Adriaen Poirters (1605-1674)

priester en dichter

Adriaen Poirters, zoon van Jan Adriaensz. Poirters en Wilhelmina Verhoelinck, oftewel Willemken Peter Meusen, werd op 2 november 1605 gedoopt in de kerk van Sint-Petrus' Banden te Oisterwijk. In 1623 trad hij in bij de orde van de jezuïeten. Adriaen Poirters hij stierf te Mechelen (B.) op 4 juli 1674.

Vader Jan Adriaensz. was een dorpsnotabele in Oisterwijk: kerkmeester en provisor van het 'Arme Gasthuis der vrijheid Oisterwijk'. Hij is vele malen schepen geweest en tweemaal burgemeester, een eenjarige functie die betekende dat men de ontvanger van de dorpsinkomsten was. In de jaren dat hij géén schepen of burgemeester was, verdiende hij de kost als keurmeester van het gilde 'Het Wollen Ambacht' en zat hij als zodanig ook in het dorpsbestuur.

Deze Jan Poirters is driemaal getrouwd geweest. Uit zijn eerste echt had hij ten minste één dochter, uit zijn tweede huwelijk met Jenneken Hixspoors vijf kinderen, waarvan er twee priester van het bisdom Den Bosch geworden zijn. Toen Jenneken op 11 februari 1604 was overleden aan de pest, hertrouwde Jan Poirters al snel met de weduwe van Niclaes Willems, genoemd Willemken, dochter van Peter Bartholomeus Gijsberts van Beurden, die ook al enige kinderen had. Uit deze echt zijn, behalve Adriaen, nog vijf kinderen geboren. Op welke dag Adriaen geboren is, is niet bekend. We beschikken slechts over de vermelding in het doopboek, waarmee overigens Adriaens eigen verklaring in het novicenregister van de jezuïeten - Oisterwicanus, natus anno 1606, mense Augusto - niet in overeenstemming is. Tot laat in de negentiende eeuw heeft men, onbekend met het gegeven uit het doopboek, gedacht dat met Oisterwijk een gehuchtje van die naam in de buurt van Turnhout bedoeld was.

Over Adriaens prille jeugd tijdens de Tachtigjarige Oorlog weten we niets. Den Bosch en de Meierij, waarin Oisterwijk ligt, stonden toen nog onder Spaans bestuur. Zeker is dat Oisterwijk veel te lijden gehad heeft van de oorlog: plundering, brandstichting en inkwartiering. Ten slotte heeft er ook een pestepidemie geheerst. Maar Adriaen groeide op in de daar rustige jaren vlak vóór en tijdens het Twaalfjarig Bestand. Eind 1618 ging hij naar het college van de jezuïeten in 's-Hertogenbosch, een voor die tijd zeer grote school van 600 leerlingen die over over zes jaarklassen waren verdeeld, te vergelijken met ons gymnasium. De aandacht voor het Latijn was er alles overheersend. In de hogere klassen was het zelfs voertaal. Vier van de bijna vijf jaar die Adriaen er doorgebracht heeft, heeft hij onder leiding gestaan van magister Sidronius De Hossche, geleerde en poëet, aan wiens gedichten Poirters zich later zeer schatplichtig bekende.

Meteen na afloop van het Twaalfjarig Bestand, in 1621, werden de vijandelijkheden rond Den Bosch weer hervat, wat ten slotte leidde tot de inneming van de stad door Frederik Hendrik in 1629. De jezuïeten weken toen uit naar Ravenstein, maar inmiddels was Adriaen Poirters reeds vertrokken. Zodra hij namelijk in 1623 besloten had in te treden in de Sociëteit van Jezus, was hij voor de tweejarige filosofiestudie gegaan naar het College te Marchiennes, een dorpje bij Dowaai (het huidige Franse Douai). Daarna kon hij, gehuld in jezuïetentoog, in het oude Keizershof te Mechelen beginnen aan zijn noviciaat, de inwijding in het kloosterleven. In het Album Novitiorum staat zijn plechtige belofte zijn proeftijd waardig en heilig door te brengen opgetekend. Daarna moest dan nog een leraarsopleiding benevens onderwijs in (Latijns-)letterkundige en pedagogische vorming van één jaar worden ondergaan. Poirters genoot die in het juvenaat in Antwerpen. Pas daarna was hij officieel jezuïet.

In de zomer van het jaar 1628 is Poirters als magister aangesteld om de Mechelse jeugd te begeleiden tijdens haar humaniora-opleiding, ons vroegere gymnasium-alfa. Eind 1631 werd Poirters overgeplaatst naar het college in Maastricht, dat een half jaar daarna ook in handen viel van Frederik Hendrik. Aanvankelijk mochten de jezuïeten daar blijven. Vanuit Maastricht ging Poirters in 1634 voor zijn theologiestudie naar Leuven, waar hij op 20 maart 1638 ten slotte priester werd gewijd. Zijn eerste functie als priester was er een bij het apostolaat van de zeelieden in Duinkerken. Daar zijn zijn talenten ongetwijfeld beter tot hun recht gekomen. In hetzelfde jaar debuteerde hij als gelegenheidsdichter met lofdichten op overwinningen van Spaanse kant op de Staatse en Franse troepen.

Een jaar later onderging Poirters in Lier een 'geestelijk bad in de ascese', herhalingsoefeningen in de Exercitia Spiritualia van Sint-Ignatius, een zogenaamd derde jaar noviciaat. Hij kreeg toen de eervolle opdracht de Nederlandse uitgave te verzorgen van het lijvige wetenschappelijke gedenkboek bij gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Orde: Afbeeldinghe van d'eerste eeuwe der Societyt Jesu. De inbreng van Poirters bestond, behalve uit een uitvoerige geschiedenis van de jezuïeten in de Zuidelijke Nederlanden, uit vele emblemata die hij van bijschriften voorzag.

Vervolgens werd pater Adriaen Poirters te werk gesteld op het Jezuïetencollege in Roermond, dat toen weer in Spaanse handen was. Daar legde Adriaen Poirters op 26 december 1641 zijn plechtige gelofte af en werd daarmee 'geprofest' jezuïet; dit was achttien jaar nadat hij besloten had in te treden. In Roermond, waar veel Noord-Nederlandse katholieke jongens zaten, vervulde Poirters even de rol van studie-prefect, een zware functie waarvoor veel gezag en overwicht over leraren en leerlingen nodig was. Hoogstwaarschijnlijk is Poirters daar de man niet naar geweest. Vanaf 1642 staat hij dan ook uitsluitend te boek als predikant en biechtvader. Het zijn deze twee beroepen waarin we hem zijn hele verdere leven zien optreden, in allerlei plaatsen in de Zuidelijke Nederlanden, namelijk Antwerpen, Brugge, Belle (het Franse Bailleul), Lier en ten slotte Mechelen. Of hij ooit nog voet gezet heeft op Noord-Nederlands grondgebied, is onbekend. Het kan niet de politieke toestand geweest zijn die het verhinderd heeft, want zijn confraters reisden in die tijd van Zuid naar Noord en vice versa.

Als Adriaen Poirters niet de schrijver geweest was van een van de populairste moralistische boeken uit de zeventiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden, dan zou de naam van deze jezuïet, die noch wetenschapper geweest is, noch van didactische kwaliteiten blijk gegeven heeft, noch als heilig te boek gestaan heeft, niet zijn blijven leven. Maar na zich met de geschiedenis van zijn orde beziggehouden te hebben, deed hij in 1644 in Antwerpen verschijnen het boek Ydelheyt des Werelts, 'voor Philothea, de Godtminnende Siel'. Het bestaat uit zestien prentjes met een motto en een gedicht of prozastuk dat er nader op ingaat, een zogenaamde emblematabundel. Het boekje raakte vrijwel meteen uitverkocht. Poirters, verrast door het succes, heeft het daarna omgewerkt tot het alom bekende werk Het Masker van de Wereldt afgetrocken, een luxe-uitgave met mooie, nieuwe prenten, met nieuwe bijschriften, met gedichten, met prozastukjes en nog enige 'toe-maatjes'. Het oorspronkelijke genre, 'een praatje bij een plaatje', is door de breedsprakigheid van de dichter fors geweld aangedaan. Terwijl wij nu moeten constateren dat Poirters toch wel erg weinig zelfkritiek en zelfbeperking kende, wel erg oppervlakkig erop los rijmde, was het volk razend enthousiast. Meestentijds wordt Poirters gezien als de katholieke Jacob Cats, maar volgens zijn biograaf Edward Rombauts is Poirters' Masker 'ècht volks' en 'fris en natuurlijk', terwijl hij Cats 'vormelijk stijf en pedant vindt'. Poirters bleef werken aan zijn Masker. In 1649 was de definitieve versie, de zesde druk, gereed. Het hoogtepunt van Poirters' werk; hij is dan uitgegroeid tot een geestig-satyrische volksschrijver, vindt Rombauts. Anton van Duinkerken is heel wat kritischer. Met de latere drukken heeft Poirters, inmiddels uit Antwerpen vertrokken, zich niet meer bemoeid. Vanaf 1649 is er sprake van een kwaal die hem veel pijn bezorgde. Het is opmerkelijk dat vanaf die tijd zijn werk meer diepgang vertoont, zo bijvoorbeeld Het Duyfken in de Steen-Rotse, een soort lijdensmeditaties, geschreven in Lier in 1656. Van Duinkerken acht de Spiegel der Philagie, ontstaan in 1672, Poirters' beste werk: het is een leidraad voor ascetische levenskunst, speciaal bedoeld voor godgewijde maagden.

Adriaen Poirters stierf in 1674. In 1696, 22 jaar na zijn dood, is er nog een boekje van Poirters verschenen, dat hij niet meer heeft kunnen voltooien. Een confrater had het ter afwerking meegenomen, maar was er niet aan toegekomen. Uiteindelijk is het met een Korte Aen-wysinge van het leven en wercken des auteurs, opgesteld door zijn confrater Daniël van Papenbroeck, gepubliceerd. Een wetenschapsman of uitblinker in de Latijnse welsprekendheid, zoals veel van zijn mede-jezuïeten op de colleges, is Adriaen Poirters nooit geweest, evenmin een ervaren of 'gewichtig' leraar, meent Rombauts. Poirters is volgens de overlevering wel een vrolijke figuur geweest. Zijn gaven lagen op het gebied van de vaardige hantering van de volkstaal, in een 'sappige zeggingskracht'. Ze kwamen weinig tot hun recht in een omgeving waarin men verplicht Latijn sprak.

Bij de kerk in Oisterwijk prijkt een standbeeld van Adriaen Poirters, 'Oisterwicanus', zoals hij zelf toevoegde aan zijn naam. Het is van de kunstenaar Aloys De Beule uit Gent en is in 1926 geplaatst op initiatief van kapelaan Anton Huijbers, de culturele promotor van Oisterwijk. Op de hoek ervan ligt in brons het masker, van de wereld afgetrokken.


Bronnen

• W. de Bakker, 'Pater Poirters, overleden 4 juli 1674', De Kleine Meierij 25 (1974), 57-62
• Anton van Duinkerken, Dichters der Contra-reformatie, Utrecht 1932
• E. Rombauts, Adriaan Poirters. Volksredenaar en Volksschrijver, z.p. 1937
• E. Rombauts, Leven en Werken van Pater Adrianus Poirters S.J., Gent z.j. [1930]
• P.J.M. Wuisman, 'Boeken en Artikelen van en over Pater Adriaen Poirters. Proeve ener Bibliografie', De Kleine Meierij 25 (1974), 63 e.v.


Dit artikel verscheen eerder in: P. Timmermans e.a. (red.), 
Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 5 (Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening, Heeswijk 1999).


Auteur: Nel Rogier

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon