter werd op 10 juli 1759 te Fijnaart geboren. Hij was de zoon van Pieter Panneboeter, secretaris van Fijnaart en Heijningen, en Johanna Gijsberta Sybilla Motman. Hij huwde te Utrecht op 13 september 1779 met Johanna Catharina van Westrenen, gedoopt te Utrecht op 12 oktober 1757. Op 25 mei 1780 werd hun dochter Arnoldina Berendina Wilhelmina te Breda gedoopt. Zij overleed reeds op 31 mei, enkele dagen later gevolgd door haar moeder. Op 9 juli 1781 huwde Panneboeter te Breda met Arnolda Breda, geboren te Rotterdam op 10 april 1757. Uit dit tweede huwelijk werd op 21 december 1782 te Roosendaal zijn dochter Anna Gerardina Wilhelmina geboren. Mr Gerard Panneboeter overleed te Roosendaal op 8 april 1830. Met hem stierf het geslacht Panneboeter in Nederland uit.

Panneboeter stamde, zowel van vaders- als van moederszijde, uit welgestelde hervormde regentenfamilies. Als driejarige wees kwam hij onder de hoede van een voogd, zijn oom van moederszijde, Mr Gerrit Willem Motman, schout van de vrijheid Roosendaal en de heerlijkheid Nispen.

Hij bezocht als kostschoolleerling de Latijnse School te Gorinchem en in 1776 begon hij aan een rechtenstudie te Utrecht. Hij nam toen ook uit respect voor zijn oom-voogd de tweede naam Willem aan. Op 15 maart 1779 promoveerde hij summa cum applausu tot doctor in de rechten op het proefschrift De Iure Venandi (over het jachtrecht).

Op 21 augustus 1779 werd hij benoemd tot drossaard en schout van de vrijheid Roosendaal en de heerlijkheid Nispen. Hij had dit ambt voor ƒ 25.000,- gekocht van zijn voogd met middelen uit een aanzienlijke erfenis van zijn ouders. Ondanks zijn jeugdige leeftijd kreeg hij grote invloed, mede door zijn intellectuele overwicht en intense belangstelling op vele terreinen. Hij spande zich in voor verbeteringen aan de Vliet en de haven, zodat die weer bevaarbaar werden en hij liet het vrijheidshuis (het huidige oude raadhuis) vernieuwen. In 1792 stelde hij een contract op tussen de regenten van Roosendaal en Nispen en de abt van Tongerlo, waarbij de laatste zich bereid verklaarde om ƒ 20.000,- bij te dragen aan het herstel van de in verval geraakte kerk en toren te Roosendaal. Door omstandigheden zou dit contract pas in 1808 worden uitgevoerd door de Domeinen als rechtsopvolger van de abdij, waarbij ƒ 10.000,- werd aangewend voor het herstel van de toren en ƒ 10.000,- voor de bouw van een nieuwe hervormde kerk aan de Bloemenmarkt, nadat de oude parochiekerk, in gebruik bij de hervormden, in 1807 was gesloopt.

In februari 1793 en wederom in augustus 1794 vluchtte hij voor de naderende Franse troepen, want als fel orangist was hij bang voor wraak. De laatste vlucht kostte hem zijn ambt, nadat de Franse generaal Le Maire in maart 1795 had bepaald dat gevluchte functionarissen geen aanspraak meer konden maken op hun funkties. Als ambteloos burger wijdde hij zich als gemachtigde aan het beheer van de bezittingen van zijn oom mr G.W. Motman, die eveneens ontslagen was als rentmeester-generaal van de Prins te Breda en naar Duitsland was gevlucht. Onder dit beheer viel ook het Leenhof, dat hij geheel vernieuwde, waarna het tot op de huidige dag onder de naam Vrouwenhof behouden bleef.

Nadat de politieke wind uit een andere richting was gaan waaien, werd Panneboeter op 29 maart 1803 benoemd tot schout-civiel van Roosendaal en Nispen. Doordat Roosendaal en Nispen niet langer een eigen criminele rechtspraak kenden, had deze funktie minder inhoud dan zijn vroegere. Wel had hij het toezicht op het plaatselijke bestuur en op de naleving van wetten en verordeningen. Hij bemoeide zich met de brandbestrijding, het wegenonderhoud, de aanleg van een wisselplaats en een laad- en losplaats aan de haven, evenals met het weer bevaarbaar maken van de scheepsbeek.

Een belangrijke bijdrage in deze periode was het ontwerpen van een contract tussen de gemeente en de hervormde kerkeraad dat uiteindelijk in 1806 door koning Lodewijk Napoleon werd goedgekeurd en waarbij de sloop van de oude parochiekerk en de overdracht van het daarbij behorende kerkhof aan de gemeente werden geregeld, benevens een gelijke verdeling tussen gemeente en hervormde gemeente van de ƒ 20.000,- van de abdij van Tongerlo, indien die alsnog ter beschikking zou komen.

Na de inlijving bij het Franse keizerrijk werd hij per 1 november 1810 benoemd tot maire van Roosendaal en Nispen en per 19 februari 1811 tot lid van het Wetgevend Lichaam te Parijs voor het arrondissement Breda. Als maire moest hij primair de opdrachten van het centralistische Franse systeem uitvoeren, al poogde hij geregeld eigen initiatieven te nemen. Zijn grootste verdienste in die periode was dat hij onophoudelijk pleitte voor de belangen van de burgers in zijn gemeente. Hij protesteerde tegen de hoge belastingen, bepleitte de oprichting van een bank van lening voor de sterk verarmde burgers en hij bereikte de opheffing van de blokkade van havens die de export van landbouwprodukten vanuit Roosendaal naar de rest van het land belette.

Na het vertrek van de Fransen werd hij op 17 december 1813 ontslagen. Toch was hij niet in ongenade gevallen, want op 19 september 1814 volgde zijn benoeming door koning Willem I tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant en op 8 oktober tot lid van het college van Gedeputeerde Staten. Als lid van Provinciale Staten was hij een der weinige aanvankelijk door de koning benoemde protestanten die zich, toen de leden na 1817 gekozen mochten worden, steeds konden handhaven tegenover de katholieke kandidaten uit West-Brabant. Hij stond bekend als capabel en verdraagzaam en was de tegenspeler van het politieke duo Cuypers en Ingenhousz.

Op 12 september 1820 werd hij benoemd tot districts-schout (later districts-commissaris geheten) van het zevende district van Noord-Brabant. Het district omvatte zeventien gemeenten in West-Brabant met Roosendaal als hoofdplaats. Wegens onverenigbaarheid van funkties nam hij ontslag als gedeputeerde. Hij had een omvangrijke en verantwoordelijke taak gekregen en rapporteerde rechtstreeks aan de gouverneur en de Staten. Bij herhaling pleitte hij voor vermindering van de grondbelasting die de gemeenten te zwaar belastte en voor het nemen van maatregelen tegen het niet regelmatig overboeken van eigendommen. Hij signaleerde ook het ontbreken van geneeskundigen in kleine gemeenten, rapporteerde dat in sommige gemeenten het onderwijs nog veel te wensen overliet, en verder bemiddelde hij bij de gemeentelijke herindeling van Woensdrecht, Huijbergen en Hoogerheide. In 1827 moest hij zijn funktie om gezondheidsredenen opgeven.

Panneboeter was vanaf 1791 lid van diverse vrijmetselaarsloges en daarnaast vanaf 1796 een verdienstelijk ouderling van de hervormde gemeente. Politiek gezien was hij conservatief en een trouw Oranje-aanhanger. Door zijn strenge opvatting van loyaliteit aan het heersende gezag kon hij onder diverse regimes funktioneren. Hij was een bekwaam en integer bestuurder met een groot gevoel van verantwoordelijkheid voor de aan hem toevertrouwde burgers. Door zijn regionale en provinciale funkties stijgt zijn betekenis uit boven die van een louter plaatselijke regent.


Bronnen

• C.B. Goyarts, 'Mr Gerard Willem Panneboeter (1759-1830)', in: Jaarboek De Ghulden Roos 49 (1989), 21-62, en 51 (1991), 18-95


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 2 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1994).


Auteur: C.B. Goyarts

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon