Anton Frederik Philips (1874-1951)

ondernemer

Anton Frederik Philips werd geboren op 14 maart 1874 als de jongste zoon van Benjamin Frederik Philips en Maria Elisabeth Heyligers, vooraanstaande inwoners van de stad Zaltbommel. Op twintigjarige leeftijd vestigde hij zich te Eindhoven waar hij, tot 1922 in vereniging met zijn zestien jaar oudere broer Gerard, zich ontwikkelde tot industriëel leider van wereldformaat. Bij zijn overlijden op 7 oktober 1951 telde het Philips-concern wereldwijd circa 100.000 werknemers, waarvan 44.000 in Nederland en 28.000 in Eindhoven.

Anton groeide op in een milieu van invloedrijke patriciërs. Vader was een neef van Karl Marx. Tante Nanette, getrouwd met een dominee, was de eerste secretaresse van de Nederlandse afdeling van de Socialistische Internationale. Twee ooms waren fabrikant, andere waren geneesheer, advocaat en rechter. De vader van Anton exploiteerde in Zaltbommel een kassiersbedrijf, een gasfabriek en een koffiebranderij. Hij dreef handel in tabak en thee, was medefirmant van een tabakskerverij en was in 1891 in zee gegaan met de oudste zoon ir. Gerard Philips, als de financierende vennoot van de Firma Philips & Co. te Eindhoven.

Terwijl de gloeilampenfabriek de eerste moeilijke jaren doorkwam, ploeterde Anton aan de Openbare Handelsschool te Amsterdam. De opleiding werd niet voltooid en op latere leeftijd zou hij jeugdigen meermalen voorhouden dat, om te kunnen slagen in het leven, het niet per se nodig was 'professor te worden'. Minstens zo belangrijk vond Anton 'fantasie, saamhorigheid en de wil iets te willen bereiken.'

Na een tweejarige dienstbetrekking als volontair van een Amsterdams effectenkantoor, waarvoor hij in 1894 te Londen werkzaam was, trok Anton in januari 1895 'op proef' naar Eindhoven om broer Gerard, wiens gloeilampenfabriek de kinderschoenen begon te ontgroeien, te ontlasten van de verkooptaak. Na reizen in eigen land, in Duitsland en België, boorde Anton met veel succes nieuwe markten aan in onder meer Rusland, Spanje en Italië. In 1898, het jaar van de eerste Russische reis, trouwde Anton met Anna de Jongh, dochter van de directeur Gemeentewerken van Rotterdam die met de aanleg van onder meer de Maas- en Waalhaven de uitgroei mogelijk maakte tot wereldhaven nummer één. Ook Anton had z'n oog gericht op de wereld. De afzetmarkt voor gloeilampen in Nederland was gering. Export en groei waren voor een succesvolle massafabricage van groot belang. Dat Eindhoven moest meegroeien lag voor de hand. Anton Philips verwierf in ondernemerskring in korte tijd de faam van getalenteerd onderhandelaar.

Tegelijkertijd deed hij zich in Eindhoven kennen op sociaal-economisch, maatschappelijk en politiek toneel, als een man die 'vooruit' wilde. Hij was mede-initiatiefnemer van de Eindhovense Telefoonmaatschappij, van een Ziekenbus voor Eindhoven en omstreken en vanaf 1902 was hij voorzitter van de progressieve interconfessionele vereniging 'Eindhoven Vooruit', die onder meer streefde naar annexatie van de randgemeenten. Het was de enige mogelijkheid voor het oude handelsstadje - in oppervlakte slechts zo'n 80 hectare groot - om zich te ontwikkelen. 'Eindhoven Vooruit' was de drijfveer achter een betere infrastructuur en betere voorzieningen op het gebied van volksgezondheid, volkshuisvesting, ontspanning en onderwijs. Anton financierde de stichting van een HBS, hij was voorzitter en inspirator van de eerste woningbouwcorporatie in Noord-Brabant en hij schroomde niet om in geval van een vertraging met bouwplannen onder de arm rechtstreeks naar de minister te stappen.

Als directeur van het bedrijf, dat sedert 1908 in het hele land gespecialiseerde vaklieden begon te werven, zette Anton zich in om in Eindhoven die voorzieningen te krijgen die pasten bij politiek, cultureel of godsdienstig andersgericht nieuw personeel. Hij stimuleerde vele sport- en ontspanningsmogelijkheden. De in 1912 gestichte Philips Sport Vereniging (PSV) is het meest bekende voorbeeld, maar er werden ook verenigingen gesticht of geholpen die niet onder de 'Philipsvlag' voeren. Zo fourneerde hij tegelijk met de stichting van een Philips' Verbruikscoöperatie gelden voor identieke organisaties van katholieke en socialistische signatuur. Bij gelegenheid van de eenwording van Eindhoven met vijf randgemeenten in 1920 schonken Anton Philips en zijn echgenote de stad een ruim 25 hectare groot bosterrein, dat van het nieuwe gemeentebestuur de naam 'Philips-de Jongh Wandelpark' kreeg. In weerwil van alle kritiek verwezenlijkte Anton in de jaren dertig ook een overdekte bad- en zweminrichting in Eindhoven. De katholieke geestelijkheid vreesde voor de Brabantse zedelijkheid en een pessimistische gemeentelijke overheid zag het door Anton gewenste sportfondsenbad als een luxe die niet paste in de crisistijd. Maar Philips zette door en binnen tien jaar meldde zich de miljoenste bezoeker.

Anton Philips is uiteraard het meest bekend als de man die de in 1891 door zijn broer begonnen elektrische gloeilampenfabriek opstuwde tot een elektronisch wereldconcern. Zijn succes als industrieel leider werd bepaald door verschillende factoren. Hij bezat niet alleen commerciële capaciteiten, maar hij had vooral ook gevoel voor menselijke betrekkingen en was in staat om zijn medewerkers, van hoog tot laag, te inspireren tot teamwork. Als verkoopleider bracht Anton reeds vóór de Eerste Wereldoorlog de Eindhovense gloeilamp in alle werelddelen en opmerkenswaard is daarbij het gegeven dat Eindhoven zelf pas een elektrisch lichtnet kreeg toen Philips zich met 3000 werknemers al opmaakte voor het vieren van het 25-jarig bedrijfsjubileum.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam het voortbestaan van het bedrijf in het gedrang. De aanvoer van glasballons en edelgassen vanuit Duitsland stagneerde en kwam zelfs geheel tot stilstand. Anton Philips nam toen het besluit zelf een edelgas- en een glasfabriek te stichten. Daarmede schiep hij tegelijk de voorwaarden voor de latere enorme verbreding van het artikelenpakket, die zich kort nadien al aankondigde met de start van de produktie van radio- en röntgenbuizen voor aanvankelijk nog voornamelijk experimentele doeleinden.

Naast Antons aandeel in de opkomst van de radio-industrie te lande had hij ook een bijzonder aandeel in die van de radio-omroep in Nederland. Het was Philips uit Eindhoven die 'Hilversum' de zendmasten schonk om uitzendingen mogelijk te maken. De afzetmarkt voor radio's werd daardoor in niet onbelangrijke mate verruimd en het Philipsbedrijf, dat in 1920 op radiogebied nog slechts zend- en ontvangbuizen produceerde, leverde binnen luttele jaren alle onderdelen van de radio.

In 1925 nam Anton, sedert de pensionering van Gerard in 1922 de enige directeur, het besluit om zelf radio's te maken. Hetzelfde jaar werd met de Amerikaanse Radio-Group, bestaande uit General Electric, The Radio Corporation of America (RCA) en Westinghouse, een licentieovereenkomst gesloten en afspraken gemaakt omtrent ieders exclusieve marktgebied. Deze samenwerking maakt duidelijk hoezeer Philips toen reeds meetelde in de internationale radio-industrie, terwijl het bedrijf op dat moment niet eens een eigen radio op de markt had. Vanaf 1927 was dat wel het geval en Philips groeide toen zo onstuimig dat amper vijf jaar later het concern al gold als de grootste radiofabrikant ter wereld. En Eindhoven groeide mee. Tussen 1920 en 1930 nam het inwonertal toe van 45.000 tot bijna 100.000.

Anton Philips haalde belangrijke mensen voor zijn bedrijf naar Eindhoven. De Rotterdamse auteur van een eerste handboek voor het internationale expeditie- en exportwezen was er al in 1902. Ir. Z.Th. Fetter, die eerder als arbeidscontroleur Philips 'controleerde', werd hoofd van de afdeling Arbeid; dezelfde man zou zijn carrière afsluiten als directeur-generaal van de Arbeid in Den Haag. Gilles Holst, eerste medewerker van de later met een Nobelprijs gehonoreerde Leidse professor Kamerlingh Onnes, werd in 1914 aangetrokken voor de opbouw van een research-laboratorium. Dit Philips' NatLab werd een centrum van techniek en wetenschap waar fysici van wereldnaam als Ehrenfest en Einstein gastcolleges gaven.

Met name in de periodes van sterke expansie van het Philipsbedrijf riep Anton Philips door zijn vrijmoedig en onafhankelijk optreden nogal wat weerstanden op. Bij een stakingsconflict in 1910 drukten ultramontaanse katholieken hem het stempel op van 'Potentaat tusschen God en de Menschen'. Voor (extreem-)linkse krant- en tijdschriftredacties gold hij bij uitstek als kapitalistisch 'uitbuiter'. Ook bij zijn promotie tot eredoctor in de handelswetenschappen in juni 1928 te Rotterdam waren er kritikasters. Er werden toen aanmerkingen gemaakt op Antons advies aan de studenten van de Handelshogeschool: 'Beschouwt, zodra gij in het werkelijke handelsleven treedt, uw werk niet als een taak, maar als een sport (...).' Onbesproken bleef het betoog: 'Maakt van uw medewerkers uw vrienden' en: 'Hoe geslaagd gij als koopman ook zult zijn, telkens zult gij tot het bewustzijn komen, dat gij nog altijd van anderen kunt leren. Doet er uw voordeel mee!'

Anton Philips wist zijn medewerkers te enthousiasmeren. Half Eindhoven bleef daarvan getuigen tot vele decennia na diens overlijden. Ir P.F.S. Otten, schoonzoon en sedert 1939 Antons opvolger als president-directeur van het Philipsconcern, gaf bij zijn afscheid in 1968 nog een raad van wijlen zijn schoonvader ten beste: 'Durf ongelijk te bekennen. Koppigheid is dom en verlaagt het prestige. Kom terug op genomen verkeerde beslissingen, zo gauw dat blijkt.'

Anton Philips was een man die tot in de jaren dertig veel zelf bepaalde, maar die tegelijk ook flink kon delegeren. In de crisisjaren, toen het concern in Eindhoven meer dan 10.000 personeelsleden moest ontslaan, liet hij steeds meer over aan de nieuwe generatie onder aanvoering van schoonzoon Otten en de tien jaar jongere zoon Frits. Pleitbezorger bleef Anton voor de eerder uitgestippelde lijn naar verbreding van het produktenpakket. Hij bleef geloven in het uiteindelijke succes van 'gezondheidsprodukten' als het röntgenapparaat, dat de tbc moest uitbannen, en de vitamine aanmakende hoogtezon. Deze apparaten, die vanaf de jaren twintig in Eindhoven werden geproduceerd, waren allesbehalve winstmakers voor het bedrijf. Grote interesse toonde hij voor de 'sprekende film' en nog later de televisie. De invoering van de tv in Nederland heeft hij niet meer meegemaakt maar wel de experimentele uitzendingen van Philips' Natlab, die daaraan vooraf gingen.

Van 1939 tot zijn overlijden in 1951 was Anton president-commissaris van het concern. Vijf jaren daarvan bracht hij door in New York. Tijdens de Duitse invasie in mei 1940 werd de zetel van het bedrijf volgens vooropgezet plan naar Curaçao verplaatst. Anton Philips nam met zijn echtgenote, het gezin van schoonzoon Otten en nog een aantal Philipsgetrouwen, de wijk naar 'de nieuwe wereld' waar een nieuwe Philips-organisatie werd opgebouwd, geheel los van de exploitatie van het Philipsbedrijf in bezet gebied, dat werd geleid door zoon Frits die door toevallige omstandigheden in Nederland had moeten achterblijven.

In november 1945, inmiddels 71 jaar oud, keerde Anton in Eindhoven terug. Met veel enthousiasme werd hij door de bevolking als 'the grand old man' onthaald. Bij zijn uitvaart, zes jaar later, liep de stad opnieuw uit om de man, die Eindhoven tot 'lichtstad' maakte, de laatste eer te bewijzen.


Bronnen

• I.J. Blanken, Geschiedenis van Philips Electronics N.V., dl III (1922-1934); De ontwikkeling van de N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken tot elektrotechnisch concern, Leiden 1992
• P.J. Bouman, Anton Philips. De mens, de ondernemer, Amsterdam 1956
• A. Heerding, Geschiedenis van de N.V. Philips' Gloeilampenfabrieken, dl II (1891-1922); Een onderneming van vele markten thuis, Leiden 1986


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 3
(Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Amsterdam/Meppel 1995).


Auteur: A.J.M. Otten

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon