Gerrit van Poppel (1863-1963)

landbouwpionier

Gerardus Johannes van Poppel was de oudste zoon uit het landbouwersgezin van Gerard van Poppel en Johanna Aarts in Gilze. Hij werd geboren op 16 november 1863 in de gemeente Gilze en Rijen. Op 15 oktober 1894 huwde hij Maria Cornelia van Zon uit Gilze, landbouwersdochter. Hun gezin telde twee dochters. Op 1 augustus 1963 is Gerrit van Poppel in zijn geboorteplaats overleden.

Vanaf zijn twaalfde jaar was Gerrit van Poppel twee jaar op de kostschool van de Broeders van Huijbergen en vervolgens twee jaar op het kleinseminarie IJpelaar in Ginneken. Daarna ging hij werken op het ouderlijk bedrijf. Hij exploiteerde later een akkerbouwbedrijf, aanvankelijk ongeveer tien hectare groot, later ruim dertig hectare. Van Poppel had een zeer actief leven. Hij was ontvankelijk voor vernieuwingen in de landbouw, waarin sinds eeuwen eigenlijk niets veranderd was. Voorts kende hij een grote sociale en maatschappelijke betrokkenheid en dientengevolge een grote belangstelling voor het overheidsbestuur.

Zijn hart lag van huis uit vooral bij de landbouw en de veeteelt. Dit had hem al vroeg in aanraking gebracht met de Noordbrabantse Maatschappij van Landbouw, die in 1881 was ontstaan uit een fusie van in de provincie sedert 1851 opgerichte regionale landbouwmaatschappijen. In Gilze was een afdeling van deze organisatie. Van Poppel vond het belangrijk dat de boeren - teneinde verbeteringen te bereiken - elkaar steunden, ervaringen en gegevens uitwisselden, meer voorlichting en onderwijs genoten, gezamenlijk inkopen verzorgden, enzovoort. In Gilze was al rond 1880 een onderlinge veeverzekering opgericht, zodat boeren die vee verloren voortaan enigszins schadeloos konden worden gesteld.

Sedert 1891 vervulde Van Poppel een rol in de Maatschappij van Landbouw, die zou uitgroeien tot een plaats in de eerste gelederen van deze organisatie. In 1894 zat hij in een commissie om te adviseren over het bouwen en exploiteren van zuivelfabrieken en over de verbetering van de veestapel en veevoeding.

In 1895 kwam er voor de boeren een onderlinge brandwaarborgmaatschappij tot stand voor Gilze en Rijen, Ginneken, Teteringen en Oosterhout; Van Poppel nam de leiding hiervan op zich. In deze tijd begon men in katholieke kring steeds meer te ijveren voor eigen, christelijke boerenbonden. De maatschappij wilde echter haar organisatie zien als dé neutrale landbouworganisatie, voor iedereen bestemd en geschikt. Toen op de vele katholieke leden geleidelijk meer druk werd uitgeoefend om toe te treden tot een katholieke bond, leidde dit tot spanningen binnen de maatschappij. Een commissie van de maatschappij ter advisering over deze problematiek, met daarin onder andere Van Poppel, kwam tot de conclusie dat een goede vorm van samenwerking moest worden gezocht om verdere verdeeldheid te voorkomen. In deze voor de maatschappij moeilijke periode werd Van Poppel op 20 augustus 1901 tot voorzitter gekozen. Zijn intentie was het de strijd met de boerenbonden te beëindigen en daarmee zoveel mogelijk samen te werken en eventueel samensmelting te bevorderen. Tijdens zijn voorzitterschap vervulde hij een leidende rol bij tal van initiatieven van de maatschappij ter verbetering van de landbouw en de veeteelt.

Aan de groei van de christelijke of eigenlijk katholieke boerenbonden ten koste van de Maatschappij van Landbouw kwam evenwel geen einde. Toen de bisschoppen er vanaf 1914 steeds meer en openlijk voor pleitten dat katholieke boeren zouden toetreden tot een katholieke organisatie, besloot de katholieke Van Poppel zich uit de strijd terug te trekken. Hij diende zijn ontslag in als voorzitter van de maatschappij. De beslommeringen rond en tijdens de oorlog 1914-1918 noopten hem echter nog enige tijd in functie te blijven. Diverse commissies werden ingesteld om de voedselvoorziening voor Nederland veilig te stellen. Bovendien werd de maatschappij ingeschakeld als adviseur voor de regering en als uitvoerder van tal van regeringsmaatregelen op landbouwgebied. Van vele commissies heeft Van Poppel toen deel uitgemaakt. Ook kon hij de landbouwministers Talma en Posthuma persoonlijk nogal eens van advies dienen. In 1916 bij zijn afscheid als voorzitter werd hij tot erelid van de Maatschappij van Landbouw benoemd.

Van Poppel heeft naast de reeds genoemde nog diverse andere functies op landbouwgebied vervuld, zoals lid van een tiendcommissie, bestuurslid van een r.-k. landbouwschool en voorzitter van een pachtadviesbureau.

Voor de gemeente Gilze en Rijen waar hij lange tijd een functie vervulde, was hij een opvallend bestuurder, zuinig van aard, strak leidend en bezeten van een grote werkdrift. Hij was een vraagbaak en steun voor zeer velen. In 1891 deed hij zijn intrede in de gemeenteraad. In 1897 werd hij bovendien wethouder. Nadat hij op 28 mei 1901 was benoemd tot burgemeester van Gilze en Rijen, bleef hij nog tot 1910 de functie van raadslid vervullen, een weinig voorkomende cumulatie van functies. Per 1 juli 1933 nam hij ontslag als burgemeester.

Zijn ambtsperiode werd gekenmerkt door vele ingrijpende veranderingen. Zo kwam rond 1900 de eerste automobiel in de gemeente. Het isolement waarin de gemeente nog verkeerde, werd verbroken door het verharden van verbindingswegen met omliggende plaatsen, het aanleggen van de Gilze-Rijense haven aan het Wilhelminakanaal en het instellen van een omnibusdienst, eerst met paarden later met motortractie. De gemeente werd voorzien van elektriciteit, gas en drinkwater. Riolering werd aangelegd. Bij zijn installatie als burgemeester in 1901 waren op het balkon van het gemeentehuis de volgende regels te zien geweest:

   Beschermer zal ik zijn van recht en billijkheid.
   Mijn beste kracht, zij wordt der burgerij gewijd.

Bij zijn afscheid zei hij getracht te hebben hiernaar zijn werk te doen. Hij was tengevolge van zijn vele activiteiten buiten de gemeente nogal eens op reis. Hij hield zijn spreekuur na de hoogmis op zijn boerderij. Het gebeurde wel dat een Rijenaar hem wilde spreken, waarna hij liet weten wanneer hij met de trein in Rijen zou aankomen. De vragensteller kon dan met hem meelopen richting Gilze en onderweg zijn belangen voorleggen!

Voor al zijn activiteiten, in het bijzonder die ten dienste van de landbouw, werd hij op 27 augustus 1912 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In het dorp Gilze werd een straat naar hem vernoemd. Hij heeft de gemeente Gilze en Rijen drie geschriften nagelaten, gewijd aan de geschiedenis van Gilze en aan de ontwikkeling van de landbouw aldaar.


Bronnen

• P.J. van Loon, Honderd jaren Maatschappij van Landbouw in Noord-Brabant, 1851-1951, Amsterdam 1951
• Mr J.J. Wintermans, Geschiedenis van den Noordbrabantschen Christelijken Boerenbond, 's-Hertogenbosch 1946
• Gemeentearchief Gilze en Rijen
• Geschriften van G.J. van Poppel


Dit artikel verscheen eerder in: J. van Oudheusden e.a. (red.), Brabantse biografieën. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Deel 1 (Uitgeverij Boom en Stichting Brabantse Regionale Geschiedbeoefening,
Amsterdam/Meppel 1992).


Auteur: A.J.M. Hoevenaars

Thuis in Brabant
 
Links | Colofon